Hoofdtekst
Het was wasdag op de boerderij. Een warme bries woei over de heuvels, en een rood kapje en rode mantel wapperden aan de waslijn. Huppelend kwam er een klein meisje uit het huis om de was binnen te halen. Eerst haalde ze de wasknijpers van haar rode kapje. Ze trok het over haar donkere krullen en bond de riempjes onder haar kin dicht. Toen pakte ze de mantel van de lijn en deed die ook om. Het kleine meisje was zo dol op haar rode kapje en mantel, dat ze die de hele tijd droeg, behalve als haar moeder aandrong om ze absoluut eens te wassen. Daarom noemde iedereen haar altijd Roodkapje. Het meisje haalde de rest van het wasgoed van de lijn, en ging terug naar binnen. In de keuken hing de warme geur van gebak.
De moeder van Roodkapje was aan tafel bezig een mand te vullen met eten. Ze deed er vers gebakken cake in, wat fruit, zachte, romige kaas en een pot met honing. 'Voor wie is dat, moeder?' vroeg Roodkapje vrolijk. 'Dat is voor je grootmoeder', antwoordde haar moeder. 'Ze voelt zich niet zo lekker. Dit eten zal haar goed doen.' 'Zal ik het haar brengen?' stelde Roodkapje voor. 'Ik kan een tijdje bij haar blijven om haar op te vrolijken.' 'Wat een schitterend idee', stemde moeder in. 'Wat ben je toch een zorgzaam meisje.' Ze gaf de mand met eten aan haar dochter en zette haar rode kapje op haar hoofd recht. 'Nu moet je wel voorzichtig zijn en direct naar haar huis toe gaan', zei ze. 'En vergeet niet wat ik je heb geleerd: ga nooit van het pad af, en praat nooit, maar dan ook nooit, met vreemden.' 'Beloofd', antwoordde Roodkapje. Ze gaf haar moeder een dikke zoen.
Daarna ging ze op pad, naar het huisje van haar grootmoeder in het bos. Roodkapje zwierde met de mand en neuriede vrolijk een liedje terwijl ze het pad afliep. Het was een prachtige lenteochtend. De zon scheen, de vogels floten en de lucht was gevuld met de zoete geur van bloemen. Ze was al honderden keren naar het huisje van haar grootmoeder geweest, maar ze was er nog nooit eerder alleen naartoe geweest. Hoe dieper ze het bos in kwam, hoe groter en dreigender de bomen leken. En hoe donkerder het werd in het bos. Roodkapje begon zich wat ongemakkelijk te voelen. Ze beeldde zich in dat allerlei vreemde wezens in de schaduw op de loer lagen. In plaats van te huppelen, begon ze stevig door te lopen. En in plaats van te lopen, begon ze te rennen.
Ze was zo gehaast, dat ze bijna tegen een jager opbotste. 'Goeiemorgen, Roodkapje', zei hij vriendelijk. 'Wat doe jij in het bos vandaag?' Roodkapje glimlachte. Ze vond de jager aardig, en was opgelucht om een vertrouwd gezicht te zien. 'Mijn grootmoeder voelt zich niet zo best. Ik breng haar vandaag deze mand met eten', vertelde ze. 'Dit is de eerste keer dat ik er alleen naartoe ga', voegde ze eraan toe. 'Wat een lief, dapper meisje ben je toch', zei de jager. 'Ik ga ook die kant op. Als je wilt, kunnen we samen verder lopen.' 'Dat zou fantastisch zijn', juichte Roodkapje. Nu de jager bij haar was, leek het bos al veel minder donker en angstaanjagend.
'En wat doe jij vandaag in het bos ?' vroeg ze aan de jager. 'Ik zit achter een grote, boze wolf aan', antwoordde hij. 'Het is een vreselijke lastpak. Hij sluipt binnen op de boerderijen, vernielt de moestuintjes en steek de dieren.' 'Hemeltje', stamelde Roodkapje. 'Ik hoop dat je hem snel te pakken krijgt.' Al gauw kwamen ze bij een splitsing. 'Hier moet ik afslaan naar het huisje van mijn grootmoeder', zei Roodkapje. 'Bedankt dat je met me mee wou wandelen. Vanaf hier zal het me wel alleen lukken.' Dus nam de jager afscheid en zette zijn zoektocht verder.
Nu ze weer alleen was, keek Roodkapje om zich heen. 'Zo'n prachtige dag', dacht ze. 'En mijn arme grootmoeder ligt ziek in bed. Een mooie bos bloemen zal haar zeker veel plezier doen.' Ze vergat wat haar moeder zei, en verliet het pad toen ze een mooie bos wilde hyacinten zag staan. Ze plukte er eentje, en zag toen verderop knalgele narcissen in de zon haar toeknikken. Telkens wanneer ze een bloem afplukte, zag ze verderop een nog mooiere bloem staan. Zo liep ze dieper en dieper het bos in, weg van het pad.
Het meisje was zo druk in de weer om bloemen te plukken, dat ze de wolf bijna omver liep. Met een gilletje strompelde ze achteruit. Ze had nog nooit een echte wolf gezien. 'Goeiemorgen, kleine meid', sprak de wolf. 'Wat doe jij hier helemaal alleen in dit donkere bos?' 'Sorry', antwoordde Roodkapje nerveus. 'Ik mag eigenlijk niet met vreemden praten. Zeker niet met grote, boze wolven.' 'Maar ik ben geen grote, boze wolf', loog hij grijnzend. 'Ik ben een lieve, vriendelijke wolf. Eigenlijk is de jager mijn vriend.' De wolf leek zo charmant en beleefd, dat Roodkapje dacht dat het geen kwaad kon om met hem te praten. Ze begon te vertellen: 'Mijn grootmoeder woont in een huisje hier vlakbij. Ze voelt zich niet zo best, daarom breng ik haar deze mand met eten, en ben ik een bos bloemen aan het plukken voor bij haar bed.' 'Wat een lief meisje ben je toch', sprak de wolf.
Hij likte aan zijn lippen, en dacht: 'Wat een lekker hapje zou ze toch zijn. Als ik vóór haar bij het huisje van die oude vrouw aankom, kan ik het meisje en haar grootmoeder opeten.'
'Kijk eens wat een mooie boterbloemen daar staan', zei de wolf, 'en die madeliefjes, daar, wat verderop. Zouden die niet prachtig staan in jouw boeketje?' ‘O, ja', zei Roodkapje. En ze rende ernaartoe om er een paar af te plukken. De wolf keek toe hoe het meisje tussen de bomen verdween. '
Toen liep hij snel naar het huisje van haar grootmoeder, en klopte op de deur. 'Wie is daar?' vroeg een broze stem in het huisje. 'Ik ben je kleindochter', sprak de wolf met zijn zoetste meisjesstem. 'Ik heb een mand met eten meegebracht.' 'Wat een lief meisje ben je toch, Roodkapje', riep de oude vrouw terug. 'Kom maar binnen. Ik ben te zwak om uit bed te komen.' De wolf duwde de deur open en stormde het huisje binnen. Zonder nog een woord te verspillen, liep hij recht op de oude vrouw af en slokte haar op. De wolf boerde luid. 'Nu moet ik alleen nog op het kleine meisje wachten', dacht hij. Hij keek rond in het huisje van de oude vrouw, op zoek naar een plaats om zich te verstoppen. Hij probeerde onder de tafel te kruipen, maar die was te laag. Hij probeerde in de kast te kruipen, maar die was te smal. Toen kreeg hij een idee. De grote, boze wolf sloeg de sjaal van de oude vrouw om zijn schouders, zette haar bril zijn neus, duwde haar slaapmuts over zijn oren en kroop in haar bed met de sprei tot onder zijn neus opgetrokken. Hij kwijlde uit zijn mond, en zijn maag rammelde terwijl hij lag te wachten tot zijn volgende maaltijd eraan kwam.
Het was al bijna etenstijd toen Roodkapje zoveel bloemen had verzameld dat ze die nog nauwelijks kon dragen. Snel keerde ze via haar voetstappen terug naar het pad, en haastte zich naar het huisje van haar grootmoeder. Voor het huisje bleef Roodkapje stokstijf staan. 'Wat raar', dacht ze. 'Grootmoeder heeft niet de gewoonte om haar voordeur open te laten staan.' Ze klopte op de open deur. 'Wie is daar?' riep een gesmoorde stem. 'Ik ben het, Roodkapje', antwoordde ze. Ze stapte naar binnen en deed de deur achter zich dicht. 'Ik heb een mand met eten meegebracht en een bos bloemen geplukt', zei ze. 'Wat ben je toch een lief meisje', sprak een stem van onder de dekens. 'Wat vreemd', dacht Roodkapje. 'Grootmoeder moet wel erg ziek zijn. Ze klinkt helemaal niet goed.'
Toen ze naar het bed toe stapte, ging er een schok door haar heen. Haar grootmoeder zag er ook helemaal niet goed uit. 'Maar grootmoeder, wat heb je toch grote oren', zei Roodkapje. 'Dan kan ik je beter horen', klonk het gedempte antwoord. 'En wat heb je grote ogen', ging Roodkapje onzeker verder. 'Dan kan ik je beter zien', zei de wolf. Hij ging wat rechter zitten in bed en glimlachte breed al zijn tanden bloot. 'En wat heb je grote tanden', stamelde Roodkapje gealarmeerd. 'Dan kan ik je beter opeten!' tierde de wolf. Met een sprong was hij uit bed en slokte het meisje met huid en haar op. Tevreden streelde de wolf zijn dikke, bolle buik, en boerde opnieuw. 'Nu wil ik wel een dutje doen', geeuwde hij. Zo klom hij weer in bed en viel in een diepe slaap.
Korte tijd later kwam de jager voorbij. 'Ik ga eens kijken of de oude vrouw iets nodig heeft', dacht hij bezorgd. Zachtjes klopte hij op de deur. Maar het enige antwoord dat hij hoorde was een luid gesnurk. 'Ik heb nog nooit een oude vrouw zo horen snurken', dacht de jager. 'Ik kan maar beter eens gaan kijken of alles in orde is met haar.'
Hij gluurde door het raam. Op het bed lag de grote, boze wolf te snurken. 'Eindelijk, nu heb ik hem!' riep de jager. Hij sloop naar binnen in het huisje. Van Roodkapje en haar grootmoeder was echter geen spoor te bekennen. 'Zou de wolf hen hebben opgegeten?' vroeg hij zich af. 'Als dat zo is, dan kan ik hen misschien redden.' Hij nam een grote schaar die op de kast lag, en begon de dikke buik van de wolf open te snijden. Knip. Een stukje rode stof verscheen. Knipknip. Daar sprong Roodkapje tevoorschijn. Knip-knip-knip. Nu kwam grootmoeder naar buiten. Ze leek erg in de war. 'Dank je dat je ons hebt gered', huilde Roodkapje. Ze vloog de jager om de bals. 'Het was helemaal niet prettig daarbinnen.'
Terwijl de wolf nog sliep, kwamen ze op een sluw plan. De jager verzamelde een grote stapel stenen. Roodkapje duwde die in de buik van de wolf. Daarna naaide grootmoeder de buik weer dicht. 'Dat zal die vervelende wolf een lesje leren dat hij niet snel zal vergeten', verklaarde de jager.
Op dat moment werd de wolf wakker. 'Verdorie, ik heb vast iets gegeten dat mij niet is bevallen', gromde de wolf, terwijl hij over zijn buik wreef. 'Ik heb een vreselijke buikpijn.' Toen de wolf uit bed rolde, rammelden de stenen luid in zijn buik. 'Wat heb ik toch?' vroeg de wolf zich af. 'We hebben stenen in je buik genaaid', giechelde Roodkapje. 'Nu zal iedereen je horen komen. Nu zal het je niet meer lukken om rond te sluipen en ooit nog dieren te gaan stelen.' De wolf was razend. 'Jullie zijn nog sluwer dan ik', klaagde hij.
Strompelend verdween hij het bos in, mopperend en klagend, terwijl de stenen in zijn buik door elkaar rammelden. Nu zijn buik vol stenen zat, moest de wolf wel anders gaan leven. Hij maakte zoveel lawaai als hij voorbijkwam, dat de plaatselijke boeren hem betaalden om als vogelverschrikker in de velden te werken.
En sinds die dag vergat Roodkapje nooit meer wat haar moeder haar had geleerd: niet van het pad afdwalen, en nooit ofte nimmer met vreemden praten - vooral niet met grote, boze wolven.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Bron
KB: KW XKW 2737
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.   
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Oorspr. titel en uitg. Usborne Illustrated Grimm's Fairy Tales. London: Usborne, 2010
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
