Onderwerp
ATU 0041 - The Wolf Overeats in the Cellar.   
Tekst
Een vos overtuigt een wolf om mee te gaan inbreken in een kelder om eten te stelen. Terwijl ze eten, controleert de vos voortdurend of hij nog door de nauwe uitgang past. De wolf eet echter zoveel dat hij niet weg kan op het moment dat er iemand aankomt. Hij wordt gevangen en (dood)geslagen.
In vroege varianten van dit verhaal (ATU 0041, ‘The wolf overeats in the cellar’) is de veelvraat vaak een vos, die zich door eigen schuld klemvreet in een voorraadkelder. Ook bestaan er varianten waarin de vos net doet alsof hij dood is, omdat hij te dik is om de kelder nog uit te komen zonder hulp. Zo brengen de mensen hem naar buiten. De gulzigaard kan ook een kat, muis of egel zijn en degene die hem mee de kelder in neemt is soms een bunzing. De locatie kan uiteenlopen van een voorraadschuur tot een stal of keuken.
In de eerste eeuw voor Christus gebruikte Horatius de fabel over de jonge vos die in een graanschuur was gekropen. Nadat hij zich had volgepropt, probeerde hij weer naar buiten te gaan, maar dat lukte niet door zijn opgezwollen lijf. Een wezel, die op een afstandje stond toe te kijken, riep hem toe: ‘Als je uit die schuur wilt ontsnappen, dan is er maar één manier om dat te doen! Je moet net zo mager worden als dat je was, toen je door de opening naar binnen kroop.’ (Schwarzbaum 1979, p. 210) Varianten op dit verhaal vinden we ook bij rabbi Jozua Ben Chananjah (1e eeuw n.Chr.), in Babrios’ Aesopische fabels (2e eeuw), en in de Historia Francorum van Gregorius van Tours (6e eeuw). In de twaalfde eeuw is het verhaal opgetekend door Jacques de Vitry (ca. 1165-1240) in zijn Sermones vulgares en door rabbi Berechiah, die ermee het lot van mensen wilde illustreren, die andermans bezit op onrechtvaardige wijze verwerven. Uiteindelijk zullen ze alles verliezen en hun gestolen rijkdom ‘uitkotsen’.
De Roman de Renart, geschreven rond 1178, bevatte een scène van vergelijkbare strekking. Tussen 1180 en 1279 verscheen het verhaal in het Middelnederlands als Vanden vos Reinaerde, ook bekend als Reinaert I, en kreeg het een belangrijke invloed op de overlevering van het verhaal. Het primair beoogde publiek van de Reinaert I moeten we volgens Frits van Oostrom zoeken in de adel. (Van Oostrom 1983, 12-16) Het is een dierenroman, verstrooiend en komisch bedoeld, die maatschappijkritiek ventileert langs indirecte weg. Reinaerts tegenstanders, Nobel en zijn vrouw, Isengrijn, Bruun, de hele hofkliek wordt onbarmhartig te kijk gezet. Maar zij zijn dieren die op mensen lijken en geen echte mensen. Dat zien we ook in de scène met Reinaert in de voorraadschuur. Reinaert neemt hierin de wolf Isegrim mee naar de schuur van een rijke pastoor, waarin een grote voorraad spek ligt. De vos heeft een gat in de muur gemaakt en laat Isegrim erin. De wolf eet zich zo vol dat hij niet meer naar buiten kan. Reinaert gaat snel naar het dorp, maakt er flink stampei en steelt een kip voor de neus van de pastoor weg. De pastoor moedigt de mensen aan om de vos te grazen te nemen. Reinaert leidt hen dan naar Isegrim, zodat die flink wat slagen van de mensen te verduren krijgt. Uiteindelijk slepen de dorpelingen hem naar een greppel, waarin hij een nacht lang voor dood blijft liggen.
In de eeuwen na het ontstaan van het werk is Reinaert afwisselend als held en schurk neergezet. De auteur van de Reinaert I identificeert zich met de vos. (Van Oostrom 1983, 18) Al tijdens de hoogtijdagen van zijn werk was echter ook een andere visie gangbaar. Deze vinden we ruim honderd jaar later terug in het uiterst negatieve oordeel van Dirc Potter over Reinaert, die hij beschouwt als een infame intrigant voor wie lieghen, drieghen al sijn lijff is. Potter staat in dit oordeel allesbehalve alleen. Zijn tijdgenoot Willem van Hildegaersberch bijvoorbeeld, net als Potter deel uitmakend van de literaire kring rond het Hollandse hof, ziet Reinaert al even negatief. Beide heren beschouwen de vos als het prototype van de scalc, de valse vleier aan het hof. Dat is ook de Reinaertvisie van hun ambt- en tijdgenoot, de auteur van Reinaert II in 1479. Ook hij fulmineert voortdurend tegen de verderfelijke invloed van de scalken aan de vorstenhoven van zijn tijd – en zijn Reinaert laat zien hoe Nobels koningshof door de vos, de opperschalk, naar de afgrond wordt geleid.
In haar proefschrift rekent Anda Schippers het verhaal van de vos in de kelder tot de fabels. (Schippers 1995, 13) Fabels vormen een complex genre vanwege het karakter van de fabelpersonages en de verhouding tussen fantasie en werkelijkheid. De dieren in de verhalen denken weliswaar na, analyseren hun situatie en produceren oplossingen, maar zij doen dit allemaal binnen de beperkingen van hun dier-zijn. Ook de lering van de fabel is niet gebaseerd op het idee dat het dier in feite een mens is, maar op de analogie tussen de situatie waarin het dier zich bevindt en waarin de mens zich kan bevinden. Daarbij wordt handig gebruik gemaakt van de eigenschappen die mensen in de werkelijkheid aan dieren toeschrijven. Ook de verhouding tussen taal en werkelijkheid is niet eenduidig in fabels. Ze zijn vaak een mengsel van beschrijving van de alledaagse wereld en een fantasiewereld. Vaak is het juist die combinatie die het de lezer mogelijk maakt de fabel met zijn of haar eigen leven en ervaring te vergelijken. Bovendien verwijzen fabels niet alleen naar de actualiteit van het leven, maar ook naar een grote hoeveelheid andere klassieke en middeleeuwse teksten en verhalen. Ze maken deel uit van een uitgebreid intertekstueel netwerk.
Het verhaal in Schippers’ proefschrift komt uit de collectie Parabelen van Cyrillus, die aan het einde van de veertiende eeuw is ontstaan in of nabij Zuid-Duitsland. Een magere vos komt hierin door een smal gat een kelder binnen waar volop voedsel is. Een wezel, die al in de kelder is, raadt de vos aan om eerst een grotere uitgang te maken alvorens zich vet te eten en waarschuwt de vos voor de gevolgen van vraatzucht voor de ziel. De vos neemt dit ter harte en gaat een stuk wijzer uit de kelder vandaan. (Lelij 1930, 95) Verhaaltjes als dit vallen volgens de schrijver alleen in de smaak, als ze over de zeden van de mens gaan. Daarbij dient de natuurlijk wereld als rijke bron, maar het onderwerp van de exempelen is de mens uiteindelijk zelf. De fabels in de Cyrillusbundel hebben echter niet zozeer belering ten doel als wel het vergaren van kennis, die het zelfinzicht vergroot en zo een deugdzamer leven met uitzicht op de hemel teweegbrengt.
De auteur van de Cyrillus put uit wijsheid die al beproefd is, afkomstig uit werken van verscheidene aard, zoals bestiaria, filosofische en theologische teksten en de bijbel. De fabel heeft eigenschappen die de lezer helpen bij het begrijpen, leren, waarderen en onthouden van de lering die in de fabel besloten ligt. Vanwege deze eigenschappen schaart Frederic Tubach het verhaal van de wolf in de kelder in zijn Index exemplorum uit 1969 onder de religieuze verhalen ter verduidelijking van de preek. (Tubach 1969, 314) Dit literaire genre van de exempelen is belangrijk geweest voor de Europese orale traditie. Ook in de tweede helft van de zeventiende eeuw vervulde het verhaal nog steeds een vermanende functie in de Fables choisies, mises en vers par M. de La Fontaine. Onder de titel ‘De wezel in de schuur’ vertelde hij hoe een sterk vermagerde wezel zich weer gezond en dik at in een voorraadschuur. Toen zij echter naar buiten wilde gaan, paste ze niet meer door de opening. Een oude rat gaf haar daarop de raad, om te wachten tot ze weer net zo mager was als toen ze naar binnen kwam.
De gebroeders Grimm tekenden in de negentiende eeuw ook een versie van het verhaal op. (GRIMM073 – Der Wolf und der Fuchs) Het gaat over een wolf, die een vos telkens dwingt om eten voor hem te regelen. De vos moet hieraan gehoor geven, want hij is de zwakste, maar hij zou graag van de wolf verlost zijn. Nadat hij de wolf naar lammetjes en pannenkoeken heeft gebracht, bedenkt hij de derde dag een ander plan. Hij brengt de wolf naar een vat vol vlees in een kelder met een nauwe opening. De gulzigheid van de wolf stelt niet teleur, maar de vos past wel op dat hij nog door de uitgang past. Als de boer aan komt lopen, is de vos met één sprong verdwenen. De wolf blijft steken in de opening en wordt doodgeslagen. De vos rent het bos in, blij om van die schrokop verlost te zijn.
Jurjen van der Kooi nam het verhaal op in zijn typencatalogus van de lectuur en mondelinge overlevering van volksverhalen in Friesland uit 1984. In de jaren 1960 en ‘70 tekenden de heren Poppema, Wijbenga, Veltman, Tiemersma en De Jong het verhaal in Friesland op. In Wijbenga’s versie was de gulzigaard een beer, terwijl het verhaal dat De Jong opschreef zich onderscheidt door een slagerij als locatie. (Van der Kooi 1984, 287) Ook in de collectie van Jaarsma vinden we het verhaal. De vos moet hierin zo hard lachen als de wolf blijft steken in de uitgang, dat de boer wakker wordt en de wolf doodslaat. (CJ011907 – De wolf en de vos) Ook in recente jaren is het verhaal nog gebruikt, zoals in de serie Mini adventures of Winnie the Pooh uit 2011, waarin Winnie het hol van Konijn niet meer kan verlaten na het leegeten van teveel potten honing. Hij blijft steken in de uitgang en wordt met vereende krachten van vele personages uiteindelijk bevrijd. Het verspreidingsgebied van het verhaal van de wolf in de kelder is hoofdzakelijk Midden- en West-Europa, maar het is in heel Europa terug te vinden. Daarnaast bestaan er varianten in Centraal-Azië, het Midden-Oosten, Zuidoost-Azië, Hawaii, Latijns-Amerika, Noord-Afrika, Afrika ten zuiden van de Sahara en in de Joodse en zigeunertraditie.
In vroege varianten van dit verhaal (ATU 0041, ‘The wolf overeats in the cellar’) is de veelvraat vaak een vos, die zich door eigen schuld klemvreet in een voorraadkelder. Ook bestaan er varianten waarin de vos net doet alsof hij dood is, omdat hij te dik is om de kelder nog uit te komen zonder hulp. Zo brengen de mensen hem naar buiten. De gulzigaard kan ook een kat, muis of egel zijn en degene die hem mee de kelder in neemt is soms een bunzing. De locatie kan uiteenlopen van een voorraadschuur tot een stal of keuken.
In de eerste eeuw voor Christus gebruikte Horatius de fabel over de jonge vos die in een graanschuur was gekropen. Nadat hij zich had volgepropt, probeerde hij weer naar buiten te gaan, maar dat lukte niet door zijn opgezwollen lijf. Een wezel, die op een afstandje stond toe te kijken, riep hem toe: ‘Als je uit die schuur wilt ontsnappen, dan is er maar één manier om dat te doen! Je moet net zo mager worden als dat je was, toen je door de opening naar binnen kroop.’ (Schwarzbaum 1979, p. 210) Varianten op dit verhaal vinden we ook bij rabbi Jozua Ben Chananjah (1e eeuw n.Chr.), in Babrios’ Aesopische fabels (2e eeuw), en in de Historia Francorum van Gregorius van Tours (6e eeuw). In de twaalfde eeuw is het verhaal opgetekend door Jacques de Vitry (ca. 1165-1240) in zijn Sermones vulgares en door rabbi Berechiah, die ermee het lot van mensen wilde illustreren, die andermans bezit op onrechtvaardige wijze verwerven. Uiteindelijk zullen ze alles verliezen en hun gestolen rijkdom ‘uitkotsen’.
De Roman de Renart, geschreven rond 1178, bevatte een scène van vergelijkbare strekking. Tussen 1180 en 1279 verscheen het verhaal in het Middelnederlands als Vanden vos Reinaerde, ook bekend als Reinaert I, en kreeg het een belangrijke invloed op de overlevering van het verhaal. Het primair beoogde publiek van de Reinaert I moeten we volgens Frits van Oostrom zoeken in de adel. (Van Oostrom 1983, 12-16) Het is een dierenroman, verstrooiend en komisch bedoeld, die maatschappijkritiek ventileert langs indirecte weg. Reinaerts tegenstanders, Nobel en zijn vrouw, Isengrijn, Bruun, de hele hofkliek wordt onbarmhartig te kijk gezet. Maar zij zijn dieren die op mensen lijken en geen echte mensen. Dat zien we ook in de scène met Reinaert in de voorraadschuur. Reinaert neemt hierin de wolf Isegrim mee naar de schuur van een rijke pastoor, waarin een grote voorraad spek ligt. De vos heeft een gat in de muur gemaakt en laat Isegrim erin. De wolf eet zich zo vol dat hij niet meer naar buiten kan. Reinaert gaat snel naar het dorp, maakt er flink stampei en steelt een kip voor de neus van de pastoor weg. De pastoor moedigt de mensen aan om de vos te grazen te nemen. Reinaert leidt hen dan naar Isegrim, zodat die flink wat slagen van de mensen te verduren krijgt. Uiteindelijk slepen de dorpelingen hem naar een greppel, waarin hij een nacht lang voor dood blijft liggen.
In de eeuwen na het ontstaan van het werk is Reinaert afwisselend als held en schurk neergezet. De auteur van de Reinaert I identificeert zich met de vos. (Van Oostrom 1983, 18) Al tijdens de hoogtijdagen van zijn werk was echter ook een andere visie gangbaar. Deze vinden we ruim honderd jaar later terug in het uiterst negatieve oordeel van Dirc Potter over Reinaert, die hij beschouwt als een infame intrigant voor wie lieghen, drieghen al sijn lijff is. Potter staat in dit oordeel allesbehalve alleen. Zijn tijdgenoot Willem van Hildegaersberch bijvoorbeeld, net als Potter deel uitmakend van de literaire kring rond het Hollandse hof, ziet Reinaert al even negatief. Beide heren beschouwen de vos als het prototype van de scalc, de valse vleier aan het hof. Dat is ook de Reinaertvisie van hun ambt- en tijdgenoot, de auteur van Reinaert II in 1479. Ook hij fulmineert voortdurend tegen de verderfelijke invloed van de scalken aan de vorstenhoven van zijn tijd – en zijn Reinaert laat zien hoe Nobels koningshof door de vos, de opperschalk, naar de afgrond wordt geleid.
In haar proefschrift rekent Anda Schippers het verhaal van de vos in de kelder tot de fabels. (Schippers 1995, 13) Fabels vormen een complex genre vanwege het karakter van de fabelpersonages en de verhouding tussen fantasie en werkelijkheid. De dieren in de verhalen denken weliswaar na, analyseren hun situatie en produceren oplossingen, maar zij doen dit allemaal binnen de beperkingen van hun dier-zijn. Ook de lering van de fabel is niet gebaseerd op het idee dat het dier in feite een mens is, maar op de analogie tussen de situatie waarin het dier zich bevindt en waarin de mens zich kan bevinden. Daarbij wordt handig gebruik gemaakt van de eigenschappen die mensen in de werkelijkheid aan dieren toeschrijven. Ook de verhouding tussen taal en werkelijkheid is niet eenduidig in fabels. Ze zijn vaak een mengsel van beschrijving van de alledaagse wereld en een fantasiewereld. Vaak is het juist die combinatie die het de lezer mogelijk maakt de fabel met zijn of haar eigen leven en ervaring te vergelijken. Bovendien verwijzen fabels niet alleen naar de actualiteit van het leven, maar ook naar een grote hoeveelheid andere klassieke en middeleeuwse teksten en verhalen. Ze maken deel uit van een uitgebreid intertekstueel netwerk.
Het verhaal in Schippers’ proefschrift komt uit de collectie Parabelen van Cyrillus, die aan het einde van de veertiende eeuw is ontstaan in of nabij Zuid-Duitsland. Een magere vos komt hierin door een smal gat een kelder binnen waar volop voedsel is. Een wezel, die al in de kelder is, raadt de vos aan om eerst een grotere uitgang te maken alvorens zich vet te eten en waarschuwt de vos voor de gevolgen van vraatzucht voor de ziel. De vos neemt dit ter harte en gaat een stuk wijzer uit de kelder vandaan. (Lelij 1930, 95) Verhaaltjes als dit vallen volgens de schrijver alleen in de smaak, als ze over de zeden van de mens gaan. Daarbij dient de natuurlijk wereld als rijke bron, maar het onderwerp van de exempelen is de mens uiteindelijk zelf. De fabels in de Cyrillusbundel hebben echter niet zozeer belering ten doel als wel het vergaren van kennis, die het zelfinzicht vergroot en zo een deugdzamer leven met uitzicht op de hemel teweegbrengt.
De auteur van de Cyrillus put uit wijsheid die al beproefd is, afkomstig uit werken van verscheidene aard, zoals bestiaria, filosofische en theologische teksten en de bijbel. De fabel heeft eigenschappen die de lezer helpen bij het begrijpen, leren, waarderen en onthouden van de lering die in de fabel besloten ligt. Vanwege deze eigenschappen schaart Frederic Tubach het verhaal van de wolf in de kelder in zijn Index exemplorum uit 1969 onder de religieuze verhalen ter verduidelijking van de preek. (Tubach 1969, 314) Dit literaire genre van de exempelen is belangrijk geweest voor de Europese orale traditie. Ook in de tweede helft van de zeventiende eeuw vervulde het verhaal nog steeds een vermanende functie in de Fables choisies, mises en vers par M. de La Fontaine. Onder de titel ‘De wezel in de schuur’ vertelde hij hoe een sterk vermagerde wezel zich weer gezond en dik at in een voorraadschuur. Toen zij echter naar buiten wilde gaan, paste ze niet meer door de opening. Een oude rat gaf haar daarop de raad, om te wachten tot ze weer net zo mager was als toen ze naar binnen kwam.
De gebroeders Grimm tekenden in de negentiende eeuw ook een versie van het verhaal op. (GRIMM073 – Der Wolf und der Fuchs) Het gaat over een wolf, die een vos telkens dwingt om eten voor hem te regelen. De vos moet hieraan gehoor geven, want hij is de zwakste, maar hij zou graag van de wolf verlost zijn. Nadat hij de wolf naar lammetjes en pannenkoeken heeft gebracht, bedenkt hij de derde dag een ander plan. Hij brengt de wolf naar een vat vol vlees in een kelder met een nauwe opening. De gulzigheid van de wolf stelt niet teleur, maar de vos past wel op dat hij nog door de uitgang past. Als de boer aan komt lopen, is de vos met één sprong verdwenen. De wolf blijft steken in de opening en wordt doodgeslagen. De vos rent het bos in, blij om van die schrokop verlost te zijn.
Jurjen van der Kooi nam het verhaal op in zijn typencatalogus van de lectuur en mondelinge overlevering van volksverhalen in Friesland uit 1984. In de jaren 1960 en ‘70 tekenden de heren Poppema, Wijbenga, Veltman, Tiemersma en De Jong het verhaal in Friesland op. In Wijbenga’s versie was de gulzigaard een beer, terwijl het verhaal dat De Jong opschreef zich onderscheidt door een slagerij als locatie. (Van der Kooi 1984, 287) Ook in de collectie van Jaarsma vinden we het verhaal. De vos moet hierin zo hard lachen als de wolf blijft steken in de uitgang, dat de boer wakker wordt en de wolf doodslaat. (CJ011907 – De wolf en de vos) Ook in recente jaren is het verhaal nog gebruikt, zoals in de serie Mini adventures of Winnie the Pooh uit 2011, waarin Winnie het hol van Konijn niet meer kan verlaten na het leegeten van teveel potten honing. Hij blijft steken in de uitgang en wordt met vereende krachten van vele personages uiteindelijk bevrijd. Het verspreidingsgebied van het verhaal van de wolf in de kelder is hoofdzakelijk Midden- en West-Europa, maar het is in heel Europa terug te vinden. Daarnaast bestaan er varianten in Centraal-Azië, het Midden-Oosten, Zuidoost-Azië, Hawaii, Latijns-Amerika, Noord-Afrika, Afrika ten zuiden van de Sahara en in de Joodse en zigeunertraditie.
Literatuur
Kooi, J. van der, Volksverhalen in Friesland: lectuur en mondelinge overlevering. Een typencatalogus (Groningen 1984).
Lelij, C.M., De parabelen van Cyrillus (Amsterdam 1930).
Liungman, W., Die Schwedischen Volksmärchen: Herkunft und Geschichte (Berlijn 1961).
Oostrom, F. van, Reinaert primair: over het geïntendeerde publiek en de oorspronkelijke
functie van Van den vos Reinaerde (Utrecht 1983).
Schippers, A., Middelnederlandse fabels. Studie van het genre, beschrijving van collecties,
catalogus van afzonderlijke fabels: een wetenschappelijke proeve op het gebied van de
Letteren (Nijmegen 1995).
Schwarzbaum, H., The mishle shu’alim (fox fables) of rabbi Berechiah Ha-Nakdan. A study in
comparative folklore and fable lore (Kiron 1979).
Tubach, F.C., Index exemplorum: a handbook of medieval religious tales (Helsinki 1969).
Uther, H.J., The types of international folktales: a classification and bibliography. Part 1:
animal tales, tales of magic, religious tales, and realistic tales, with an introduction.
(Helsinki 2004).
Lelij, C.M., De parabelen van Cyrillus (Amsterdam 1930).
Liungman, W., Die Schwedischen Volksmärchen: Herkunft und Geschichte (Berlijn 1961).
Oostrom, F. van, Reinaert primair: over het geïntendeerde publiek en de oorspronkelijke
functie van Van den vos Reinaerde (Utrecht 1983).
Schippers, A., Middelnederlandse fabels. Studie van het genre, beschrijving van collecties,
catalogus van afzonderlijke fabels: een wetenschappelijke proeve op het gebied van de
Letteren (Nijmegen 1995).
Schwarzbaum, H., The mishle shu’alim (fox fables) of rabbi Berechiah Ha-Nakdan. A study in
comparative folklore and fable lore (Kiron 1979).
Tubach, F.C., Index exemplorum: a handbook of medieval religious tales (Helsinki 1969).
Uther, H.J., The types of international folktales: a classification and bibliography. Part 1:
animal tales, tales of magic, religious tales, and realistic tales, with an introduction.
(Helsinki 2004).
