Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE110

Een sprookje (boek), 1943

Default_a_realistic_color_photo_of_a_young_girl_wearing_a_red_2.jpg

Hoofdtekst

Er was eens lang, lang geleden een klein meisje en dat meisje had natuurlijk
ook een vader en een moeder en ze woonde in een klein huisje, aan de rand van 't dorp. Haar vader bewerkte het land, dat achter het huisje gelegen was, haar moeder bakte en kookte in de keuken en ze hield 't huis schoon en het kleine meisje ging naar school en deed goed haar best.
Het was maar een klein dorpje, waar ze woonde en dat dorpje lag temidden van de woeste bossen, waar de wilde dieren leefden. Daar waren nog wolven en beren en vossen en marters en hermelijnen en vele andere soorten dieren. In het midden van het dorpje was de Brink; daar stonden de eeuwenoude bomen, daar was ook de pomp, waar alle vrouwen een paar keer per dag water kwamen halen en rond de Brink lagen de grote huizen van den burgemeester en van de andere aanzienlijke mensen uit het dorp. Daar weer omheen lagen de kleinere huizen van de boeren en de vader van het kleine meisje was ook zo'n boer. Hij was een ijverig man en daardoor hadden de mensen het niet slecht.
Nu had het meisje ook een grootmoeder en ..., nee, een grootvader had ze niet meer, want die was gestorven. Die grootvader was jager geweest en hij had voor zichzelf een klein huis gebouwd, midden in het bos. Het was een stevig en sterk huis, want in de nacht dwaalde er wel eens wolven en beren om dat jagershuis en natuurlijk wilde de oude jager niet hebben, dat die binnen kwamen.
Maar helaas ... de grootvader van het kleine meisje was gestorven en nu woonde haar grootmoeder helemaal alleen in dat kleine huis en er was niemand die voor haar zorgde. Maar dat hoefde ook niet, want ze was nog flink en ze kon best alleen wonen. Wel werd ze erg oud en daarom hadden de vader en de moeder van het kleine meisje er al dikwijls op aangedrongen, dat grootmoeder toch in het dorp zou komen wonen. Maar dat wilde de oude vrouw niet en ze zei: “Zolang ik voor mijzelf kan zorgen, zolang blijf ik wonen in het oude huisje, waar ik gelukkig ben geweest, het huisje, dat hij voor ons heeft gebouwd en waar we zolang samen hebben geleefd.”
En of de ouders van het kleine meisje nu al praatten als Brugman, de grootmoeder dacht er niet aan, want ze had haar eigen wil. Ze was dol op het kleine meisje. Nu, dat zijn de meeste grootmoeders wel op hun kleinkinderen. Dikwijls trok het kleine meisje door het bos naar het huisje van haar grootmoeder en ze kon er zeker van zijn, dat er altijd wel iets lekkers voor haar klaar lag, als ze daar aan kwam. Nu eens was het een stukje worst, dan weer een lekker stuk taart of tulband en dikwijls ook een handvol rozijnen of een heerlijke appel. Maar daarom ging het meisje toch niet, al hield ze wel van iets lekkers. Ze ging, omdat ze veel van haar grootmoeder hield.
Zo was ze op een dag weer bij grootmoeder en toen zei de oude vrouw: "Op de kast ligt een pakje voor je." "Dat kleine pakje, grootmoeder?" "Ja, kind, neem het maar." "Wat zit daar in, grootmoeder?" "Je moet het maar openmaken, dan zal je het zien." Nu, dat liet het kleine meisje zich geen tweemaal zeggen en even later maakte ze het pakje open en toen zei ze: "O, grootmoeder ..., wat is dat mooi! En is dat voor mij ?" "Ja, mijn kind, dat is voor jou. Ik heb het zelf voor je gemaakt." Vol bewondering keek het kleine meisje naar het snoezige rode mutsje, dat ze in haar hand hield en ze zette het dadelijk op. Toen liep ze naar de spiegel, om zichzelf te bekijken en ze riep: “O, grootmoeder, wat staat me dat mooi!" "Ja kind," antwoordde de grootmoeder verheugd. "Dat kapje staat heel mooi. Ik geloof, dat het je heel goed past." "Ja, grootmoeder, het past mij heel goed. O ... wat mooi .., ik dank U wel." Wat was het kleine meisje blij, toen ze terug wandelde door het bos. Ze liep dadelijk naar huis om zich te laten bekijken. En de volgende dag, toen ze op school kwam, toen zei de meester: "Kijk eens ... wat heb jij een aardig rood kapje op. Weet je wat .... we zullen je voortaan Roodkapje noemen." En zo gebeurde het ook, want allen gingen zich wennen aan die naam en het duurde niet lang, of het kleine meisje hoorde haar eigen naam nooit meer en iedereen vergat die naam, want ze werd alleen nog maar “Roodkapje" genoemd.
Er ging een half jaar voorbij, het werd een strenge winter en de vader van Roodkapje moest met de slede over de bosweg naar het huis van grootmoeder, want de sneeuw lag hoog, maar de oude vrouw kon er niet meer door, om voedsel te halen uit het dorp. Daarom ging de vader van Roodkapje het haar brengen, met de slede, maar het werd geen prettige tocht, want de twee paarden waren bang en schichtig. In het bos huilden namelijk de wolven, die honger hadden. Ze waagden zich nog wel met op de bosweg, maar ze kwamen er toch dicht genoeg bij, om de paarden te laten schrikken, want paarden kunnen veel beter ruiken dan wij en zij roken de wolven. De vader was blij, toen hij het kleine huisje, daar diep in het woud bereikt had en weer zei hij: “Grootmoeder .... wees toch verstandig en ga met mij mee naar het dorp. Je woont hier toch veel te eenzaam." “Nee," antwoordde de oude vrouw, “hier heb ik altijd gewoond en hier wil ik blijven wonen tot aan het einde van mijn dagen." Toen bedankte ze hartelijk voor het eten, wat haar was gebracht en daarna moest de vader alweer gauw weg, want hij wilde voor het donker het bos uit zijn. Die nacht huilden de wolven om 't huisje van de oude vrouw, maar ze was toch niet bang, want de wolven wisten immers niet, hoe ze bij haar moesten komen. Ja.. er zou wel een middel geweest zijn, om de deur open te krijgen, maar alleen de moeder en de vader van Roodkapje kenden dat middel en natuurlijk de oude grootmoeder zelf. Verder wist niemand er iets van en dat was maar goed ook. Toen het licht werd, trokken de wolven weer weg, verder het bos in en ze lieten zich niet meer zien, want ze wisten nu wel, dat ze toch niet in het huisje binnen konden dringen.
Zo ging de winter voorbij en eindelijk kwam het voorjaar. De sneeuw smolt onder de warme stralen van de zon, bomen en planten begonnen uit te botten en de bloemen staken hun kopjes weer op uit het gras, dat weer groen begon te worden.
En ... ja, juist toen werd de grootmoeder van Roodkapje ziek. Natuurlijk wisten ze dat niet in het dorp, maar gelukkig hoorde de jager het. Dat was de nieuwe jager, die in het bos was komen wonen, toen grootvader was gestorven. Hij woonde zowat een uur lopen van grootmoeder's huisje verwijderd, maar dikwijls kwam hij, op zijn tochten door het woeste woud, voorbij grootmoeder’s huisje en nooit zou hij vergeten, daar even binnen te gaan en een praatje met de oude vrouw te maken. Dat deed hij nu ook weer en toen zag hij, dat grootmoeder ziek in bed lag. “Het is goed, dat je komt, jager," zei de oude vrouw. “Ja, dat zie ik." “Je kunt wat voor mij doen." "Zeg maar, wat ik doen moet en ik zal je graag helpen," sprak de jager. "Ga dan in het bos en haal wat kruiden voor mij. Daar zal ik een thee van zetten en dan ben ik gauw weer beter." Dat deed de jager en toen hij terug kwam, met de kruiden, vroeg hij: "Wat kan ik verder nog voor je doen, grootmoeder?" "Je kunt nog wat water voor mij halen uit de put, voor het huis." Toen de jager dat gedaan had, zei hij: "Ik ga vanmiddag naar het dorp." "Dat is goed. Dan kan je een boodschap gaan brengen bij mijn dochter. Zeg haar, dat ik ziek ben, maar dat het helemaal niet erg is. Ze hoeft niet te komen, maar als ze wil, dan kan ze Roodkapje sturen." "Ik zal het zeggen." “Ja, ik lig hier zo alleen en als dat kleine, lieve Roodkapje komt, dan zal ze mij zeker wat opvrolijken." “Goed, Grootmoeder, ik ga er vanmiddag naar toe."
En toen vertrok de jager, hij schoot onderweg nog een paar hazen en konijnen, die hij in het dorp verkocht en daarna ging hij naar het huisje, aan de rand van het dorp en daar vertelde hij, dat grootmoeder ziek was. Natuurlijk wilde Roodkapje's moeder er dadelijk heen gaan, maar de jager zei: “De oude vrouw heeft gezegd, dat je je helemaal niet bezorgd hoeft te maken. Maar ze zal het wel heel prettig vinden, als je Roodkapje wilt sturen, want dat zal haar wat opvrolijken." Nu .... toen Roodkapje die middag thuis kwam, uit school, stond haar moeder al te bakken in de keuken. Ze bakte een heerlijke taart voor de zieke grootmoeder en vader ging naar de kelder en hij vulde een grote fles uit het vat met wijn, dat hij daar had staan. Toen nam de moeder een mandje en daar deed ze de taart en de fles met wijn in en ze zei: “Kind, luister nu eens goed. Ga met deze mand naar grootmoeder. Doe haar de hartelijke groeten en zeg haar, dat ik morgen zelf kom kijken. En ga niet van de grote bosweg af, want dat is gevaarlijk. Het zou kunnen zijn, dat je valt over de boomstronken en de boomwortels en dan zou de des kunnen breken. En nog iets.. het zou ook kunnen zijn, dat je den wolf tegen komt en die zou je kwaad doen." “Ja, Moeder." “Beloof je me dat?" “Ja, Moeder ... ik beloof het." “Dan is het goed, mijn kind. En ga een uur voor dat het donker wordt, weg bij grootmoeder." “Ja, Moeder, dat zal ik ook doen."
En toen zette het kleine meisje haar rode mutsje op, ze nam de mand aan haar arm en ze ging welgemoed op weg. Onderweg keek ze niet op of om, want ze dacht aan haar grootmoeder, die ziek lag en ze hoopte maar, dat het met zo erg zou zijn. Zo kwam het dan ook, dat ze de gestalte niet zag, die door het woud sloop, en die tussen de bomen door, een heel eind met haar meeliep. Het was de wolf en likte zich de lippen, want hij dacht bij zichzelf, dat hij in de lange winter niet veel te eten had gehad en dat hij best trek zou hebben in een mals hapje. Maar op de bosweg durfde hij niets te doen, daarom hield hij zich verborgen. Het was echter zo stil op de bosweg, dat de wolf moed vatte en langzaam naderbij kwam. Roodkapje zag hem pas, toen hij vlak naast haar stond en toen schrok ze nog niet eens, want ze had nog nooit een wolf gezien.
“Goedenmiddag," zei de wolf. Hij trok een heel vriendelijk gezicht en hij zorgde er wel voor, dat het kleine meisje zijn tanden niet te zien kreeg. “Goedenmiddag," zei Roodkapje. “Ben je zo aan het wandelen?" “Nee, ik moet een boodschap doen voor mijn moeder." “Wat moet je dan wel doen, mijn lieve kind?" “Ik moet naar mijn grootmoeder. Ze is ziek en ze ligt in haar bed. Nu moet ik haar een taart gaan brengen en een fles wijn.” “Zo, mijn kind, dat is aardig van je: Waar woont je grootmoeder dan wel?" “Zij woont in het kleine huisje, midden in het woud." “O, ja," zei de wolf. “Dan ken ik je grootmoeder wel. Wij zijn zelfs heel goede vrienden. Ach .... wat hoor ik daar van op ...." Waarvan?" vroeg Roodkapje. “Dat je grootmoeder ziek is." “Ja, dat is heel naar." “Ik had het eerder moeten weten," zei de wolf, “dan zou ik zeker naar haar toe zijn gegaan, om haar een beetje gezelschap te houden. Maar dat kan ik nu ook nog doen." “Ja, dat moet U dan maar gauw doen." “Beste kind," zei de wolf, “een ding begrijp ik niet. Houd je niet van de natuur?" "Jawel. Zelfs heel veel." “Maar waarom kijk je dan niet eens om je heen. Het is hier zo mooi in het bos. Kom .... ga eens mee het woud in, dan kan je prachtige bloemen plukken voor je grootmoeder." "Dat mag ik niet," zei Roodkapje. “Ik mag niet van moeder. Ik moet flink doorlopen." "Maar kind .... " De wolf deed net, of hij erg geschrokken was. "Kind: je zult er helemaal niet in kunnen, ik bedoel de deur van grootmoeder's huisje is altijd gesloten. Hoe kan ze me nu opendoen, als ze in bed ligt." “O,” zei Roodkapje, “dat is heel eenvoudig. Er hangt een touw naast de deur en als je daar aan trekt, dan gaat van binnen de grendel van de deur en dan kan je er zo in." “O, nu, als je dat weet, dan zal je er wel in kunnen," zei de wolf. “Maar een ding vind ik toch niet aardig van je." “Wat dan?" vroeg Roodkapje, een beetje geschrokken. “Dat je helemaal geen bloemen meeneemt voor je zieke grootmoeder." “Ja, dat is ook wel jammer, maar ik heb ze nu eenmaal niet," antwoordde Roodkapje een beetje verdrietig. “Maar kind, dan kan je ze toch plukken, Ik heb je net al gezegd, dat ik niet begrijp, dat je helemaal niet om je heen kijkt. Sta nu eens even stil en luister eens naar de vogels, die daar fluiten in de bomen. Luister eens naar het zachte kabbelen van het water in het beekje en hoor je de wind .... de wind, die door de takken ruist?" “Ja, dat is mooi." “En kijk eens opzij. Kijk eens, wat een prachtige bloemen daar overal groeien en bloeien." Ja … die zijn prachtig….” “Zie je, kind, als jij werkelijk veel van je lieve grootmoeder houdt, dan ga je gauw een mooi boeket bloemen voor haar plukken." “Ik zou wel willen, maar ...." aarzelde Roodkapje. “Wat nu maar?" "Moeder wil niet hebben, dat ik van de bosweg afga." “Kom, kom ..., als je moeder wist, dat je bloemen wilt plukken voor je zíeke grootmoeder, dan zou ze dat juist heel aardig van je vinden en dan zou ze dat zeker goed vinden." "Ja, dat is misschien wel waar. Ik zal dan maar gauw beginnen," zei Roodkapje en ze wilde een paar bloemen afplukken, die vlak bij de bosweg stonden. "Nee," zei de wolf. "Deze moet je niet nemen. Die zijn niet zo mooi. Je moet verder het bos ingaan. Daar staan veel mooiere, Nu, kind .... doe je best en tot ziens. Ik moet weer eens verder, want ik heb nog meer te doen." "Goedenmiddag," zei Roodkapje en toen ging ze het bos in, om bloemen te plukken. Maar daarbij kwam ze natuurlijk steeds verder van de bosweg af, want steeds zag ze weer mooiere bloemen en dan ging ze weer wat verder. Dat duurde zo een hele tijd, tot ze er met schrik aan dacht, dat het al wel heel laat moest zijn en dat ze twee dingen beloofd had: Ze had beloofd om niet van de bosweg af te gaan en ze had beloofd, om een uur voor het donker bij grootmoeder weg te gaan. Ja, nu moest ze zich gaan haasten, dacht ze. Ze had intussen zoveel mooie bloemen geplukt, dat ze niets meer plukken kon. Het was een prachtige bos veld- en bosbloemen geworden en ze had er haar armen vol van. Bovendien moest ze nog 't mandje dragen met de taart en de wijn. Roodkapje haastte zich zoveel mogelijk, maar ze schoot toch niet hard op, want door het woud was geen weg en overal lagen takken en omgevallen bomen, waar ze overheen moest stappen. Maar eindelijk kwam ze dan toch bij de bosweg en toen ging ze met haastige pasjes verder, naar het huisje waar haar grootmoeder woonde.
En wat had de wolf intussen gedaan? Wat voerde die in zijn schild? Dat gaan we nu vertellen. Toen de wolf Roodkapje zag, dacht hij bij zichzelf, dat dit net een lekker hapje voor hem was, maar hij wilde de oude grootmoeder ook wel hebben. Nu had de slimmerd een boosaardig plan gemaakt. Hij had Roodkapje het bos ingestuurd, om bloemen te plukken en zo kreeg hij de tijd, om haastig naar ’t huisje van grootmoeder te lopen, want hij wist nu, hoe de deur open gedaan moest worden. Maar onderweg bedacht hij nog iets anders, want hij was een beetje bang, dat hij toch niet zo goed aan dat touwtje zou kunnen trekken als de mensen. Hijgend kwam hij bij het huisje aan, en hij wachtte een tijdje, tot hij weer gewoon praten kon.
Binnen in het huisje, in haar bed, lag de oude grootmoeder. Ze verveelde zich en ze was een beetje bedroefd, want ze dacht, dat haar kleinkind niet meer zou komen. Ze hield veel van Roodkapje en ze dacht, dat het kleine meisje ook veel van haar hield. Maar nu scheen het meisje haar grootmoeder toch vergeten te hebben, want ze kwam niet opdagen. Och, och: wat was die oude grootmoeder blij, toen ze eindelijk op de deur hoorde kloppen. Dat moest natuurlijk Roodkapje zijn, wie zou het anders moeten wezen? “Ja?" riep de grootmoeder. “Wie is daar?" De wolf zette zijn liefste stemmetje op en hij antwoordde: “Ik ben het, grootmoeder." De oude vrouw was zo blij, dat ze nu bezoek kreeg, dat ze niet goed op de klank van de stem lette en ze antwoordde dadelijk: “Ben jij het, Roodkapje?” “Ja, grootmoeder”. “Kom dan maar binnen. Je weet hoe je aan het touwtje moet trekken. Ik lig in bed en Ik kan er met uitkomen.” “Ja, grootmoeder." En daar stond de wolf aan het touwtje te trekken, maar het lukte hem toch niet, om de klink van de deur op te trekken, want hij was nu eenmaal een wolf en geen mens. “Gaat het niet, kind?" riep de grootmoeder weer. “Nee, .... grootmoeder ..., ik heb mijn handen zo vol. Ik breng ook een taart voor U mee en een fles wijn." Nu kon de oude vrouw begrijpen, dat het kleine meisje de deur niet open kon krijgen en daarom kwam ze moeizaam uit haar bed en ze deed zelf de deur open. O, wat schrok ze, toen ze den wolf zag staan. “Nu heb ik je," riep de wolf. “Altijd was deze deur gesloten, maar nu ben ik binnen." De oude grootmoeder schrok heel erg, ze verdedigde zich toch nog moedig. Maar wat hielp het haar ...... de wolf greep haar en met een grote hap verslond hij de oude grootmoeder.
Dat was een hele hap voor den wolf, maar hij was dan ook een van de grootste wolven van de wereld en bovendien had hij dagenlang niets gegeten, zodat zijn maag geheel leeg was. Arme Grootmoeder .... daar zat ze nu in de donkere maag van het ondier en ze kon er niet meer uit. Hoewel de wolf nu toch zeker wel genoeg gegeten had, was hij nog niet tevreden. Hij dacht aan het kleine meisje, met het rode kapje, dat nu bloemetjes liep te zoeken in het woud. Hij dacht er aan, dat ze straks wel zou komen en daarom besloot hij, alles in orde te maken, opdat ze niet bang zou weglopen. Eerst sloot hij netjes de deur, toen zocht hij in de linnenkast en daar vond hij een nachthemd van grootmoeder. Met veel moeite trok de wolf dit nachthemd aan en hij moest een beetje grinniken, toen hij zichzelf bekeek in de spiegel. In de kast vond hij ook een slaapmuts van de oude vrouw en die zette hij op, terwijl hij de bandjes onder zijn kin dichtstrikte. Hij zag de bril van grootmoeder liggen op de tafel en hij zette de bril op. Toen klom hij in het grote bed van grootmoeder, hij greep een boek en sloeg dat open. Nu deed hij net, of hij las, maar hij hield het boek op de kop, zodat de letters ondersteboven stonden. Dat was nu helemaal niet erg, want lezen kon het ondier toch niet. Zo lag de wolf daar in bed te wachten, tot Roodkapje op de deur zou kloppen. Het wachten duurde echter lang en een paar maal was de wolf van plan om uit het bed te klimmen, om die benauwde kleren uit te doen en het huisje te verlaten. Maar als hij dan weer aan het lekkere hapje dacht, dat hij misschien nog zou krijgen, bleef hij weer liggen.
En eindelijk, eindelijk dan toch hoorde hij voetstappen naderen en ja .... daar werd werkelijk op de deur geklopt. “Kom maar binnen!" riep de wolf. “Grootmoeder .... ik heb mijn handen zo vol," klonk de stem van Roodkapje. “Ik kan niet aan het touwtje trekken." De wolf schrok ervan, want dat kon hij immers ook niet en hij wilde niet uit het bed komen. Maar snel bedacht hij een list .... Hij bootste de stem van de oude vrouw zo goed mogelijk na en hij riep: “Ik ben ziek, kind. Ik kan niet uit mijn bed komen. Zet alles maar even neer. Als je je handen vrij hebt, dan zal het wel gaan .... Ja, hij hoorde, dat Roodkapje aan het touw trok, de klink ging naar boven en nu werd de deur langzaam opengeduwd. Daar stond Roodkapje. Ze had haar armen vol bloemen en ze had een fris rood kleurtje van het harde lopen. Aan de rechterarm hing de mand met de taart en de wijn.
Zo kwam het kleine meisje naar het bed toe .... Maar toen schrok ze toch wel. Want …. “Grootmoeder" zei Roodkapje, "Ja, mijn kind?" "Grootmoeder .... wat ziet U er vreemd uit." "Hoezo, mijn kind?" vroeg de wolf. "Wel, grootmoeder .... wat hebt U een lange neus !" "Ja, kind. dat is opdat ik beter ruiken kan en nu past mijn bril er ook beter op." "En grootmoeder .... wat hebt U een grote oren." "Ja, kind, dat is opdat ik beter kan luisteren naar jouw lieve stemmetje." Roodkapje zette het mandje op de grond, ze legde de bloemen op de tafel, maar intussen had ze geen oog van het bed af. "Grootmoeder ... wat hebt U een grote ogen," Ja, kind, dat is opdat ik je beter zal kunnen zien." Ja Grootmoeder .... maar ..., wat hebt U ook een grote mond." “Ja," riep de wolf. “Dat is opdat ik je beter zal kunnen opeten." Ja, nu schrok dat kleine Roodkapje wel heel erg, maar het hielp haar nu niet veel meer, dat ze schrok, want er was niets meer aan te doen. De boze wolf sprong uit het bed en met een hap verslond hij het arme kind. Met kleren en al had hij haar ingeslikt en daar zat Roodkapje nu bij haar grootmoeder en het was zo nauw en zo warm en zo donker, binnen in die wolf ....
Wat had de jager intussen gedaan? Och, hij was een vriendelijk man en toen hij zijn boodschap in het dorp verricht had, wandelde hij door het woud terug naar huis. Maar hij maakte, met opzet, een kleine omweg, want hij wilde nog even langs het huisje van de oude vrouw gaan, om te zien of ze nog iets nodig had en of hij haar nog helpen kon. Peinzend stapte hij voort en tegen het schemeruur kwam hij bij het huisje aan.. De wolf had weg willen gaan, maar hij kon niet. Hij was zo dik en rond, dat hij geen stap meer kon verzetten en bovendien werd hij erg slaperig van het vele eten. Daarom kroop hij in het bed van de oude grootmoeder en daar lag hij weldra te slapen. Hij wist niet, dat de jager langs zou komen, anders zou hij zich wel tien keer bedacht hebben. Maar nu lag hij daar en hij snorkte zo hard, dat de ruiten in het kleine huisje er van trilden. Dat hoorde de jager, die nu voor het huisje stond en die brave man dacht bij zichzelf: “Zulk snorken is ook niet gewoon. Zeker is de oude vrouw veel zieker geworden, Ik zal in elk geval naar binnen gaan en zien, of ik iets voor haar doen kan." De jager klopte dus op de deur, maar niemand gaf antwoord. Wel hield nu plotseling het snorken op en toen werd het heel stil in huis. “Grootmoeder," riep de jager, “doe eens open. Hoe is het met je?" Geen antwoord. “Grootmoeder ... hier is de jager …. doe eens open ..., ik kan er niet in." Er kwam weer geen antwoord en toen werd de jager heel ongerust en hij dacht dat er zeker iets met het oudje gebeurd moest zijn. Maar helaas wist hij niets van het touwtje en zo kon hij de klink niet van de deur krijgen en hij kon de deur ook niet opendoen. "Grootmoeder," riep hij nog eens, "doe toch open !" Weer kwam er geen antwoord, en nu ging de jager vastbesloten naar de deur toe en hij probeerde, die open te breken. Maar dat lukte ook niet, want grootvader had, jaren geleden, een stevig en hecht huis gebouwd en de deur was zo dik en zo sterk, dat de jager die onmogelijk in kon trappen.
Toen liep de jager om het huisje heen, hij klom op een vensterbank en hij keek door een ruit naar binnen. Hij bonsde luid op 't glas en intussen tuurde hij naar het bed. Ja, daar zag hij grootmoeder liggen. Hij kon alleen het puntje van haar slaapmuts zien en het scheen, dat ze sliep. Maar dan moest ze toch wel erg vast slapen, dacht de jager. Weer bonsde hij op de ruiten, maar grootmoeder, in het bed gaf geen antwoord. Daar stond de jager nu, hij wist niet, wat hij doen moest. Zou hij een ruit inslaan, om zo naar binnen te komen? Dan zou grootmoeder vannacht in de koude moeten liggen, want zo laat in de avond kon de glazenmaker uit het dorp niet meer komen. En toch vertrouwde de jager het niet en hij bleef boven op de vensterbank staan kijken …. Toen schoot het hem te binnen, dat hij Roodkapje onderweg nergens tegen gekomen was. Vreemd was dat. hij wist toch zeker, dat het kleine meisje een uur voor donker bij haar grootmoeder weg moest gaan. En hier was ze ook niet. De jager bleef staan en hij keek naar binnen ....
En de wolf? Nu, die lag in angst en vreze in het bed. Hij had den jager niet horen aankomen, maar hij was wakker geworden van het kloppen op de deur en toen had hij de stem van zijn groten vijand herkend. De wolf lag te rillen, want hij kende, den jager, hij wist, dat deze een moedig man was en hij was heel bang voor hem. Wat moest hij doen? Hij merkte al gauw, dat de jager niet binnen kon komen en dat stelde den bozen wolf een beetje gerust. Toch was hij bang, dat de jager een middel zou vinden, om binnen te komen en hij besloot, te vluchten. Dat zou nog niet zo gemakkelijk zijn, want hard lopen kon hij niet met zijn volle maag. Maar toch moest hij het proberen. Hij besloot, te wachten, tot hij niets meer hoorde en dan wilde hij vlug uit het bed springen, hij zou de deur snel opentrekken en meteen weglopen, het bos in. Een knappe jager, die hem dan nog vindt, dacht de wolf, want hij zag wel, dat het al bijna geheel donker was.
Zo lag de wolf daar te rillen en te beven, maar hij luisterde met gespitste oren, of hij nog iets hoorde. Nee ... hij hoorde nu toch niets meer. Zeker was de jager weggegaan, dacht de wolf. Voorzichtig lichtte hij keek even naar buiten. Toen zag hij buiten, vlak voor het venster, voor de ruit, den jager staan, die zijn neus tegen het glas drukte en naar binnen keek. Het was nu binnen in het huisje al zo donker, dat de jager niet veel meer kon onderscheiden, maar hij zag toch heel goed, dat grootmoeder het hoofd had opgeheven. Daarom begon hij weer te kloppen op de ruit en hij riep: "Grootmoeder ... wat doet U toch vreemd! Ik ben het toch! De jager! Laat mij toch binnen, grootmoeder. Ik wil U helpen, als U nog iets nodig hebt." De wolf was zo geschrokken, dat hij nog dieper onder de dekens kroop en nu kon de jager helemaal niets meer zien, want het was nu zo donker geworden, dat er, binnen in de kamer, niets meer te onderscheiden was.
Met een zucht sprong de jager van de vensterbank af. Hij wist niet, wat hij moest doen. Altijd waren de oude vrouw en hij goede vrienden geweest en hij begreep niet, waarom ze hem nu niet zou binnen laten. Besluiteloos dwaalde de jager wat om het huis en dat was het geluk van Roodkapje en haar grootmoeder. Want de wolf was intussen uit het bed geklommen. Hijgend ging hij naar de voordeur toe en die maakte hij open. En juist kwam hij naar buiten of de jager, die de deur open had horen gaan, was er al bij en hij zag den wolf. Nu begreep de slimme jager alles en voor de wolf wist, wat er met hem gebeurde, had de jager hem al zo'n tik op zijn hoofd gegeven, dat het dier bewusteloos neer viel. Meteen ging de jager naar binnen .... hij zocht overal, maar vond de oude vrouw niet en Roodkapje was ook nergens te vinden. Wel lagen de bloemen op de tafel en de wijn en de taart stonden nog onaangeroerd op de grond. Nu begreep de jager alles, hij wist nu ook, hoe het kwam, dat de wolf zo dik was en hij bedacht zich niet lang. Hij ging weer naar buiten en hij haalde zijn grote jagersmes te voorschijn. Heel voorzichtig ging hij nu aan 't werk, want hij moest oppassen, dat hij de oude vrouw en haar kleindochter niet raakte. Het lukte hem heel goed, om de buik van den bozen wolf open te maken en even later stapten Roodkapje en haar grootmoeder er uit. Ze waren springlevend, maar ze haalden eerst een paar keer diep adem, want ze hadden het toch zo benauwd gehad, in de maag van het ondier.
En om den wolf nu meteen voor altijd het eten af te leren, haalde de jager een heleboel grote stenen en die deed hij in de maag van het dier. Daarna naaide hij den wolf weer dicht en die heeft nooit meer honger gehad, want een volle maag had hij altijd. Langzaam liep de wolf weg en toen pas gingen de drie gelukkige mensen naar binnen, om een feest te vieren. Grootmoeder sneed de taart aan en de jager maakte de fles wijn open en ze zaten nog een hele tijd overgelukkig bij elkaar, omdat alles zo goed was afgelopen.
Die avond bracht de jager Roodkapje naar huis en dat was maar goed ook, want het was nu geheel donker geworden en dan moet een kind niet alleen gaan wandelen in een bos, waar wilde dieren zijn. Toen ze in het dorp aankwamen, vertelde Roodkapje aan iedereen, die het horen wilde, hoe de jager haar grootmoeder en haar gered had en de burgemeester kwam erbij en die zei: “Morgen zal er een groot feest zijn, ter ere van den slimmen en moedigen jager." En dat werd me een feest, want daar werd muziek gemaakt en gedanst en iedereen kon zoveel eten en drinken als hij wou en de jager kreeg een medaille op de borst gespeld en allen waren het er over eens, dat de jager een heel bijzonder man was.
Maar ... die avond ging de vader van Roodkapje naar het huisje in het bos en hij zei: “Grootmoeder .... nu moest je toch maar heus bij ons komen wonen. Je bent aan een groot gevaar ontsnapt en .... “Beste jongen," antwoordde grootmoeder, “het is deze keer goed met mij afgelopen en ik zal voortaan nog voorzichtiger zijn. Als Roodkapje ook maar voorzichtig is, dan zal er niets gebeuren, want de wolf komt nooit meer terug. Die heeft er nu wel genoeg van." “Ja, als je dat denkt ...", zei de vader. “Ja, dat denk ik. Maar je moet tegen Roodkapje zeggen, dat ze voortaan gehoorzamer moet zijn. Ze moet niet meer meer van de bosweg afgaan en niet meer met den wolf praten."
Toen de vader de volgende dag thuis kwam, kreeg Roodkapje heel wat te horen, want nu pas wisten haar ouders, hoe ongehoorzaam ze geweest was. En ze beloofde dan ook plechtig, dat ze voortaan precies zou doen, wat moeder haar zeide. Zo gebeurde 't, dat Roodkapje een paar maanden later weer door haar moeder het bos in werd gezonden, om een boodschap te gaan doen bij grootmoeder. Ditmaal was grootmoeder niet ziek, doch Roodkapje moest haar wat verse vruchten brengen, want die groeien niet in het bos. “Kind," zei Moeder, “denk er nu om, dat je niet van de bosweg afgaat, dat je geen bloemen plukt, en dat je niet met den wolf spreekt, als je hem ziet." “Nee, Moeder .... ik zal alles doen, wat U zegt." “Zo is het goed," zei Moeder en daar ging Roodkapje op weg. In het eerst keek het kleine meisje niet op en met om, maar toen ze dieper in het bos kwam keek ze toch wel naar de fraaie bloemen, die ver van de bosweg groeiden. Maar ze hield zich aan haar belofte en ze ging niet in het bos om ze te plukken. Ze liep maar steeds door, tot..., ja, daar bij een bocht van de weg, daar stond een wolf. Hij was niet zo groot, als de oude die Roodkapje had opgeslokt, maar groot was hij toch wel. Het kleine meisje schrok hevig, maar ze kon niets doen, want het zou haar immers niets helpen, om weg te lopen! De wolf was veel vlugger dan zij en hij zou haar zeker ingehaald hebben. “Goeienmiddag," zei de wolf vriendelijk. Roodkapje durfde niet helemaal te zwijgen en daarom zei ze, met een bevend stemmetje: “Goeienmiddag." “Kind .... waar ga je naar toe?" “Naar mijn grootmoeder." "Wat ga je daar doen?” "Ik ga haar wat verse vruchten brengen." "Dat is goed. Dan moet je haar ook wat mooie bloemen meebrengen. Ga maar met mij mee. Ik weet, hier in de buurt, de fraaiste bloemen te staan en die mag je allemaal plukken." "Nee," antwoordde Roodkapje. "Dat gaat niet." "Waarom niet, lieve kind?" "Dat mag ik niet van moeder. Moeder is bang, dat ik zal verdwalen." "Ik zal je wel weer op de rechte weg brengen." "Ik mag 't toch niet," antwoordde Roodkapje en toen liep ze door. Maar de wolf bleef naast haar lopen en hij deed, wat hij kon, om haar te overreden. Roodkapje liet hem praten en ze stapte stevig door. Toen hield de wolf eindelijk op met zijn praatjes en hij verdween in het bos, terzijde van de weg.
Toen Roodkapje bij haar grootmoeder was, zei ze: "Ik heb de wolf weer gezien. Hij wilde mij meelokken, het bos in, maar ik heb het niet gedaan." "Dat is verstandig van je," antwoordde de grootmoeder, "want op de open bosweg durft hij toch niets te doen." "Nee, dat durft hij niet, grootmoeder, maar ik ben toch wel een beetje bang." Het duurde niet lang, of daar werd op de deur geklopt en een vreemd stemmetje riep: "Grootmoeder .... doe open .... daar is Roodkapje .... ze brengt een taart mee en een fles wijn." Maar de grootmoeder lachte, ze deed de deur stevig op de grendel en ze liet den wolf praten, zoveel als hij wilde. Nu, dat was het boze dier niet naar den zin en hij bedacht een middel om Roodkapje te vangen. Dat was nu niet zo makkelijk en daarom klom hij zachtjes op het dak en daar verstopte hij zich, om af te wachten, tot Roodkapje zou weggaan. Maar de oude grootmoeder had goede oren en ze hoorde dat trippelen op het dak heel goed. Ze lachte zacht en toen zei ze: “Kind .... buiten voor de deur staat de grote meeltrog en die is helemaal leeg. Nu moet je iets voor mij doen en dat zal ik je zeggen. We zullen den wolf wel leren." “Ja, dat zullen we," zei Roodkapje. “Kind", zei de oude grootmoeder, “ik zal je zeggen wat je moet doen. Ik heb gisteren worsten gekookt en het worstwater staat nog in de keuken. Nu moet je met de emmer dat water uit de grote teil in de grote trog scheppen en dan zal je wat zien."
Roodkapje deed, wat haar gezegd werd. Ze vulde een emmer met het worstwater uit de grote teil en ze deed het water in de grote trog. Dat deed ze zeventien keer en toen was de grote teil leeg en de grote trog vol. “Zie zo, kind," zei grootmoeder, “kom nu maar binnen en ga met mij voor het raam •zitten, dan zal je wat zien.” “Wat dan grootmoeder?” “Je moet niet zoveel vragen. Wacht nu maar af.” En daar zaten grootmoeder en kleindochter samen voor het venster en ze wachtten op de dingen, die komen zouden.
Boven op het dak zat de boze wolf en hij rook iets heerlijks. Eerst wist hij niet, waar die fijne lucht vandaan kwam, maar eindelijk had hij dat in de gaten. Hij keek naar beneden en hij zag de trog. In de trog was water, dat kon de wolf ook wel zien. Maar hoe kon dat water zo heerlijk ruiken? Natuurlijk moesten daar worsten in zitten, dacht de wolf. Een heerlijke lucht drong in zijn neusgaten, en de wolf ging op het. uiterste randje van het dak staan om die te ruiken. Toen strekte hij ook nog zijn hals uit en op het lest maakte hij zijn hals zo lang, dat hij uitgleed, en van het dak afgleed. En het gebeurde precies, zoals de oude vrouw gedacht had ..., de wolf kon zich niet meer houden, hij spartelde door de lucht en hij kwam, met een geweldige plons in de trog terecht, waarvan het water hoog opspatte. De wolf spartelde nog even rond en hij deed zijn best om uit de trog te komen, maar dat lukte hem niet en hij verdronk jammerlijk.
O, wat moest de jager lachen, toen hij hoorde, wat voor list de oude grootmoeder had bedacht. Hij lachte zo hard, dat ze het in het dorp bijna konden horen. Hij viste den wolf aan de staart weer uit het water en hij liet hem drogen in de zon. Een paar dagen, later kwam de jager in het dorp en hij bracht de huid naar Roodkapje. Daarvan sneed haar moeder een prachtig jasje voor de winter en je kunt er zeker van zijn, dat ze er lief uitzag met haar mooie jasje aan en haar rode kapje op. Weer was er groot feest in het dorp, want nu was er alweer een wolf minder in de wereld, maar deze keer kreeg de jager geen medaille. Die medaille was voor de oude grootmoeder, die in een koets, bespannen met vier paarden over de bosweg naar het dorp werd gehaald. En de burgemeester hield een toespraak en zei: “Grootmoeder, U bent moedig, dat weten we, want U woont daar nu al zolang helemaal alleen in het bos en toch bent U niet bang. Slim bent U ook, anders zoudt U den wolf niet gevangen hebben. Maar U bent niet zo jong meer en daarom …. daarom moet U in het dorp komen wonen.” “Burgemeester," antwoordde de grootmoeder, "als ik moet, dan zal ik het doen, maar als ik mag, dan blijf ik in mijn oude huisje, in het bos. Daar ben ik gelukkig geweest met mijn man en daar wil ik blijven tot aan het einde van mijn dagen. Toen gaf de burgemeester de oude vrouw de medaille en hij zei: "Doe dan maar, wat ge het liefst wilt, want een mens zijn lust is een mens zijn leven." Het was die dag groot leest in het dorp en van alle kanten kwamen de mensen naar Roodkapje toe, om haar te vragen, hoe dat toch gegaan was met den wolf. En wel tien keer moest het meisje vertellen, hoe de wolf in de trog terecht was gekomen.
En dat was de geschiedenis van een meisje, dat eerst heel ongehoorzaam was maar later heel verstandig werd en tja ... als ze nog niet dood is, dan leeft ze zeker nog wel. Wij weten dat niet zo precies en we denken, dat ze nu ook wel een oude grootmoeder zal zijn, als ze nog leert, want deze geschiedenis is heel lang geleden gebeurd. Heel lang geleden ....

Onderwerp

ATU 0333 - Little Red Riding Hood    ATU 0333 - Little Red Riding Hood   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Beschrijving familie van Roodkapje. Als grootmoeder ziek is gaat Roodkapje met een mand eten naar haar toe, met de waarschuwing om niet van de grote weg af te gaan. Onderweg spreekt de wolf haar aan, Roodkapje vertelt waar ze naar toe gaat. De wolf verleidt Roodkapje bloemen te plukken verder het bos in. Hij gaat naar grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, grootmoeder doet open en wordt opgegeten, de wolf trekt kleren van grootmoeder aan en gaat in bed liggen. Roodkapje merkt de grote neus, ogen, oren en mond van de wolf op, waarop hij haar opeet. In zijn slaap snurkt hij zo luid dat een jager gaat kijken. Als de wolf de deur opent om te vluchten slaat de jager hem bewusteloos, begrijpt de toestand en snijdt hem open, waarna Roodkapje en grootmoeder tevoorschijn komen. De jager vult de buik van de wolf met stenen waarmee hij wegloopt. Op het feest krijgt de jager een medaille. Een volgende keer op weg naar grootmoeder wordt Roodkapje weer door een wolf aangesproken, maar laat hem praten en loopt door. Bij grootmoeder wordt aangeklopt, de wolf doet de stem van Roodkapje na. Grootmoeder doet niet open, ze hoort de wolf op het dak klimmen en verzint een list om van de wolf af te komen. Ze laat Roodkapje het worstwater in de meeltrog gieten, de wolf rekt zich uit om beter te kunnen ruiken, valt in het water en verdrinkt. De jager vilt de wolf, van de huid krijgt Roodkapje een jasje.

Bron

A.D. Hildebrand. Roodkapje. Naarden: Rutgers, [1943]
KB: KW BJ 52086
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.    Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

Commentaar

Naar Grimm
Ills Willem van Nieuwenhoven

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Naam Locatie in Tekst

Brink    Brink   

Datum Invoer

2019-02-20