Hoofdtekst
Er was eens een aardig meisje. En dat aardige meisje heette Roodkapje. Eigenlijk heette zij anders. Maar alle menschen, zelfs haar eigen moeder, noemden haar zoo, omdat zij altoos een mooi, rood kapje op hare krullende lokken droeg. Dat mooie, roode kapje had zij van hare Grootmoeder gekregen, die aan de andere zijde van het bosch woonde. Want Roodkapje woonde met hare moeder dicht bij een heel groot bosch. Daar liep zij wel vaak door, want zij mocht graag naar Grootmoeder gaan.
Eens was Grootmoeder ziek. Toen deed Moeder lekkere koeken en een flesch wijn in een mandje. En zij zei tegen Roodkapje: "Breng dat nu mooi even naar Grootmoe. Maar loop in 't bosch niet buiten het pad, want daar is een wolf en die zou je kwaad kunnen doen!"
Roodkapje beloofde, dat zij goed zou oppassen en ging weg. 't Was zoo mooi in 't bosch, de bloempjes bloeiden en de vogels zongen en Roodkapje zong mee. Onverwacht stond er een groot dier naast haar op den weg. Zij schrikte niet, want zij meende, dat het een hond was. En voor honden was ze niet bang. Maar 't was de wolf. Heel vriendelijk vroeg de booze wolf, waar ze naar toe ging. "Ik ga naar Grootmoe," zei Roodkapje, "Grootmoe is ziek; ik breng haar koeken en een flesch wijn." "Daar zal ze blij mee wezen", zei de wolf. "Maar hoe kom je in huis, als Grootmoe ziek is?" "Grootmoe kan wel hooren dat ik er ben", zei Roodkapje. "Dat is ook zoo", zei de wolf. "Maar zou je Grootmoe niet wat bloemen ook mee nemen? Kijk, daar staan heele mooie!" Hij wees haar verder in 't bosch een plekje, waar mooie bloemen bloeiden. "Dat doe ik", zei Roodkapje. "Dag!" zei de wolf, en liep weg. Roodkapje ging bloemen plukken en dwaalde een heelen tijd in 't bosch rond. De bijtjes gonsden haar om de ooren, alsof ze met de vogels en vlinders en bloemen wilden zeggen: "Wat is het hier toch mooi!' Het meisje luisterde er naar, sprong van de eene bloem naar de andere; zocht de vogeltjes tusschen de boomtakken en trachtte de bonte vlinders te vangen. Zoo raakte zij al verder van haar pad, al dieper het bosch in, totdat zij eindelijk vol schrik er aan dacht, hoe ongehoorzaam zij was en dat zij al lang bij Grootmoeder had kunnen wezen, als ze maar doorgeloopen was. Haastig pakte zij hare bloemen bijeen en zocht den verlaten weg weer op.
En de wolf? Die liep stilletjes naar Grootmoeders huisje en klopte aan de deur. "Wie is daar?" riep Grootmoe. "Ik ben het, Roodkapje!" Grootmoeder strompelde naar de deur en deed die open. Maar toen sprong de wolf naar binnen, greep de oude vrouw aan en verslond haar. Hij deed de deur weer toe, en kroop in Grootmoeders bed. Daar trok hij hare muts over 't hoofd en kroop weg achter de gordijnen. Zoo lag hij een heele poos stil te wachten. Dat verveelde hem geducht. Maar in 't bosch had hij den jager gezien, en daarom had hij Roodkapje daar geen kwaad durven doen. En hij had zoo'n trek om haar te verslinden!
Eindelijk werd aan de deur geklopt, en Roodkapje riep met haar heldere stemmetje: "Doe open, Grootmoe, ik ben er, Roodkapje!" De wolf riep van het bed: "Kom er maar in, lieve! de deur is los!" Roodkapje kwam binnen en ging naar het bed, waar zij meende, dat Grootmoeder lag. Wat schrikte zij! En zij riep: "Maar Grootmoeder, wat ziet ge er uit!" "Och ja," klaagde de wolf, en hij deed net alsof hij werkelijk Grootmoeder was, "ik zal er wel heel slecht uitzien, want ik heb alle dagen erg de koorts. En daar wordt een oude vrouw als ik ben, heel gauw leelijk van. Dat kan mij niet zooveel schelen, als jij maar niet bang voor mij bent, mijn lieve kind." Al huiverde Roodkapje wel een beetje, zij kreeg nu toch ook groot medelijden met die arme zieke Grootmoeder, en nam plaats dicht voor haar bed. De wolf paste wel op, dat het meisje hem niet al te duidelijk zien kon. Maar hij kon er niets aan doen, dat zij toch zijne groote oogen zag schitteren.
En angstig zeide zij: "Och, Grootmoe, wat hebt gij toch groote oogen!" - "Daar kan ik je des te beter mee zien!" zei de wolf en draaide zich wat om. Toen zag Roodkapje zijne groote ooren, en zij vroeg weer: "Och Grootmoe, wat hebt gij toch groote, ruige ooren!" - "Daar kan ik jou stem des te beter mee hooren!" bromde de wolf. En draaide hij zich om, nu naar het arme meisje toe. Daarbij gleed het laken van zijne pooten, en zij zag ook zijne glinsterende scherpe witte tanden. - "Och Grootmoe!" stamelde zij, "wat hebt ge zonderlinge handen met scherpe nagels en wat hebt gij toch groote spitse tanden!" - "Ja!" riep de wolf, "daar kan ik je beter mee vasthouden en opeten!" En voor dat zij weer wat zeggen kon, sprong de booze wolf het bed uit en greep haar aan.
Nu begreep Roodkapje wel, wie hij zijn moest. Doch het was te laat. In een oogenblik had de wolf het arme kind opgeslokt net als hare grootmoeder. En omdat het hem te gevaarlijk leek, het bosch in te gaan, waar de jager nog wel zou zijn, kroop de wolf weer te bed. Het duurde maar kort, of hij lag te slapen. Wat waren Grootmoeder en Roodkapje benauwd in de maag van den leelijken wolf! Ze durfden zich niet te verroeren!
In het bosch liep de jager rond. Hij zocht naar den wolf, om dien te dooden. Want reeds langen tijd hadden de menschen uit de buurt hem hun nood geklaagd, dat de wolf hun lammeren en schapen kwam afstelen. En omdat hij ook dit aardige kind, de kleine Roodkapje, in het bosch gezien had, zocht hij nog ijveriges naar het spoor van den gevreesden roover. Doch reeds den heelen middag had hij gezocht en nergens iets gevonden, zoodat hij dacht, dat de wolf misschien wel naar een andere streek zou zijn verhuisd. Toen hij aan een smal zijpad kwam, bleef zijn hond staan. Die had het spoor van den wolf gevonden en liep nu recht op Grootmoeders huisje aan. De jager bedacht zich niet lang; hij deed de deur open en ging binnen. Daar zag hij den slapenden wolf op Grootmoeders bed liggen. Hij begreep nu wel, wat er gebeurd moest zijn. Inplaats van nu den wolf dood te schieten, nam hij zijn scherp jagersmes en sneed in eens het booze dier den buik open. Wat spartelde de wolf! Maar de sterke hond greep het dier bij de keel en gauwer dan men 't vertellen kan, had de jager zijn werk gedaan. Grootmoeder en Roodkapje stonden gezond en wel naast elkander op den grond. Hoe dankbaar waren zij den jager, die hen gered had! Deze sleepte den wolf naar buiten en trok hem het vel af, waarvan hij zich later tot herinnering een aardige vloermat liet maken.
Toen moest hij mee drinken van den heerlijken wijn en mee eten van de lekkere koeken. Ook de hond kreeg zijn welverdiende deel. En toen het heele mandje leeg gegeten was, ging Roodkapje weer naar huis terug. Grootmoeder was van schrik weer helemaal beter geworden.
En al wist zij nu, dat de wolf goed en wel dood was, toch durfde zij haast Roodkapje niet weer door het bosch laten gaan. Daar lachte de jager wat om. "Laat mij daar maar voor zorgen," zei hij. Toen was Grootmoeder gerust. En de vriendelijke jager bracht Roodkapje tot dicht bij huis. En toen het kind moeder alles vertelde, wat zij dien dag ondervonden had, toen kreeg zij de tranen in de oogen en beloofde, nooit, nooit weer ongehoorzaam te zijn en altoos precies zóó te doen, als Moeder 's wilde hebben.
Eens was Grootmoeder ziek. Toen deed Moeder lekkere koeken en een flesch wijn in een mandje. En zij zei tegen Roodkapje: "Breng dat nu mooi even naar Grootmoe. Maar loop in 't bosch niet buiten het pad, want daar is een wolf en die zou je kwaad kunnen doen!"
Roodkapje beloofde, dat zij goed zou oppassen en ging weg. 't Was zoo mooi in 't bosch, de bloempjes bloeiden en de vogels zongen en Roodkapje zong mee. Onverwacht stond er een groot dier naast haar op den weg. Zij schrikte niet, want zij meende, dat het een hond was. En voor honden was ze niet bang. Maar 't was de wolf. Heel vriendelijk vroeg de booze wolf, waar ze naar toe ging. "Ik ga naar Grootmoe," zei Roodkapje, "Grootmoe is ziek; ik breng haar koeken en een flesch wijn." "Daar zal ze blij mee wezen", zei de wolf. "Maar hoe kom je in huis, als Grootmoe ziek is?" "Grootmoe kan wel hooren dat ik er ben", zei Roodkapje. "Dat is ook zoo", zei de wolf. "Maar zou je Grootmoe niet wat bloemen ook mee nemen? Kijk, daar staan heele mooie!" Hij wees haar verder in 't bosch een plekje, waar mooie bloemen bloeiden. "Dat doe ik", zei Roodkapje. "Dag!" zei de wolf, en liep weg. Roodkapje ging bloemen plukken en dwaalde een heelen tijd in 't bosch rond. De bijtjes gonsden haar om de ooren, alsof ze met de vogels en vlinders en bloemen wilden zeggen: "Wat is het hier toch mooi!' Het meisje luisterde er naar, sprong van de eene bloem naar de andere; zocht de vogeltjes tusschen de boomtakken en trachtte de bonte vlinders te vangen. Zoo raakte zij al verder van haar pad, al dieper het bosch in, totdat zij eindelijk vol schrik er aan dacht, hoe ongehoorzaam zij was en dat zij al lang bij Grootmoeder had kunnen wezen, als ze maar doorgeloopen was. Haastig pakte zij hare bloemen bijeen en zocht den verlaten weg weer op.
En de wolf? Die liep stilletjes naar Grootmoeders huisje en klopte aan de deur. "Wie is daar?" riep Grootmoe. "Ik ben het, Roodkapje!" Grootmoeder strompelde naar de deur en deed die open. Maar toen sprong de wolf naar binnen, greep de oude vrouw aan en verslond haar. Hij deed de deur weer toe, en kroop in Grootmoeders bed. Daar trok hij hare muts over 't hoofd en kroop weg achter de gordijnen. Zoo lag hij een heele poos stil te wachten. Dat verveelde hem geducht. Maar in 't bosch had hij den jager gezien, en daarom had hij Roodkapje daar geen kwaad durven doen. En hij had zoo'n trek om haar te verslinden!
Eindelijk werd aan de deur geklopt, en Roodkapje riep met haar heldere stemmetje: "Doe open, Grootmoe, ik ben er, Roodkapje!" De wolf riep van het bed: "Kom er maar in, lieve! de deur is los!" Roodkapje kwam binnen en ging naar het bed, waar zij meende, dat Grootmoeder lag. Wat schrikte zij! En zij riep: "Maar Grootmoeder, wat ziet ge er uit!" "Och ja," klaagde de wolf, en hij deed net alsof hij werkelijk Grootmoeder was, "ik zal er wel heel slecht uitzien, want ik heb alle dagen erg de koorts. En daar wordt een oude vrouw als ik ben, heel gauw leelijk van. Dat kan mij niet zooveel schelen, als jij maar niet bang voor mij bent, mijn lieve kind." Al huiverde Roodkapje wel een beetje, zij kreeg nu toch ook groot medelijden met die arme zieke Grootmoeder, en nam plaats dicht voor haar bed. De wolf paste wel op, dat het meisje hem niet al te duidelijk zien kon. Maar hij kon er niets aan doen, dat zij toch zijne groote oogen zag schitteren.
En angstig zeide zij: "Och, Grootmoe, wat hebt gij toch groote oogen!" - "Daar kan ik je des te beter mee zien!" zei de wolf en draaide zich wat om. Toen zag Roodkapje zijne groote ooren, en zij vroeg weer: "Och Grootmoe, wat hebt gij toch groote, ruige ooren!" - "Daar kan ik jou stem des te beter mee hooren!" bromde de wolf. En draaide hij zich om, nu naar het arme meisje toe. Daarbij gleed het laken van zijne pooten, en zij zag ook zijne glinsterende scherpe witte tanden. - "Och Grootmoe!" stamelde zij, "wat hebt ge zonderlinge handen met scherpe nagels en wat hebt gij toch groote spitse tanden!" - "Ja!" riep de wolf, "daar kan ik je beter mee vasthouden en opeten!" En voor dat zij weer wat zeggen kon, sprong de booze wolf het bed uit en greep haar aan.
Nu begreep Roodkapje wel, wie hij zijn moest. Doch het was te laat. In een oogenblik had de wolf het arme kind opgeslokt net als hare grootmoeder. En omdat het hem te gevaarlijk leek, het bosch in te gaan, waar de jager nog wel zou zijn, kroop de wolf weer te bed. Het duurde maar kort, of hij lag te slapen. Wat waren Grootmoeder en Roodkapje benauwd in de maag van den leelijken wolf! Ze durfden zich niet te verroeren!
In het bosch liep de jager rond. Hij zocht naar den wolf, om dien te dooden. Want reeds langen tijd hadden de menschen uit de buurt hem hun nood geklaagd, dat de wolf hun lammeren en schapen kwam afstelen. En omdat hij ook dit aardige kind, de kleine Roodkapje, in het bosch gezien had, zocht hij nog ijveriges naar het spoor van den gevreesden roover. Doch reeds den heelen middag had hij gezocht en nergens iets gevonden, zoodat hij dacht, dat de wolf misschien wel naar een andere streek zou zijn verhuisd. Toen hij aan een smal zijpad kwam, bleef zijn hond staan. Die had het spoor van den wolf gevonden en liep nu recht op Grootmoeders huisje aan. De jager bedacht zich niet lang; hij deed de deur open en ging binnen. Daar zag hij den slapenden wolf op Grootmoeders bed liggen. Hij begreep nu wel, wat er gebeurd moest zijn. Inplaats van nu den wolf dood te schieten, nam hij zijn scherp jagersmes en sneed in eens het booze dier den buik open. Wat spartelde de wolf! Maar de sterke hond greep het dier bij de keel en gauwer dan men 't vertellen kan, had de jager zijn werk gedaan. Grootmoeder en Roodkapje stonden gezond en wel naast elkander op den grond. Hoe dankbaar waren zij den jager, die hen gered had! Deze sleepte den wolf naar buiten en trok hem het vel af, waarvan hij zich later tot herinnering een aardige vloermat liet maken.
Toen moest hij mee drinken van den heerlijken wijn en mee eten van de lekkere koeken. Ook de hond kreeg zijn welverdiende deel. En toen het heele mandje leeg gegeten was, ging Roodkapje weer naar huis terug. Grootmoeder was van schrik weer helemaal beter geworden.
En al wist zij nu, dat de wolf goed en wel dood was, toch durfde zij haast Roodkapje niet weer door het bosch laten gaan. Daar lachte de jager wat om. "Laat mij daar maar voor zorgen," zei hij. Toen was Grootmoeder gerust. En de vriendelijke jager bracht Roodkapje tot dicht bij huis. En toen het kind moeder alles vertelde, wat zij dien dag ondervonden had, toen kreeg zij de tranen in de oogen en beloofde, nooit, nooit weer ongehoorzaam te zijn en altoos precies zóó te doen, als Moeder 's wilde hebben.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Onderweg naar grootmoeder ontmoet Roodkapje de wolf, vertelt dat ze naar grootmoeder gaat en waar ze woont. Roodkapje laat zich door de wolf verleiden om bloemen te plukken, en dwaalt, tegen de belofte om niet van het pad te gaan, door het bos. De wolf is naar grootmoeders gegaan, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, grootmoeder doet de deur open, waarop de wolf haar opeet, haar muts opzet en in bed gaat liggen. Als Roodkapje aanklopt doet hij de stem van grootmoeder na, na binnenkomst schrikt zij van grootmoeder, zegt dat ze grote ogen, oren en tanden, vreemde handen heeft, waarop de wolf haar opeet. Hij valt in slaap, de jager is naar hem op zoek, hond vindt spoor van wolf dat naar grootmoeders huis gaat, jager ziet slapende wolf, begrijpt wat er is gebeurd. De jager snijdt de buik van de wolf open, waar grootmoeder en Roodkapje uit komen, en ontdoet de wolf van zijn vel. Roodkapje belooft moeder nooit weer ongehoorzaam te zijn.
Bron
Roodkapje. [Amsterdam]: [Van Amerongen], [192-?]
KB: KW BJ Z1842
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: KW BJ Z1842
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Naar Charles Perrault
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Datum Invoer
2019-02-28
