Hoofdtekst
Eigenlijk was het echt zielig voor het kleine meisje, want zij kon nooit precies zeggen, hoe zij heette, en dan werd zij uitgelachen en kreeg in haar grote blauwe ogen tranen van verdriet, omdat zij nooit dat lange verhaal van al die namen van buiten kon leren. Maar eindelijk vond de grootmoeder van het meisje, die een verstandige vrouw was, dat het te ver ging met het gekibbel over de naam en om hier een eind aan te maken noemde zij het meisje gewoon Roodkapje.
Die naam paste goed bij haar, want, waar zij ook liep, had het meisje een rood kapje op, dat zij op haar vijfde verjaardag gekregen had van haar lieve grootmoeder. Het was een buitengewoon mooi mutsje, en om de waarheid te zeggen, had grootmoeder het eens van een kabouter gekregen, toen hij in een bijzonder goede bui was. Van nu af aan begonnen ook alle mensen het kleine meisje Roodkapje te noemen en het kind was er heel blij om. Nu had zij een echte naam net als de andere kleine meisjes en bovendien had zij nog het mooiste mutsje van het hele dorp.
Zij probeert zo dikwijls mogelijk de kans te vinden om het op te zetten, en toen haar moeder haar eens vroeg om vlug naar haar oude grootmoeder te lopen, met een mandje vol lekkernijen, zette Roodkapje gauw haar mooie rode mutsje op en was dadelijk klaar om te gaan. Zij had zo'n haast om weg te komen, dat zij niet eens aandachtig luisterde naar de raadgevingen, die moeder haar gaf.
Ja, ja, zij wist wel, dat zijn van moeder onderweg niet mocht blijven spelen, als zij een boodschap bij grootmoeder moest doen. Ook dat zij niet over de sloot, die langs de weg liep, mocht springen om in het bos te gaan spelen met de konijntjes, die in het kreupelhout rondhuppelden. Zij beloofde zoveel mogelijk voort te maken, opdat de wafels nog lekker warm zouden zijn, als zij bij grootmoeder aankwam. Grootmoeder zou wel behoefte aan wat lekkers hebben, nu zij ziek te bed lag.
Nadat Roodkapje haar moeder goedendag gezegd had, begaf zij zich op weg. Zij stak recht de wei over, ging vervolgens het hek door en liep daarna naar de heg, die zij een eindje moest volgen. De zon scheen over de velden en weiden en boven in de lucht gaven de leeuweriken en zwaluwen een morgenconcert.
Zij keken van uit de hoogte naar het kleine meisje, dat een rood stippeltje leek op de wei. Van boven afgezien deed het kleine rode mutsje denken aan een grote, wandelende papaver. Mevrouw Zwaluw, die alles wist, vertelde vol ijver aan een ieder, die het horen wilde, waar het meisje naar toe ging. "Maar dit moet ik toch zeggen," zo eindigde zij, "dat ik, als ik de moeder van dit kleine meisje was, het nooit zou durven, haar alleen door het bos te laten gaan. Denk alleen maar eens aan die gevaarlijke wolf!" En datzelfde zei ook mevrouw Schaap, toen Roodkapje door de opening van de haag stapte. Nog rilde zij, als zij er aan dacht, hoe weinig het gescheeld had, of haar eigen kleine lammetjes waren de vorige zomer in de klauwen van de wolf geraakt. "Wees voorzichtig, Roodkapje", blaatte mevrouw Schaap en haar stem trilde als nooit te voren. "En als je de wolf te zien krijgt, dan moet je zover mogelijk van hem vandaan blijven." "Dat beloof ik," zei Roodkapje, "maar ik geloof helemaal niet, dat die oude wolf zo boos is, als jullie zeggen. Als ik ik hem heel zachtjes aai en hem een van de koekjes laat proeven uit de mand, dan zal hij zeker met zijn staart kwispelen, net zoals onze hond Karo thuis doet." "De wolf aaien!" blaatten alle lammetjes en sprongen verschrikt wegen verborgen zich tussen de struiken. Zo iets zou de oude ram niet eens durven, hoe zou het dan dit kleine meisje wel vergaan!
Maar Roodkapje was helemaal niet bang en zij liep recht op het grote bos aan. Zij was daar al zo dikwijls geweest en er zaten veel vriendjes van haar tussen de struiken en het kreupelhout. Kalle Dikstaart, het jongste jongetje van de eekhoornfamilie, was gewoon zo nu en dan een bezoekje te brengen aan het huisje, waar Roodkapje woonde, en Joost de Haas sprong graag die kant uit, zodra het ging schemeren en hij er zeker van kon zijn, de oude jager Niels niet zijn geweer niet te zullen ontmoeten.
"Het zou erg prettig zijn om Kalle en Joost even goedendag te zeggen", zei Roodkapje bij zichzelf, terwijl zij tussen de hazelaarstruiken loerde om te zien, of zij een van de eekhoornjongen of hazenkindertjes kon ontdekken. Maar toen herinnerde zij zich opeens, dat haar moeder gezegd had, dat zij moest doorlopen tot ze bij Grootmoeders huisje was en dus ging zij maar verder. "Maar kijk eens, goedendag Roodkapje" hoorde zij plotseling vlak bij haar aan de kant van de weg. Verschrikt rende Roodkapje over naar de andere kant van de weg. Het zou toch de wolf niet zijn, die daar wat rondsnuffelde? Maar in het volgende ogenblik lachten haar blauwe ogen weer als altijd. Het was immers maar mevrouw Haas, die met haar kleintjes naar buiten was gekomen, omdat het zo zonnig was. "Wat zie je er verschrikt uit," zei de hazen moeder. "Nog nooit tevoren heeft iemand van onze familie een mensenkind aan het schrikken kunnen maken." Roodkapje schaamde zich bijna om te vertellen, dat zij eigenlijk gedacht had, dat het de wolf geweest was, die daar aan de slootkant zat, maar toen zij het verteld had, werd mevrouw Haas heel ernstig. "Ja, voor hem moet je oppassen," zei zij, "die lelijkerd is bijna net zo gevaarlijk voor mijn kinderen als het geweer van jager Niels. Verleden voorjaar scheelde het maar weinig, of hij had mijn jongste dochtertje in zijn klauwen gehad." “O ja," piepte de kleine Joselientje Haas en sprong weg tussen de margrieten om zich te verbergen.
“O, ik zal heus wel oppassen," zei Roodkapje en toen liep zij door, zo vlug als zij maar kon. Maar zij was pas een klein eindje verder, toen zij opeens stokstijf bleef stilstaan. Wat was dat voor een grote zwarte hond, die om die dikke eikestam heenkeek? Dat was nu de echte wolf! Juist toen Roodkapje erg angstig begon te worden, ging het vreselijke beest tegen haar praten. Zijn stem klonk helemaal niet onvriendelijk. Het was net, zoals zij gezegd had. Als je hem maar aaide en lief tegen hem deed, was de wolf minstens even vriendelijk als mevrouw Haas, Karo thuis en die aardige mevrouw Schaap. “Goedendag”, fluisterde zij verlegen en verborg haar handjes onder haar schort, bang als zij was, dat hij haar een poot zou geven. "Goedendag", zei de wolf en dat klonk zo zoet als honing, "Ben jij niet Roodkapje, die zo maar alleen op stap is? Kunnen wij niet een eindje samen gaan door het bos?" "Ga maar mee," zei Roodkapje, "ik ben juist op weg naar Grootmoeder met wat lekkers en als je heel lief bent, dan krijg je er misschien ook wel wat van, als wij bij haar zijn." "Dat dacht ik wel," zei de wolf en lachte stilletjes. "Ik heb nog nooit zo'n vreselijke honger gehad en liep juist te denken, dat ik hoopte een lief klein meisje tegen te komen." Toen hij dit zei, kwam het water hem in de mond lopen en hij dacht vergenoegd aan het lekkere hapje, dat dit tere, kleine meisje zou zijn. Maar hij wilde haar nú niet opeten; eerst zou hij proberen van haar te weten te komen, waar grootmoeders huisje lag en dan wist hij wel, wat hij zou doen.
Roodkapje liet zich uithoren en daardoor wist de wolf, waar het huisje lag. Het meisje was nog maar nauwelijks uitgesproken, of de wolf was in het bos verdwenen. "Neen maar, waar ga jij naar toe," riep zij hem nog achterna. "Nu krijg je niets van het lekkers, hoor!" Maar de wolf dacht er niet over verder met haar mee te gaan; hij nam een kortere weg en was spoedig bij de open plek, waar het huisje stond.
"Ha, ha, ha," lachte hij boosaardig, "nu zal grootmoeder een bezoek krijgen, dat zij niet verwacht heeft." Toen opende hij de deur, was met één sprong bij het bed en voordat grootmoeder met haar ogen had kunnen knipperen, had hij haar in één hap verslonden. Daarna liep hij naar de kast, opende die en trok grootmoeders nachtkleren er uit. Hieruit deed hij een keuze, zette een nachtmuts op, kroop in het bed en trok de bedgordijnen dicht. Zo bleef hij wachten op de komst van Roodkapje.
Een poosje later was er geschuifel van voeten buiten het huisje. Dat was Roodkapje, die vergezeld werd door Joost Haas, eekhoorn Kalle en een van de mooiste hertjes uit het bos. Die dieren was zij onderweg tegengekomen en die wilden allemaal zo graag mee naar binnen om grootmoeder goedendag te zeggen, die altijd zo vriendelijk voor hen was en hun allerlei dingen te eten gaf. "Maar wat is dàt hier?" vroeg Joost Haas, die het nieuwsgierigst was en daarom een eind voor de andere uit was gesprongen. "De deur staat warempel open!" Eekhoorn Kalle was de kleinste en de angstigste, dus die hield zich een beetje achteraf, en het hert, dat altijd gauw verschrikt is, trilde over zijn hele lijf van angst, toen het merkte, hoe stil het was en hoe verlaten het huisje leek. "Wees niet bang", zei Roodkapje en probeerde net te doen, of zij moedig was. Maar toen zij over de drempel stapte, zonk haar opeens alle moed in de schoenen. Als nu het hert, de eekhoorn en de haas maar met haar mee naar binnen hadden willen gaan! Maar dat wilden zij beslist niet. "Ga jij maar eerst, jij bent de grootste", zei Joost Haas fluisterend tegen het hert. "Neen jij, die het kleinst en het vlugst bent, moet maar het eerst naar binnen", zei het hert tegen eekhoorn Kalle. Maar die kleine stakker was zo bang, dat hij al half op weg was naar de boomtoppen. En daar stond nu Roodkapje midden in de kamer van het huisje; zij zette haar mandje neer zo zacht als zij kon en sloop daarna voorzichtig tot vlak voor het bed. "Goedendag, lieve grootmoeder", zei ze lief, zoals moeder haar gezegd had, dat zij moest doen. "Ik ben het, Roodkapje, die wat lekkers komt brengen en wat bloemen, die zij onderweg heeft geplukt." "Goedendag," hoorde zij een krakende stem zeggen van uit het bed. "Kom een beetje dichterbij kind, zodat ik kan zien, wat je in je mandje hebt." Roodkapje ging naar voren en trok het bedgordijn een beetje opzij om haar bloemen te kunnen geven. Zij vond wel, dat grootmoeders stem eigenaardig hees en knorrig klonk, en toen zij zag, wie daar in bed lag, viel zij bijna achterover van schrik. Het was de wolf, die onder de dekens was gekropen; grootmoeders bril had hij op zijn neus en zijn lelijke oren had hij verstopt onder haar allermooiste nachtmuts.
"M-Maar z-zoete lieve w-wolf", stamelde Roodkapje verschrikt, "waarom lig je in grootmoeders bed?" "O, dat zul je gauw genoeg te weten komen", brulde de Wolf en sprong met zo'n vaart uit het bed, dat de bril en de nachtmuts beide op de grond vielen. Roodkapje zag, hoe hij zijn geweldige muil open sperde, maar meer niet, want toen verslond hij haar met één grote hap.
"Dat was nu eens echt smullen", grinnikte de wolf vergenoegd en kroop daarna weer onder de dekens om een klein slaapje te doen, na al het lekkere eten. "Dat gebeurt werkelijk niet iedere dag, dat een wolf een oude vrouw en een klein meisje als middagmaal krijgt."
Joost Haas, die in de deuropening gezeten had en gezien had hoe de wolf zich op Roodkapje had geworpen, schreeuwde van schrik, toen hij merkte, dat het meisje met mutsje, schortje, klompen en al in de geweldige muil van het ondier verdween. Hij durfde een hele poos, zelfs niet het puntje van zijn staart te bewegen, maar toen hij begreep, dat de wolf zich weer te slapen had gelegd, zette hij het op een lopen. Hij was weliswaar maar een haas en de mensen zeiden gewoonlijk, dat hij het lafste van alle dieren uit het bos was, maar nu moest hij toch proberen om Roodkapje en haar lieve grootmoeder te helpen. Hij sprong en sprong maar, dwars door struiken en kreupelhout heen en onderwijl deed hij zijn best om een oplossing te vinden. Plotseling zag hij jager Niels, met zijn geweer, op het bospad lopen. Nu was er wel niemand, waar Joost banger voor was, dan voor jager Niels met zijn geweer, maar nu was hij opeens zijn angst vergeten. In een oogwenk was hij op het pad gesprongen, ging toen vlak voor de voeten van Niels zitten en begon met zijn oren te flappen. "Neen, kijk nu eens," zei de jager en legde zijn geweer aan om te schieten. "Ik geloof heus, dat ik vanmiddag gebraden haas zal eten." Maar Joost ging geen duimbreed op zij, zelfs niet, toen hij die vreselijke loop op zich gericht zag. Hij liet zijn oren nog sneller heen en weer gaan, zodat Niels tenslotte begreep, dat er iets bijzonders aan de hand was. Het was maar het beste om die dreumes van een haas te volgen en te kijken, wat hij eigenlijk wilde. En nu gingen zij weer de andere kant uit. Joost nam twee maal zo grote sprongen als gewoonlijk en Niels volgde zo snel, als hij maar kon, met zijn oude benen. Eindelijk waren zij bij grootmoeders huisje; Niels ging naar de deur en klopte. Hij klopte een hele tijd achter elkaar, maar kreeg geen antwoord. Toen ging hij naar binnen om te zien, waarom grootmoeder niet open kwam doen, zoals zij anders altijd deed.
Het huisje was helemaal leeg, maar daar in het bed lag iemand zo hard te snurken, dat de ruiten ervan trilden. Hij sloop naar het bed toe, en toen hij zag, dat het de wolf was, die diep in slaap zo lag te snurken, nam hij stevig zijn geweer beet om op hem te mikken. Ineens kwam de gedachte bij hem op, dat de wolf misschien de lieve grootmoeder, die in het huisje woonde, had opgegeten. Het was misschien het beste om eens even te kijken, wat dat roofdier in zijn buik had, want die zag er zo vreemd, gespannen en opgeblazen uit. Vlug haalde Niels zijn geweldig jagersmes te voorschijn en sneed voorzichtig de buik van de wolf open, die zo diep in slaap was, dat hij geen pijn voelde.
De jager had nog maar pas een klein openingetje gemaakt, of hij zag daardoor al een rood mutsje schijnen. Toen hij een nog grotere opening had gemaakt, sprong Roodkapje eruit, springlevend, en nadat hij de buik helemaal opengesneden had, kwamen ook grootmoeder en de kat te voorschijn. Ze waren beide erg vermoeid. Grootmoeder beklaagde zich, terwijl de kat nu eens miauwde en dan weer blies, maar dadelijk werden zij kalmer, toen zij zagen, dat Roodkapje ook uit de buik van de wolf ontsnapt was. "Ja, dit was nog erger, dan jicht en kiespijn samen," klaagde grootmoeder. "In heel mijn lange leven heb ik nog nooit zo ongemakkelijk gelegen." "Bah ja," zei Roodkapje, "ik lag helemaal dubbel gevouwen en de staart van de poes kittelde mij in mijn neus, zodat ik de hele tijd moest niezen. Mevrouw Schaap en mevrouw Haas hadden toch wel gelijk, toen zij zeiden, dat je op moest passen voor de wolf. "Dat hadden zij zeker," lachte jager Niels, "maar nu moet je me helpen verder voor het beest te zorgen. Ga gauw buiten de allergrootste stenen halen, die je maar dragen kunt. De wolf wilde graag zijn buik vol hebben en daar zullen wij voor zorgen -- maar niet met een meisje en een oud vrouwtje, maar met grote, grauwe stenen. Daarna zullen wij zien, hoe ver hij nog lopen kan."
Roodkapje deed, wat Niels gezegd had. Zij liep gauw naar de heuvel en begon stenen naar binnen te dragen. Joost Haas hielp haar de zwaarste stenen zoeken en even later had Niels een hele steenhoop in de buik van de wolf gelegd. Toen hij daarmede klaar was, haalde hij de buik weer dicht, maar hij had nog maar nauwelijks de laatste steek gedaan, of de wolf werd wakker.
"Neen maar, goedendag, jager Niels," zei hij en probeerde zo onschuldig mogelijk te doen. "Goedendag, jij schelm,'" zei Niels streng, "als je pels je wat waard is, is het wel het beste, dat je heel gauw uit grootmoeders bed kruipt, anders zou het kunnen zijn, dat mijn geweer je een handje hielp." De wolf maakte dat hij weg kwam, eerst het bed en toen het huisje uit, want als hij voor iemand bang was, dan was het voor jager Niels en voort ging het, over stronken en stenen. De wolf eerst en jager Niels er achteraan. Grootmoeder, Roodkapje en de kat, die op het trapje voor het huis naar de wilde jacht stonden te kijken, slaakten alle drie een diepe zucht van verlichting, toen zij de grijze pels van de wolf tussen de boomstammen zagen verdwijnen. Er was er nog een, die zuchtte; dat was de wolf, want hij vond dat zijn buik nog nooit te voren zo vreselijk zwaar was geweest als nu.
"Ik heb zeker vanmiddag te veel gegeten," pufte hij, terwijl hij al maar doorrende om uit de buurt van jager Niels weg te komen. "Ik had tevreden moeten zijn met het meisje en dat oude vrouwtje en er niet nog die kat bij in moeten proppen." "Je had noch het een, noch het ander moeten inproppen," schreeuwde jager Niels hem toe. "Ik hoop, dat je buik zo zwaar en gespannen is, dat je het voortaan zult laten kleine meisjes en lieve oude vrouwtjes op te eten." "Ik zal zoveel kleine meisjes eten, als ik wil," grinnikte de wolf overmoedig, maar hij had het laatste woord nog maar nauwelijks gezegd, of in volle vaart struikelde hij over een boomwortel en bezeerde zich zo erg, dat hij op slag dood was.
"Dat kun je een gelukkige jacht noemen," glimlachte jager Niels. "Een heel mooie wolfshuid krijg ik, zonder dat ik zelfs een schot heb behoeven te lossen. Die grauwe stenen in zijn buik waren toch zeker niet zo gemakkelijk om mee te dragen." Hij zorgde er voor, dat de huid mooi gaaf bleef en trots marcheerde hij door het dorp om alle mensen op de hoeven te laten zien, dat zij niet langer bang behoefden te zijn, voor de wolf. Allen roemden hem en zeiden, dat Niels de knapste jager van het land was en het dankbaarste van allemaal was mevrouw Schaap, want nu kon de wolf haar kleine lammetjes immers geen kwaad meer doen! Maar Joost Haas, aan wie eigenlijk alle eer toekwam, werd niet eens geloofd, toen hij bij zijn thuiskomst vertelde, wat hij allemaal had zien gebeuren. Zijn moeder pakte hem bij zijn pels en zei, dat als hij zulke verhalen verzon, het er van zou komen, dat hij klappen kreeg op zijn staartje. En alle zusjes en broertjes lachten hem uit, toen hij vertelde, dat hij vlak voor die vreselijke geweerloop van jager Niels had zitten flappen met zijn oren. Maar wat deed dat er toe? Joost wist zelf, dat hij zich deze ene keer gedragen had als het moedigste dier uit het hele bos. Roodkapje en haar grootmoeder had hij immers geholpen en dat was het voornaamste.
Blij sprong hij het bos in en ging naar grootmoeders huisje om te zien, hoe het daar nu wel zou zijn. Toen hij er aan kwam, zat grootmoeder bij een hoek van het huisje in het zonnetje. Zij had juist van al het lekkers uit Roodkapje's mandje geproefd, was voldaan en tevreden weer tot rust gekomen na alles, wat zij beleefd had. "Ga nu gauw naar huis, naar moeder," zei zij tegen Roodkapje, "en morgen en alle volgende dagen, mag je mij komen opzoeken, zo dikwijls, als je maar wilt, want nu is er geen wolf meer, waar wij bang voor behoeven te zijn." Joost zei tegen zich zelf, dat een wolf toch niet iets was om bang voor te zijn, maar hij durfde het niet hardop zeggen, want een haas moet niet al te moedig zijn!
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Bron
KB: KW BJ 51575
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Beata Goudhaar Anna Adèle Maria   
Karo   
mevrouw Zwaluw   
mevrouw Schaap   
Kalle Dikstraat   
Joost Haas   
Joselientje Haas   
Niels   
