Hoofdtekst
Zelfs hare oude grootmoeder, die een beetje knorrig van aard was en niet, zooals anders gewoonlijk bij grootmoeders het geval is, veel van kinderen hield, maakte eene uitzondering ten opzichte van Roosje. "Grootje," zoo noemde de kleinkinderen haar, woonde in een hutje, een goed half uur verwijderd van het dorp. En er ging geen dag voorbij, of men kon het meisje bij de oude vrouw zien zitten, luisterende naar de wonderlijke geschiedenissen, welke Grootje vertelde en welke, naar haar zeggen, heel, heel lang geleden gebeurd waren.
Toen Roosje jarig was, gaf hare grootmoeder haar een mooi rood jurkje met een hoedje van dezelfde kleur. De oude vrouw had dat alles zelve gemaakt. Was was Roosje blijde! Dadelijk moest de jurk aangepast worden, en toen zij ook het hoedje had opgezet, vond zij, dat zij zoo mooi was aangekleed als eene prinses. "Nu, lieveling," vroeg Grootje, "zijt gij in uw schik met mijn geschenk?" "Dat zou ik denken!" antwoordde Roosje, en hare armen om Grootjes hals slaande, kuste zij de oude vrouw hartelijk. Roosje was zoo ingenomen met haar mooi hoedje, dat zij het elken dag droeg, en de buren die haar telkens zagen voorbijgaan met dat vreemde, helderroode hoedje op, noemden haar glimlachend: "Roodkapje".
Op zekeren dag kwam haar vader thuis van zijn werk met een hondje, dat hem naageloopen was. Roosje nam het dier mede naar de keuken en gaf het wat brood en melk. "Vader, mag ik dit lieve hondje houden?" vroeg zij, toen het beestje liefkoozend tegen haar opsprong. "Als wij niet kunnen te weten komen, wie de eigenaar van den hond is, moogt gij hem houden," antwoordde vader. Roodkapje noemde haar hondje Azor, en het dier hechtte zich zóó sterk aan zijn kleine meesteres, dat het haar overal volgde en niet in zijn schik was, als het niet bij haar kon zijn.
Ik heb u verteld, dat Roodkapje een heel lief kind was. Maar dit neemt niet weg, dat zij ook hare gebreken had, en een van die gebreken was, dat zij weleens wat onbedachtzaam mocht heeten. Zonder met opzet ongehoorzaam te wezen, kwam zij meermalen in ongelegenheid door slechts half te luisteren naar wat haar moeder zeide.
Eens riep hare moeder haar en zeide: "Grootje is ziek en ik heb het te druk, om naar haar toe te gaan. Breng gij haar nu wat soep, boter en een paar versche eitjes. Loop recht door en blijf niet staan praten, als ge iemand tegenkomt. En speel ook niet onderweg, want Grootje zal heel blij wezen, als gij bij haar zijt, en gij moet vóór den donker terug wezen." Roosje luisterde maar half naar wat haar moeder zeide. Ze zette vlug haar hoedje op, nam het mandje, dat moeder had gereedgemaakt en ging op weg. "Hoe heerlijk," dacht zij, "zoo met Azor door het bosch te gaan!"
Het was een prachtige lentedag, en Roosje vergat heel spoedig het bevel harer moeder. Zij zette haar mandje neder, ging bloempjes plukken en met Azor spelen. Eindelijk ging zij verder. Eensklaps begon Azor te janken en liep weg het bosch in, den kant op, waar een paar houthakkers aan het werk waren. Op hetzelfde oogenblik kwam er uit het kreupelhout een wolf te voorschijn. Wetende, dat er niet ver af houthakkers waren, durfde hij Roodkapje niet aanvallen. Hij maakte een praatje met haar, en Roodkapje vertelde hem, dat zij naar hare Grootmoeder ging, die ginds in dat eenzame hutje woonde. "Laten wij dan eens om het hardst loopen", zei de wolf. "Ga gij dezen kant op, en ik dien anderen, en dan zullen wij eens zien, wie er het eerst is." Dat vond Roodkapje eene aardige grap.
Zoodra nu het meisje uit het gezicht was, liep de wolf, zoo hard hij kon, naar de hut en klopte zachtjes aan. "Wie is daar?" vroeg de grootmoeder. "Ik ben het, lieve Grootje," zei de sluw wolf, de stem van Roodkapje nabootsend. "Licht de klink maar op en duw de deur open, lieveling," riep Grootje. De wolf opende de deur. De oude vrouw lag ziek te bed, en groot was haar schrik, toen zij, in plaats van Roodkapje, een grooten wolf zag binnenkomen. Vóór zij tijd had om te schreeuwen, sprong de wolf op haar toe en at haar op. Toen deed hij de kleeren der oude vrouw aan en ging te bed liggen.
Eene poos daarna kwam Roodkapje. "Is dat mijn lief kleindochtertje?" vroeg de wolf. "Ja, Grootje." "Licht de klink maar op en duw de deur open, lieveling." Roodkapje trad binnen, Ze had niet eens gemerkt, dat Azor niet bij haar teruggekomen was. "Lieve Grootje," zeide Roodkapje, "het spijt mij zoo, dat gij ziek zijt. Maar ik heb soep, boter en eieren medegebracht om u weer beter te maken." "Dank u, lief kind," sprak de wolf, "gij zijt eene beste meid, dat gij zooveel lekkers meebrengt." "Grootje," riep Roodkapje, "wat zijn uw oogen groot geworden!" "Dat is, om u beter te kunnen zien." "En wat hebt gij groote ooren!" "Dat is, om u beter te kunnen hooren." "En, Grootje, wat hebt gij scherpe tanden!" "Dat is, om u beter op te eten!" riep de wolf, sprong uit het bed en greep Roodkapje aan.
Maar op hetzelfde oogenblik werd het geblaf van een hond gehoord, de deur vloog open, en de houthakkers snelden binnen. Azor was hen wezen waarschuwen. De wolf liet Roodkapje los en trachtte door het raam te ontvluchten, maar de mannen vielen op hem aan en sloegen hem dood. Wat Roodkapje aangaat, zij had gelukkig geen letsel gekregen. Weldra ging zij naar huis terug en nam zich voor, nooit weer ongehoorzaam te wezen.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Bron
KB: KW XKR 2408
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Azor   
Roosje   
Grootje   
