Hoofdtekst
Op een dag bakte haar moeder een heerlijke koek. Ze smeerde er boter op. De koek rook erg lekker. Moeder deed de koek in een mandje en riep haar dochter. Ze zei tegen haar: "Ik heb gehoord dat je grootmoeder ziek is en te bed ligt. Ga naar haar toe en breng haar deze koek. En blijf een poosje bij haar." "Goed, moeder," antwoordde Roodkapje opgewekt. “Treuzel niet onderweg. Loop niet achter de vlinders aan en blijf goed op de weg, want als het avond wordt, zwerft er een wolf rond. Die wolf heeft een reuzenhonger en zoekt dan naar eten."
Roodkapje beloofde precies te doen wat moeder gezegd had. Ze ging vrolijk op weg, het mandje aan haar arm, het mutsje over haar mooie blonde haren. Maar toen ze nog maar net in het bos was, dacht het meisje alleen nog aan de dieren en de bloemen. Ze luisterde naar het zingen van de vogels. Toen kwam er een schrander eekhoorntje met een prachtige pluim op haar af. Het diertje vroeg: “Hallo, Roodkapje. Wat heb je daar in je mandje ?" “Een koek voor mijn grootmoeder," zei het meisje. "En ben je helemaal alleen in het bos ?" “Natuurlijk. Ik ben al groot," antwoordde ze trots. “Groot? Pas maar op voor de wolf..." Roodkapje ging weer verder en ze plukte hier en daar mooie bloemen voor haar grootmoeder. Intussen zag de eekhoorn de wolf aankomen. Hij waarschuwde het meisje: “Haast je wat, Roodkapje, ik heb de wolf gezien. Hij zal zo meteen hier zijn.” Maar het meisje deed net of ze de eekhoorn niet hoorde.
Intussen bedacht de wolf een plan. Hij dacht: "Wat een lekker hapje zal dat zijn! Ik mag haar niet laten schrikken.” Daarom vroeg hij met een zachte stem: “Wat doe je in het bos op dit uur, lief kind ?” Roodkapje herkende de wolf, maar zei zo kalm mogelijk: “Ik ga een koek brengen naar mijn grootmoeder. Want ze is ziek. Ik ga er gauw heen.” Zij was erg bang, maar ze wilde het niet laten merken. De wolf lachte vals. Hij zei: “Ik weet een kortere weg." En hij wees Roodkapje een heel leuk paadje. “Dank je wel, wolf,” zei het meisje. Ze vond de wolf toch eigenlijk wel aardig en helemaal niet zo slecht.
Maar na een poosje merkte ze dat de weg lang was en dat ze moe werd. Toen begreep ze dat de wolf haar bedrogen had! Ondertussen rende de wolf naar het huis van grootmoeder, zo snel als hij op zijn lange poten maar lopen kon. Toen hij bij het huisje aankwam, klopte hij op de houten deur. “Wie is daar?” vroeg grootmoeder. De wolf maakte zijn schorre stem heel zacht. “Roodkapje,” antwoordde hij. “Kom binnen, lief kind,” zei de oude vrouw. De wolf ging snel het huis in en at de oude vrouw op. Hij pakte haar kleren, trok ze aan en gleed onder de dekens.
Een poosje later hoorde hij iemand bij het huisje komen. “Daar komt ze,” mompelde hij zachtjes. Hij dacht aan het heerlijke hapje en likte zijn grote lippen af. Roodkapje, die van niets wist, dacht aan de bosbessenjam die grootmoeder altijd gaf als er iemand op visite kwam. Ze zou zeggen: “Mijn lieve kind, wat heb je meegebracht? Ik zal wat thee voor je maken. En daar doen we lekkere geitemelk bij. We eten de koek natuurlijk samen op. En raad eens wat ik voor je bewaard heb om je te verrassen ? Bosbessenjam. Die heb ik voor jou gemaakt. Alleen maar voor jou, mijn kleine lieverd.” En toen het meisje daaraan dacht, liep het water haar in de mond.
“Grootmoeder zal wel slapen,” zei ze, toen ze zag dat de gordijnen dicht waren. Ze ging op haar tenen naar binnen. Omdat het erg donker in het kamertje was, herkende ze de wolf niet en zei: “Grootmoeder, wat hebt u grote ogen !” “Dat is om je beter te kunnen zien,” zei de wolf. “En wat hebt u grote oren!” zei Roodkapje weer. “Daarmee kan ik je beter horen,” antwoordde de wolf. “Maar uw handen zijn veel te groot,” zei Roodkapje geschrokken. “Daarmee kan ik je beter omhelzen.” “O, die mond! Die maakt me bang,” zei het meisje bibberend. “Dat is om je beter te kunnen opeten !” riep de wolf. Hij sprong van het bed en verslond Roodkapje in één hap.
De eekhoorn die Roodkapje een poosje eerder had gewaarschuwd, zag alles wat er gebeurde. Hij rende het bos in om hulp te zoeken. En gelukkig zag hij net een vriendelijke jager thuiskomen. De jager had een geweer over zijn schouder. Het eekhoorntje sprong op de handen van de jager, trok hem aan zijn baard en maakte rare geluiden. Hij bedoelde daarmee dat de jager hem moest volgen naar het huis van de grootmoeder van Roodkapje. De jager vond de grollen van de eekhoorn wel leuk. Maar hij begreep dat er iets ongewoons aan de hand was. En hij ging snel naar huisje van grootmoeder. Hij rende naar binnen en zag de wolf. Snel schouderde hij zijn geweer en doodde het ondier. Pang!
Toen hoorde hij Roodkapje en haar grootmoeder roepen: “We zitten in de buik van de wolf. Maak hem vlug open. We stikken hier!” De jager bevrijdde Roodkapje en haar grootmoeder. Dolgelukkig bedankten de twee de jager en ze wensten de lieve eekhoorn veel geluk. Zo liep alles nog goed af.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Bron
KB: VD 940 6-1
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Belinda   
