Hoofdtekst
Er was eens een klein meisje dat Roodkapje heette. Wat een gekke naam hè? Ze heette ook niet echt Roodkapje. Ze werd alleen maar zo genoemd omdat ze altijd een rood mutsje droeg, of het nu woensdag was of vrijdag, zomer of winter. Dat mutsje had haar moeder eens voor haar gebreid en Roodkapje vond het zo mooi, dat ze het zelfs weleens ophield bij het slapen gaan. Maar dat mocht niet, want ieder mutsje is nog geen slaapmuts, vond haar moeder.
Roodkapjes vader was boswachter en ze woonden met zijn drietjes in een gezellig houten huis aan de rand van het bos. Als Roodkapje's morgens uit het raam keek, kon ze de eekhoorntjes en konijnen op het grasveld voor de deur zien spelen. Die waren helemaal niet bang voor haar, want boswachterskinderen houden vaak meer van dieren dan van poppen en speelgoedtreintjes.
Op een dag riep Roodkapjes moeder haar dochtertje bij zich. Op tafel stond een rieten mand met allerlei lekkere dingen erin: een fles wijn, een paar kadetjes, drie glanzend rode appels en heerlijke verse peperkoek. "Oma is een beetje ziek, Roodkapje. Ze kan geen boodschappen doen. Wil jij dit mandje even naar haar toe brengen?" "Natuurlijk," zei Roodkapje. "Goed. Maar op het pad blijven hoor! En niet gaan hollen, want als je valt, breekt de fles en de wijn is juist zo goed voor oma." Roodkapjes moeder bedekte de inhoud van het mandje met een geruite theedoek. "Zo. Dag kind, ga maar vlug, dan ben je voor het donker weer thuis." Roodkapjes oma woonde midden in het bos, een goed halfuur lopen vanaf het boswachtershuis.
Roodkapje stapte stevig door. Ze was al een heel eind op weg, toen ze onverwacht iemand tegenkwam. Het was de wolf, die ook in het bos woonde. Roodkapje schrok helemaal niet. Ze wist dat de wolf er gemene streken op na hield, en ze hield van alle dieren evenveel. "Hallo Roodkapje," zei de wolf. "Dag wolf," antwoordde Roodkapje. "Ga je ergens heen?" "Naar oma, wolf." "En wat zit er in dat mandje?" "Wijn en kadetjes en appels. En een peperkoek." "Toe maar! Allemaal voor je oma?" "Ja. Ze is een beetje ziek, zie je. Ze kan zelf geen boodschappen doen." "Zo. En waar woont jouw oma?" "Hier vlakbij. Je kent het huis wel, denk ik. Het staat op een open plek met drie kastanjebomen en allemaal braamstruiken langs de kant. En er groeit klimop langs de muren."
Die oma zal wel een taai hapje zijn, dacht de wolf. Die neem ik dan maar eerst.
En dan Roodkapje als toetje. Ik moet dit slim aanpakken.
Hij liep een poosje zwijgend met Roodkapje op. Toen bleef hij staan en wees tussen de bomen. "Kijk eens even, wat een mooie bloemen! Daar zal je oma wel blij mee zijn, denk ik." "Die staan te ver. Ik moet van mijn moeder op het pad blijven," zei Roodkapje. "Ach, wat jammer. Ik weet zeker dat je je oma er een groot plezier mee zou doen. Maar ja, wat niet mag, dat mag niet, hè." "Nee..." zei Roodkapje. Ze keek nog eens naar de bloemen, die als bonte vlekjes tussen de varens schemerden. "Och," zei ze toen. "Als ik niet te ver ga, kan er toch niets gebeuren. Ik heb tijd genoeg om een klein bosje te plukken." Ze verliet het pad en plukte een paar madeliefjes en paardebloemen. En toen ze verderop een veldje bloeiende margrieten ontdekte, bedacht ze dat oma die ook wel heel erg mooi zou vinden. Zo dwaalde ze steeds verder af en vergat de tijd.
De wolf draafde intussen naar oma's huis en klopte zachtjes op de deur. "Wie is daar?" De wolf schraapte zijn keel. "Roodkapje!" zei hij met een hoog stemmetje. "Ik heb wijn en appels en lekkere peperkoek voor u." "Je kunt er zo in, lieverd!" riep Roodkapjes oma. De wolf opende de deur, liep zonder een woord te zeggen naar de bedstee en schrokte de oude vrouw zo vlug naar binnen, dat ze niet eens de tijd had om "o, hemeltje!" te zeggen. Toen haalde hij één van haar nachtponnen uit de kast, zette haar slaapmuts op, kroop in de warme bedstee en trok de gordijntjes dicht.
Roodkapje had intussen zoveel bloemen geplukt, dat ze ze bijna niet meer dragen kon. Toen ze eindelijk opkeek en zag dat de zon al achter de boomtoppen was verdwenen, schrok ze. Het was vast al heel laat! En ze moest voor donker thuis zijn! Zo vlug ze kon rende ze naar oma's huisje. De deur stond open. Dat was vreemd. En binnen leek ook alles anders, hoewel ze niet kon zeggen waarom. Roodkapje voelde een rilling langs haar rug.
"Daar ben ik!" riep ze. Er kwam geen antwoord. Roodkapje liep op haar tenen naar de bedstee en schoof de gordijntjes weg. Daar was oma. Ze had de dekens tot haar kin opgetrokken en haar slaapmuts zat een beetje scheef. Eigenlijk zag ze er heel wonderlijk uit. "Omaatje?" "Ja mijn kind?" "Ik... wat klinkt uw stem raar." "Ik heb griep schat, ik ben een beetje hees van het hoesten." "En oma, wat hebt u een grote oren." "Daar kan ik je beter mee horen, mijn duifje." "En wat hebt u grote ogen, oma." "Dan kan ik je beter zien, mijn kind." "En, o, wat een grote handen!" "Daar kan ik beter mee knuffelen, mijn hartje." "En oma?" "Mmmm?" "Zulke grote tanden!" "Daar kan ik je beter mee opeten!" Nauwelijks had de wolf dat gezegd, of hij sprong uit bed en slokte Roodkapje in één hap op. Toen zuchtte hij voldaan, kroop kreunend van genot in de bedstee terug en snurkte al spoedig zo hard, dat het theeservies op tafel ervan rammelde.
Niet lang daarna tikte er iemand op het venster. Het was de jager, die wel vaker even binnenwipte om een kopje thee te drinken en een babbeltje te maken. "Grote hemel, wat snurkt de oude dame," zei de jager bij zichzelf. "Zou dat wel in orde zijn? Ik zal maar eens even gaan kijken." Hij stapte het huisje binnen en keek in de bedstee. Daar lag de wolf, waar hij al zo lang op geloerd had. "Zo," mompelde de jager, "ben je daar, oude schurk. Je ziet eruit of je iets teveel gegeten hebt. Heb je misschien een oud dametje verschalkt? Laten we maar eens kijken." Hij knipte zijn zakmes open. Natuurlijk deed hij alles heel voorzichtig, want als de wolf wakker werd, zag het er niet best voor hem uit. Daar bewoog al iets. Nee maar, het was een klein rood mutsje! "Ben jij daar ook, Roodkapje?" vroeg de jager. "Ja," zei Roodkapje en daar stond ze al op de grond, helemaal bleek van angst en benauwdheid. "We zijn nog niet klaar Roodkapje," zei de jager. "Help eens een handje." "Was dat schrikken," zei oma even later, toen ze veilig en ongedeerd in haar schommelstoel bij het raam zat. "Hèhè. Wie wil er een kopje thee?" "Moment, mevrouwtje," mompelde de jager. "Kijk, ik vul hem op met stenen... en nu naai ik hem weer dicht. Dat zal hij niet lekker vinden, als hij wakker wordt." Nee, dat vond de wolf inderdaad niet lekker. Hij werd wakker, keek een ogenblik verbijsterd om zich heen en viel toen dood uit de bedstee. "Die neem ik straks wel mee," zei de jager tevreden.
"Hier jager," zei Roodkapjes oma, terwijl ze naar de kast liep. "Een lekkere dikke sigaar. Die hebt u wel verdiend. Hè, wat had ik het benauwd. Willen jullie wel geloven dat ik mijn griepje helemaal kwijt ben?" De jager lachte en knipte een puntje van zijn sigaar. En Roodkapje dacht: Nooit, nooit ga ik meer van het pad af als mama zegt dat het niet mag!
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Bron
KB: KW XKR 5151
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Bevat Doornroosje, Roodkapje, De wolf en de 7 geitjes, De Indische waterlelies, Hans en Grietje
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
