Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE362 - Roodkapje

Een sprookje (boek), 1905

Hoofdtekst

Roodkapje.
Er was eens een jong meisje, dat op een klein dorp woonde. Zij was zoo lief en zoo aardig en had zoo een fijn en vriendelijk gezichtje als men zich dit maar kon voorstellen. Zij had blonde haren, blauwe oogen, bollige wangen en was altijd vroolijk en opgeruimd. Hare moeder had haar dan ook zeer lief en hare grootmoeder niet minder. Deze goede vrouw liet haar een rood kapje maken, met hetwelk zij er nog veel liever uitzag dan vroeger en dat haar zoo mooi stond, dat men haar overal Roodkapje noemde.
Niettegenstaande Roodkapje een aardig een aanminnig kind was, had zij één groot gebrek namentlijk dat zij lichtzinnig en zonder nadenken was, waardoor ze dikwijle verzuimde op te letten wat moeder haar vertelde en zoodoende nog al eens wat vergat. Haar moeder zag dit niet zonder bezorgdheid; doch daar Roodkapje anders niet ongehoorzaam, niet knorrig of eigenzinnig, maar altijd aardig en gewillig was, zag zij de kleine fouten, die het meisje beging, maar liefst door de vingers en dacht: als Roodkapje ouder en verstandiger wordt, zal dat ook wel anders worden; dikwijls echter kan eene enkele fout bitter treurige gevolgen hebben, en dat zou de goede moeder ondervinden.
Eens op een dag had hare moeder wafelen gebakken, en zeide toen tot haar: "Ga eens zien hoe uwe grootmoeder vaart, ik heb gehoord dat zij ziek is; breng haar met-een deze wafelen en dit potje met boter, vraag hoe het met grootmoeder is en zeg haar dat ik hoop dat de wafelen recht lekker zullen smaken. Daar 't evenwel van avond al te laat zal wezen, om weer naar huis te komen moet gij van nacht maar bij grootmoeder blijven slapen. Zorg echter, dat ge u onder weg niet ophoudt want dan kan in het bosch u allicht de booze Wolf ontmoeten en u opeten. Goede reis dan, mijn lievert, en vooral de complimenten aan Grootmoeder." Roodkapje danste van blijdschap, dat ze naar Grootmoeder toe mocht, want dat was altijd een groot feest voor haar.
Zij gaf hare moeder tot afscheid een hartelijke zoen, hing het potje met boter in den linkerarm, het bordje met wafels aan de linkerhand en stapte zoo het dorp door, niet weinig tevreden dat zij al zulk verre boodschap mocht doen. Toen ze het laatste huis voorbij was, lag het heideveld met zijne duizend en duizenden bloempjes voor haar en onder den grooten eikenboom, die daar ergens op eene hoogte stond, waren veel kinderen aan het spelen en dansen, en verheugde zich in de lieve lentezon, die zoo kostelijk scheen. Nauwelijks kregen deze kleinen Roodkapje in het oog, of zij kwamen op haar toetrippelen want allen hielden evenveel van haar en roemden, dat zij er zoo lief uitzag, en wilden weten wat zij op haar bordje en in haar potje had. "Kom, Roodkapje, dans met ons!" -- "Kom, een ommezientje dan, maar dan moet ik weg." dacht zij bij haar zelve, zette het bordje en potje onder den boom neer, en ging vroolijk met de overigen aan het dansen. Zoo doende vergat zij dan spoedig de waarschuwing, die hare moeder haar gegeven had. Daar op eens, te midden van al de pret, begon nu echter in het dorp de avondklok te luiden. Nu zeiden de kinderen Roodkapje allen vriendelijk goeden avond, wenschten haar goede reis, en haastten zich om weder bij vader en moeder te komen.
Thans stond Roodkapje alleen op het weideveld, zag de zon ondergaan, en begon angstig te worden, zoodat ze bijna niet wist, wat ze doen zou. Spoedig echter stelde het lichtzinnige kind zich ook alweer gerust en dacht: ik wil maken, dat ik op een drafje door het bosch kom; 't zou wel raar wezen, als ik dien leelijken wolf ook zoo dadelijk tegenkwam.
Zoo deed zij dan ook, en ging loopen wat zij kon. Het bosch werd nochthans al dichter en donkerder; met moeite drong zij tusschen de dichte struiken door, en hijgde van benauwdheid en haast, toen de grimmige wolf eensklaps voor haar stond. Hij had wel grooten lust om haar op te eten, maar durfde dit toch niet te doen, omdat er eenige houthakkers in het bosch waren. Met doffe stem vroeg hij haar waar zij naar toe ging, terwijl zijne groene oogen als gloeiende kolen vonkelden. Het arme kind, dat niet wist hoe gevaarlijk het is om met een wolf te blijven staan praten, antwoordde:
-- Ik ga naar mijne grootmoeder, om eens te zien hoe zij het maakt, en om haar deze wafelen en dit potje met boter te brengen, dat moeder haar zendt.
-- Woont zij nog ver van hier? vroeg de Wolf.
-- O ja, dat geloof ik, antwoordde Roodkapje: ginds voorbij de molen, dien gij daar heel in de verte ziet staan, in het eerste huis van het dorp.
-- Wel zoo, hernam de Wolf, ik wil haar ook eens opzoeken; doch ik ga dien weg, en dan moest gij langs dezen gaan: dan zullen wij eens zien wie er het eerste is.
De Wolf, die den kortsten weg had gekozen, liep zoo hard als hij maar kon, terwijl Roodkapje, die den langsten weg ging, zich onderweg nog ophield met hazelnoten te zoeken, bloempjes te plukken en kapelletjes te vangen.
Zoodra de Wolf bij grootmoeder voor de deur was, klopte hij aan. Klop, klop, klop!
-- Wie is daar?
-- Ik ben het grootmoeder! uwe kleindochter Roodkapje, riep de Wolf, de stem van het meisje nabootsende, ik kom u wafelen en een potje met boter brengen, dat moeder u zendt.
De goede grootmoeder, die in bed lag, omdat zij wat ongesteld was, antwoordde:
-- Trek dan maar aan de klink, dan zal de deur wel opengaan.
De Wolf trok aan de klink en de deur ging open. Dadelijk sprong hij bij het grootje op het lijf en at haar met huid en haar op of het niets was want hij had wel in geen drie dagen eten gehad.
Vervolgens deed hij de deur dicht, zette grootmoeders muts op, ging in haar bed liggen, en wachtte zoo Roodkapje af, die kort daarna insgelijks aan de deur klopte. Klop, klop!
-- Wie is daar?
Roodkapje hoorde de grove stem van den Wolf, en werd eerst bang; maar zij dacht, dat grootmoeder verkouden was en antwoordde:
-- Ik ben het, grootmoeder! uwe kleindochter Roodkapje: ik kom u wafelen en een potje met boter brengen dat moeder u zendt.
-- Trek dan maar aan de klink, dan zal de deur wel opengaan, hervatte de Wolf met een wat zachter gemaakte stem.
Roodkapje trok aan de klink en de deur ging open. Toen de Wolf haar zag binnenkomen, kroop hij onder de dekens, en zeide:
-- Zet de wafelen en de boter maar op de tafel en kom dan maar bij mij in bed.
Roodkapje ontkleedde zich en ging te bed; maar hoe was zij verwonderd, toen zij gewaar werd, dat grootmoeder er in bed zoo vreemd uitzag.
-- Grootmoe! zeide zij wat heeft U lange armen!
-- Dat is om u dest te beter te kunnen omhelzen, kind lief!
-- Grootmoe! wat heeft U lange beenen!
-- Dat is om des te beter te kunnen loopen, mijn kind!
-- Grootmoe! wat heeft U groote ooren!
-- Dat is om des te beter te kunnen hooren, kind!
-- Grootmoe! wat heeft U groote oogen!
-- Dat is om des te beter te kunnen zien.
-- Grootmoe! wat heeft u groote tanden!
-- Ja, en die zijn om u op te eten.
En de bloeddorstige Wolf zou aan zijn voornemen ook gevolg gegeven hebben -- hij begon al te watertanden, dat hem zulk een malsch hapje te wachten stond, want de oude grootmoeder was erg taai geweest -- zoo niet op eenmaal de deur met geweld geopend was geworden en eenige houthakkers, met scherpe bijlen gewapend, het vertrek waren binnen getreden, om daarmede den Wolf van kant te maken.
Het was hoog tijd, want de Wolf had zijn bek al geopend om Roodkapje op te eten, toen een der houthakkers hem met zijn bijl den kop in tweeën spleet.
Het waren goede menschen, die houthakkers, die, toen zij eerst den Wolf het huisje hadden zien binnengaan en kort daarop Roodkapje, erg omtrent het lieve meisje, dat zij zoo dikmaals in het bosch ontmoet hadden, bevreesd waren geworden, zoodat zij onmiddelijk besloten het huisje binnen te gaan, om zoo nodig het leven van het lieve kind te redden.
O, wat was Roodkapje blijde, dat zij aan het gevaar ontkomen was. Zij was dan ook zeer dankbaar en verdeelde de wafeltjes onder de houthakkers.

Onderwerp

ATU 0333 - Little Red Riding Hood    ATU 0333 - Little Red Riding Hood   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Ondanks de waarschuwing van moeder om onderweg naar grootmoeder niet te treuzelen plukt Roodkapje bloemen en speelt ze tot de avond met kinderen. In het bos ontmoet ze de wolf die haar niet meteen durft op te eten vanwege houthakkers die aan het werk zijn. Op de vraag van de wolf waar ze naar toe gaat, vertelt Roodkapje dat ze naar grootmoeder gaat. De wolf stelt voor om te doen wie het eerst bij grootmoeder is. Hij neemt de kortste weg, Roodkapje de langste en treuzelt onderweg. De wolf klopt bij grootmoeders huis aan, doet de stem van Roodkapje na, kan binnenkomen, eet grootmoeder op, zet haar muts op en gaat in bed liggen. Op het kloppen van Roodkapje doet hij grootmoeders stem na, Roodkapje kleedt zich uit om bij grootmoeder in bed te gaan liggen, verbaast zich over armen, benen, ogen, oren en tanden van grootmoeder, waarop de wolf haar wil opeten. Op dat moment komen houthakkers binnen, waarvan één de wolf met zijn bijl doodslaat.

Bron

Roodkapje; De toovergodin. Amsterdam: Cohen, [ca. 1905]
KB: KW NOM ZA 14 A
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

K1832 - Disguise by changing voice.    K1832 - Disguise by changing voice.   

Commentaar

Naar Charles Perrault
Ills Gustave Doré

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Datum Invoer

2019-05-08