Hoofdtekst
Op een dag zei haar moeder: 'Kom Roodkapje, hier is een koek en een fles wijn, die je naar grootmoeder moet brengen. Ze is ziek en zwak en ze zal hier heel blij mee zijn. Kleed je netjes aan en zorg dat je al op weg bent vóór het te warm wordt. Als je in het bos bent, moet je zorgen dat je niet van de weg afdwaalt, anders zou je vallen en dan zou de fles wijn kunnen breken. Als je in de hut komt, vergeet dan niet 'goedemorgen' te zeggen en ga niet meteen overal rondsnuffelen.' 'Ik zal het heus allemaal goed doen', beloofde Roodkapje. Moeder liep met haar dochter mee tot aan het tuinhek en bleef haar nawuiven, tot ze bij de eerste bocht in de weg uit het oog verdween.
De zon scheen warm vanuit een blauwe hemel, de vogels tsjilpten hun ochtendliedje en Roodkapje voelde zich echt opgewekt. Aan haar arm droeg ze een mandje met geschenken voor grootmoeder. Grootmoeder woonde verderop in het bos en je moest wel een half uur lopen voor je het rode dak van haar huisje door de bomen kon zien. Toen Roodkapje het bos in liep, ontmoette zij de wolf. Het meisje wist niet wat voor slecht dier dat was en daarom was ze er ook helemaal niet bang voor. 'Goedemorgen, Roodkapje', zei de wolf vriendelijk. 'Goedemorgen, meneer de wolf', antwoordde Roodkapje beleefd. Waar moet jij zo vroeg naartoe, vroeg de wolf. 'Naar grootmoeder, antwoordde Roodkapje. 'Wat heb je daar in dat mandje?' wilde de wolf weten. ‘Koek en een fles wijn,’ zei het meisje. We hebben gisteren wat gebakken voor mijn zieke grootmoeder, zodat ze vlug beter kan worden.' 'Zeg, Roodkapje,' vroeg de wolf nieuwsgierig, 'waar woont je grootmoeder eigenlijk?' ‘Nog een kwartiertje verder lopen in het bos, onder de drie grote eiken, daar staat haar huis,’ zei Roodkapje.
De slechte wolf dacht bij zichzelf:" Dat kleine, jonge ding zal me nog veel lekkerder smaken dan het oudje. Maar ik moet zo slim zijn dat ik ze allebei te pakken krijg.' Daarom zei hij: 'Roodkapje, waarom kijk je toch niet om je heen naar al die mooie bloemen? Ik geloof dat je zelfs niet hoort hoe leuk de vogeltjes zingen. Je loopt zo snel en kijkt recht voor je uit. Je ziet niet eens hoe mooi het bos wel is!' Roodkapje keek omhoog en zag de gouden zonnestralen door de bomen. Plots rook ze de bloemen veel sterker dan tevoren. Toen dacht het meisje: 'Als ik nu eens een mooie bos verse bloemen pluk, daar zal grootmoeder vast wel blij mee zijn. En het is nog zo vroeg; ik zal nog wel op tijd komen.' Terwijl ze dat bedacht, liep ze al van de weg af naar een plek waar heel veel prachtige bloemen groeiden. De bijen zoemden en klein Roodkapje plukte bloemen. Maar elke keer zag ze een mooiere, waar ze dan naartoe rende, zodat ze steeds dieper het bos in liep. Daar zag ze ook haasjes en eekhoorntjes. De dieren waren heel verbaasd en ze hadden graag willen weten wat dat kleine meisje zo ver in het bos deed. Maar omdat Roodkapje zo blij tussen de bloemetjes rondsprong, dachten ze niet aan slechte dingen en zwegen ze maar.
Ondertussen was de wolf bij grootmoeders huisje aangekomen en toen hij merkte dat het oude vrouwtje helemaal alleen was, klopte hij aan. 'Wie is daar?' vroeg grootmoeder. 'Ik ben het, Roodkapje! Ik heb koek en wijn voor u, doet u maar gauw open!' 'De deur is niet op slot', riep grootmoeder. 'Ik ben te zwak om zelf open te doen.' De wolf gooide de deur open, stapte zonder één woord recht op het bed van grootmoeder af, pakte de verschrikte vrouw beet en verslond haar met huid en haar. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar slaapmuts op en ging in haar bed liggen.
Toen Roodkapje zo'n grote bos bloemen bij elkaar had, dat ze die nog maar nauwelijks kon dragen, dacht ze plots aan haar grootmoeder. Ze schrok omdat het al heel laat geworden was. Ze liep terug naar de weg en rende zo vlug mogelijk naar oma's huis. Maar het pad zat vol kuilen, en de bloemen en het mandje waren nu echt zwaar voor haar geworden. Erg vlug kwam ze niet vooruit en alles was veranderd; de vogels zongen niet meer en de zon had zich achter een zwarte wolk verscholen. Het meisje werd een beetje bang, zo alleen in het bos, en ze wou dat ze al bij grootmoeder was. Toen ze eindelijk het huisje tussen de stammen zag, was ze verbaasd dat de deur openstond.
Toen ze de kamer binnenkwam, vond ze het zo vreemd, dat ze dacht: 'Wat gek, anders kom ik zo graag bij grootmoeder en nu voel ik me hier niet op mijn gemak.' Ze riep: 'Goedendag!' Maar er kwam geen antwoord. Daarop liep ze door naar het bed: daar lag grootmoeder. Ze had haar slaapmuts ver over haar gezicht getrokken en zag er eigenlijk heel vreemd uit. 'Grootmoeder,' zei Roodkapje, 'wat heeft u grote oren!' 'Dan kan ik je beter horen!' 'Maar grootmoeder, wat heeft u grote handen!' 'Dan kan ik je beter grijpen!' 'Maar... maar, grootmoeder, wat heeft u een ontzettend grote mond!' 'Dan kan ik je beter opeten!' Nauwelijks had de wolf dat gezegd of hij sprong uit het bed en verslond het arme Roodkapje. Toen de wolf zijn honger had gestild, ging hij weer in het bed liggen en lag even later te snurken.
Op dat ogenblik kwam de jager voorbij het huis en die dacht: 'Wat snurkt dat oude vrouwtje! Ik zal maar even gaan kijken hoe het met haar is.' Toen hij voor het bed stond, zag hij dat de wolf daarin lag. 'Zo, zo, hier ben je dus, jij schurk!' zei de jager. 'Ik ben al een hele tijd naar jou op zoek.' Hij wilde zijn geweer nemen, maar bedacht plotseling dat de wolf grootmoeder wel eens opgegeten zou kunnen hebben en misschien was ze nog te redden. Hij schoot dus niet, maar pakte een mes en begon de buik van de wolf open te snijden. Na een paar sneden zag hij een rood mutsje en na nog een paar sneden sprong Roodkapje uit de buik en riep: 'Oh, wat ben ik bang geweest, het was zo donker in het lichaam van de wolf!' En toen kwam de oude grootmoeder ook levend te voorschijn, al kon ze nauwelijks op adem komen van de opwinding.
Maar Roodkapje haalde snel een paar stenen, die ze daarna in de buik van de wolf vastnaaide. En toen de boze wolf wakker werd, wilde hij uit bed springen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij dood neerviel. Toen waren ze alle drie heel blij. De jager kon de peis van de wolf goed gebruiken. Grootmoeder sneed voor de jager en Roodkapje een groot stuk van de koek, dat ze met veel smaak oppeuzelden. De jager schonk voor grootmoeder een glas wijn in en met elke slok begon ze er beter uit te zien. Ook zij smulde lekker van de koek. Wat was Roodkapje blij dat haar grootmoeder weer beter was.
Toen wilde de jager weten hoe alles gebeurd was, en Roodkapje vertelde hem over haar ontmoeting met de wolf en hoe vriendelijk hij was en hoe hij haar op de vogeltjes en de bloemen had gewezen. 'Ja, ja,' zei de jager, 'de wolf was een slimmerd!'
Tegen de avond namen de jager en Roodkapje afscheid van grootmoeder. De man nam het meisje bij de hand en bracht haar door het bos naar huis, want het werd al donker. Moeder had zich al zorgen over haar dochtertje gemaakt, want ze was nog nooit zo lang weggebleven. Roodkapjes moeder stond bij het tuinhek en toen ze het kind en de jager om de hoek van de weg zag komen, rende ze hen tegemoet en nam haar dochtertje in haar armen. Roodkapje heeft haar moeder het hele verhaal verteld en haar beloofd nooit meer van het rechte pad af te dwalen. En van toen af heeft ze haar belofte gehouden.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Bron
KB: 5244567
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
J.21.5   
Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
