Hoofdtekst
“Roodkapje, hoor eens," zei Moeder tegen haar, “hier heb je een paar heerlijke wafels en een grote fles met bosbessensap. Breng die eens naar Grootmoeder, want zij is ziek en zwak en dit zal haar zeker heel goed doen en lekker smaken. Maar je moet gaan voordat het te warm wordt, Roodkapje, en wanneer je in het bos komt, wees dan heel voorzichtig en kijk niet te veel rechts en links om je heen, en loop niet door zijpaden. Dwaal vooral niet nu eens de ene en dan weer de andere kant uit, maar ga zonder omkijken rustig verder, de rechte weg. Je mocht anders eens vallen en de fles bessensap en de wafels breken, zodat die lieve, zieke Grootmoeder dan niets zou krijgen. En wanneer je bij haar binnenkomt, moet je niet vergeten haar eerst vriendelijk goede morgen te zeggen, zoals dat behoort, en te vragen hoe zij het maakt, in plaats van dadelijk nieuwsgierig overal rond te kijken, hoor je, Roodkapje-lief?" "Ik zal alles doen wat u zegt, ik beloof het u, Moeder," antwoordde Roodkapje en gaf er haar hand op. Toen nam zij haar mandje en vertrok.
Grootmoeder nu woonde heel ver in het bos, wel een half uur van het dorp af. En toen Roodkapje midden in het bos was, kwam zij opeens een wolf tegen. Maar Roodkapje was helemaal niet bang, want zij wist niet wat voor een vals en slim dier een wolf wel was. "Zo, goede dag, mijn lief, best Roodkapje," zei hij op heel vriendelijke, zachte toon. “Goede dag, lieve Wolf," antwoordde Roodkapje. “Waar gaat dat in de vroege morgen al zo heen, Roodkapje?" vroeg de wolf. “Naar Grootmoeder," antwoordde zij. "En wat heb je daar in je mandje, Roodkapje?" vroeg de wolf weer. "Wafels en een fles met bosbossensap," zei Roodkapje. “Moeder heeft de wafels zelf gebakken. O, zij zullen mijn arme, zieke, zwakke Grootmoeder zeker heerlijk smaken en haar goed doen ook." “Zo, zo Roodkapje, en waar woont je oude, lieve Grootmoeder eigenlijk?" vroeg de wolf, die een echte huichelaar was, zo vriendelijk, alsof hij het grootste belang in haar stelde. “Ze woont hier in het bos," antwoordde Roodkapje. “Nog ruim een kwartier lopen; daarginds bij de grote eikebomen staat het huisje, midden in een heg van hazelnootstruiken. Dat zal je wel weten, Wolf."
Toen dacht de valse wolf bij zich zelf: “Dit tere, jonge kindje is een heerlijk, vers hapje voor me, en zal me vrij wat beter smaken dan de oude Grootmoeder. Maar ik moet alles slim aanleggen, want zij mogen mij geen van beiden ontgaan." Zo liep hij een heel eind stil met Roodkapje mee, en hield zich zo braaf en onschuldig, alsof hij het allerbeste, onschuldigste en zachtste dier was.
Daarna zei hij met een fijn, lief stemmetje: “Roodkapje, zie je wel wat een beeldig mooie bloemen hier overal bloeien? Vind je ze niet prachtig? Kijk toch eens! Waarom zie je eigenlijk niet eens overal om je heen? Ik geloof heus, dat je niet eens hoort hoe mooi de lieve, kleine vogeltjes in het bos wel zingen. Je gaat maar zo stil en rustig voort, alsof je naar school ging, en het is hier buiten in het mooie, groene bos toch zo heerlijk!"
Roodkapje sloeg de ogen op en keek om zich heen, en toen zag ze, hoe de lichte, gouden zonnestralen zo prachtig door de groene bomen dansten en overal om haar heen mooie, gekleurde bloemen stonden. Zij dacht bij zich zelf: “Als ik Grootmoeder bij de fles bessensap en de wafels ook nog een mooie ruiker bloemen gaf! Daar zou ze zeker vreselijk blij mee zijn, juist omdat Grootmoeder nooit meer in het bos komt. Het is toch nog zo vroeg in de morgen, ik kom nog wel bijtijds bij haar aan, en zal wel goed op mijn mandje passen." Zo gedacht, zo gedaan! Roodkapje ging toen van het rechte pad af, liep nu eens rechts, dan weer links, dwaalde alle kanten uit, al maar dieper het bos in, om bloemen te plukken. En zij dacht er helemaal niet meer aan, dat Moeder haar dit juist verboden en dat zij beloofd had niet van het rechte pad af te gaan. De bloemen, die overal om haar heen bloeiden, waren dan toch ook zo prachtig! en telkens wanneer zij er een geplukt had, zag zij verderop weer een veel om die te mooiere, en liep dan ook daarheen plukken. Zo geraakte Roodkapje al dieper en dieper in het mooie, groene bos.
Onderwijl draafde de wolf welgemoed regelrecht naar het huis je van Grootmoeder, dat middenin een heg van hazelnootstruiken stond, daar waar de drie grote eikebomen waren. Zachtjes en bescheiden klopte hij aan de voordeur. “Wie is daar?" vroeg Grootmoeder, die in haar bed lag. “Ik ben het, Roodkapje," klonk het van buiten; “ik kom u heerlijke wafels en een fles met bosbessensap brengen. Doet u alstublieft even open?" “Trek maar aan het touwtje, dan zal de deur wel opengaan," riep de zieke Grootmoeder terug. “Ik ben te zwak om op te staan, ik kan niet opendoen." Toen trok de wolf aan het touwtje, de deur sprong open, en zonder een woord te zeggen, ging hij regelrecht naar het bed van de Grootmoeder en hapte haar op. Daarna trok hij haar kleren aan, die voor het bed lagen, zette haar grote muts op, ging in bed liggen, trok de dekens helemaal over zich heen, zodat er niets meer dan een puntje van de muts bovenuit kwam, schoof de gordijnen stijf dicht, en wachtte zo Roodkapje af.
Roodkapje was ondertussen door het bloemen plukken al maar verder afgedwaald, en toen zij er eindelijk zoveel had, dat zij ze bijna niet meer kon dragen, viel het haar in, dat zij zich heel erg haasten moest, om bij haar Grootmoeder te komen. Zij nam dus haar mandje weer op, en vlug ging het toen verder.
Toen zij bij het huis je was aangekomen, verbaasde het haar heel erg dat de deur wijd openstond, en toen zij het kamertje binnenkwam, viel het haar op, dat alles er zo anders uitzag dan gewoonlijk, en angstig dacht ze bij zichzelf: “Och, ik ben zo bang, ik weet niet wat het is, want anders vind ik het toch juist zo heerlijk om bij mijn lieve Grootmoeder te komen." En toen riep ze: “Goede morgen, Grootmoeder," maar kreeg geen antwoord.
Toen liep Roodkapje naar het bed, en schoof de gordijnen open. Ja, toch, daar lag Grootmoeder, haar grote muts diep in haar ogen getrokken. Wat zag ze er vandaag vreemd uit, zo raar en wonderlijk! “Zeg, Grootmoedertjelief, wat heb je toch grote ogen!" zei Roodkapje verbaasd.“Dat is, om je beter te kunnen zien!" bromde een stem uit het bed. “En, Grootmoedertjelief, wat heb je toch grote handen!" zei Roodkapje verwonderd. “Dat is om je beter te kunnen pakken." "Maar Grootmoeder, wat heb je toch een vreselijk grote mond!" zei Roodkapje ontzet. “Dat is om je beter te kunnen ophappen," zei de wolf men nauwelijks had hij dit gezegd, of hij kwam uit het bed, en hapte het arme Roodkapje op. Toen nu de valse wolf de Grootmoeder en ook Roodkapje had opgehapt, was hij echt voldaan, ging weer in bed, viel weldra in slaap en begon hard te snurken.
Even later kwam de jager toevallig voorbij het huisje, en toen hij het harde snurken hoorde, dacht hij : “Neen maar, wat snurkt daar binnen die oude Grootmoeder vandaag hard, verschrikkelijk! Ik moet toch eens even kijken of haar iets mankeert." Maar toen hij het kamertje inkwam en naar het bed keek, zag hij daar den wolf, die zo vreselijk lag te snurken.
“Ah, heb ik je daar eindelijk, ouden zondaar!" riep hij uit. “Ik heb al zo lang naar je gezocht, maar nu heb ik je dan toch gevonden, en is gelukkig het einde van je dagen en je slechte daden gekomen." Maar toen hij zijn geweer al had aangelegd en hij op het punt stond den wolf dood te schieten, viel het hem gelukkig in, dat het valse dier de Grootmoeder misschien wel opgehapt had, maar dat zij daarom toch niet dood behoefde te zijn, en hij haar dus misschien nog wel redden kon. Toen gaf hij met zijn jachtmes een paar sneden in de buik van den slapenden wolf, en toen zag hij eerst een puntje van een klein, rood kapje te voorschijn komen, en op hetzelfde ogenblik sprong opeens Roodkapje gezond en wel eruit en riep: “Och, och, wat was ik geschrikt! Het was zo vreselijk donker binnen in den wolf" Daarna kwam ook de oude Grootmoeder nog levend te voorschijn, maar ze kon nauwelijks meer ademhalen.
Roodkapje haalde toen gauw een paar zware stenen en deed die in het lijf van den wolf. Toen deze nu wakker werd en opstond om naar de waterput te gaan, om daar zijn grote dorst te lessen, merkte hij tot zijn schrik, dat hij zo zwaar was, dat hij niet lopen kon. En nauwelijks had hij buiten een paar stappen gedaan, of hij viel dood neer.
Allen, Grootmoeder en Roodkapje en de jager waren toen onbeschrijfelijk blij en gelukkig dat de valse wolf dood was. De jager stroopte de dikke pels van het dier af, om die als voering voor zijn winterjas te gebruiken, als hij later bij sneeuw en ijs door het bos zou moeten gaan. Roodkapje en de Grootmoeder dankten hem hartelijk, en Grootmoeder at van haar heerlijke wafels, dronk van het bosbessensap en bekwam daardoor helemaal van de schrik, die zij had uitgestaan. Maar Roodkapje zei berouwvol: “Mijn leven lang zal ik niet meer van het rechte pad, dat Moeder mij gewezen heeft, afgaan, en altijd doen wat ik beloof, want anders zou het weer eens slecht kunnen aflopen."
En zij hield woord. Want enige tijd daarna ging zij Grootmoeder weer koeken brengen, en kwam toen een anderen wolf tegen, maar toen deze haar aansprak en van het rechte pad wilde afleiden, luisterde zij helemaal niet naar zijn mooie praatjes en vervolgde, zonder ook maar eventjes naar rechts of links te kijken, haar weg. “O, Grootje, verbeeld je eens," zei Roodkapje, toen ze even later bij haar Grootmoeder binnenkwam, “even nadat ik van huis gegaan was, kwam ik weer een wolf tegen, die mij dadelijk aansprak en met een lief stemmetje mij goede dag zei, maar hij keek toen zo vals uit zijn ogen, dat ik heel zeker weet, dat wanneer ik hem in het bos in plaats van op de straatweg was tegengekomen, hij mij dadelijk zou hebben opgegeten." “Nu," antwoordde Grootmoeder, “dan zullen we de deur maar gauw dichtgrendelen, dan kan hij er niet in, want hij zal zeker wel hier komen." En nauwelijks had Grootmoeder dat gezegd, of daar klonk het: “klop, klop" op de deur.
“Toe, lief Grootje, wilt u mij alstublieft opendoen; ik ben Roodkapje en breng u heerlijke koeken." Maar Grootmoeder en Roodkapje hielden zich doodstil en durfden bijna geen ademhalen. En toen de wolf maar geen antwoord kreeg, en de deur stijf gesloten bleef, sloop hij enige malen het huis rond en sprong toen zo zacht als hij maar kon op het dak. Daar zou hij nu blijven zitten, totdat Roodkapje's avonds naar huis zou gaan. Heel stil en voorzichtig wilde hij haar dan nasluipen, en wanneer zij dan midden in het donkere bos was, zou hij haar onverwacht bespringen en ophappen.
Maar Grootmoeder had, hoe zacht de wolf ook alles gedaan had, hem toch op het dak horen klimmen en begreep best met welk doel hij dat gedaan had. Nu stond er voor het huis een grote stenen bak, en Grootmoeder zei tot Roodkapje: “Lieve kind, neem een emmer vol van het water, waarin ik gisteren de worst gekookt hebt, en giet dat in de stenen bak uit." Roodkapje droeg toen zoveel van dat water aan, tot de bak helemaal vol was. Het duurde niet lang, of de heerlijke geur van het worstenwater steeg den wolf in de neus. Hij keek eens rond, waar die heerlijke lucht eigenlijk vandaan kwam en rekte daarbij zijn hals zover uit, dat hij zich op het schuine dak niet meer kon houden, en naar beneden begon te glijden.
Hoe hij ook probeerde om zich tegen te houden, het gaf niets. Al maar vlugger en vlugger schoof hij naar beneden, gleed van het dak af en kwam juist in de stenen bak terecht, waarin hij na korte tijd was verdronken. Toen ging Roodkapje vrolijk naar huis terug en nooit heeft een andere wolf haar meer kwaad gedaan.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Bron
KB: KW GW A100156
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.   
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
