Hoofdtekst
Roodkapje
Er was eens een klein dorpsmeisje, het aardigste kind, dat je ooit zou kunnen ontmoeten. Haar moeder hield dolveel van haar en haar grootmoeder nog meer. Deze goede vrouw had, tegelijk met een schattig jurkje, ook een rood kapje voor haar laten maken, dat haar allerliefst stond. Zóó goed stond het, dat ieder in de omgeving het kleine meisje nooit anders meer dan Roodkapje noemde.
Op zekeren dag, toen haar moeder heerlijke koeken gemaakt had, zei deze tot Roodkapje:
-- Ga eens kijken, hoe grootmoeder het maakt; ik heb bericht gekregen, dat zij ziek was. Ga haar deze koeken brengen en neem dan tegelijk een brood en een potje boter mee. Maar denk er om, als je door het bosch loopt onderweg niet te spelen en met niemand te blijven staan praten.
Roodkapje vertrok, haar mandje met levensmiddelen aan den arm, naar het dorpje waar haar grootmoeder woonde, dat aan den anderen kant van het woud lag.
Roodkapje was wel van plan haar moeder te gehoorzamen, maar toen zij in het bosch was, zag zij daar zooveel bloemen, dat zij grooten lust kreeg er te plukken. Zij aarzelde nog, toen zij den Wolf tegen kwam, die haar zei, dat zij er uit zag om op te eten. Hij had ook wel grooten zin om haar als ontbijt te gebruiken, maar durfde niet, omdat hij niet ver vandaar een houthakker met zijn bijl aan het werk hoorde. Hij vergenoegde zich er dus mee het meisje te vragen, waar zij naartoe ging.
Daar Roodkapje niet wist dat het gevaarlijk was, te blijven staan om naar den Wolf te luisteren, antwoordde zij:
-- Ik ga grootmoeder opzoeken en haar deze koeken en een potje boter brengen, die moeder haar stuurt.
-- Woont zij ver hier vandaan? vroeg de Wolf.
-- Voorbij den molen, dien je ziet wanneer je het bosch uit komt, in het eerste huis van het dorp, antwoordde het meisje zonder argwaan.
-- Wel, zei de Wolf, ik wil haar ook eens gaan bezoeken, ik gan dan langs dezen weg, neem jij een anderen en dan zullen we eens zien, wie van ons er het eerst is.
De Wolf zette het zoo hard hij kon op een loopen en legde den weg dus in heel korten tijd af. Intusschen had Roodkapje, die niet kon nalaten een ruiker voor haar grootmoeder te maken, haar mandje op den grond gezet om bloemen te plukken, die daar in overvloed bloeiden. Zij plukte ook hazelnoten en liep de vlinders na, zoodat zij zich niet in het minst haastte, zooals haar moeder haar geraden had te doen.
De Wolf daarentegen had spoedig het huis bereikt, dat het meisje hem zoo naukeurig had aangewezen. Hij klopt op de deur: Tik-tik!
-- Wie is daar?
De Wolf bootst de stem van het meisje na en antwoordt:
-- Ik ben het, uw kleinkind, Roodkapje, die u koeken en brood en een potje boter van moeder komt brengen.
De goede oude vrouw, die ziek te bed lag, riep:
-- Trek maar aan het touwtje, dan geeft de klink mee.
De Wolf trok aan het trouwtje en de deur ging open.
Terstond wierp het lelijke beest, dat in drie dagen niet gegeten had, zich op de goede vrouw en verslond haar in een oogenblik.
Vervolgens sloot hij de deur en ging in de plaats van de arme grootmoeder te bed liggen. Hij droeg zorg het mutsje der oude vrouw op den kop te zetten en tot op de oogen te trekken, en wachtte aldus Roodkapje af. Deze kwam inderdaad niet zoo heel lang daarna bij het huisje en klopte aan de deur.
Tik-tik!
-- Wie is daar?
Roodkapje, die de zware stem van den Wolf hoorde, was het eerste oogenblik bang, maar bedacht dat haar grootmoeder wel heesch kon zijn en antwoordde:
-- Ik ben het, uw kleinkind, Roodkapje, met koeken en een potje boter, die moeder u stuurt.
De Wolf antwoordde op zachteren toon:
-- Trek maar aan het touwtje, dan geeft de klink mee.
Roodkapje trok en de deur ging open.
De Wolf, die haar zag binnenkomen, verborg zijn kop achter de bedgordijnen en zei nu met een stem, die hij nog zachter trachtte te doen klinken:
-- Zet je koeken en het potje boter maar op de aanrecht en kom bij me op bed zitten.
-- Maar eerst wil ik u mijn mooi boeketje bloemen geven, zei Roodkapje, terwijl zij op het ledikant toeliep en haar gewaande grootmoeder de bloemen toereikte, opdat deze den geur zou kunnen ruiken.
De Wolf, die door zijn begeerigheid alle voorzichtigheid uit het oog verloor, stak zijn kop een beetje naar voren om zijn prooi eens te bekijken. Roodkapje was hoogst verbaasd toen zij haar grootmoeder zoo veranderd zag in haar nachtgewaad, en riep uit:
-- Maar grootmoeder, wat hebt u groote, schitterende oogen!
-- Dat is om beter te kunnen zien, kind.
-- Maar grootmoeder, wat hebt u groote ooren!
-- Dat is om beter te kunnen hooren, kind.
-- Maar grootmoeder, wat hebt u groote armen!
-- Dat is om je beter te kunnen omhelzen, kind.
-- Maar grootmoeder, wat hebt u groote tanden!
-- Dat is om je beter te kunnen verslinden, kind!
En de Wolf sprong op om Roodkapje te verslinden, maar deze sprong verschrikt achteruit en gaf een luiden gil. Doordat de Wolf in de dekens verward zat, kreeg zij gelegenheid de vlucht te nemen.
Toen zij naar buiten snelde, verscheen hier een zwaar gewapende jager, die vergezeld was van twee honden. Deze had een uur tevoren den Wolf naar het huisje van de grootmoeder zien loopen, maar was daarna het spoor bijster geraakt en vreesde al dit niet meer terug te zullen vinden, toen hij opeens de kreten van het kind hoorde.
Toen hij haar luid schreeuwend en met tranen in de oogen uit het huis zag komen, zei hij haar achter hem te gaan staan en bracht het geweer aan den schouder om den Wolf te dooden, zoodra deze zich op den drempel vertoonen zou.
Maar de Wolf bemerkte, dat hij langs dien weg een zekeren dood tegemoet ging en gaf er dus de voorkeur aan door het venster te ontsnappen, evenwel niet zonder eerst door een kogel getroffen te zijn.
Dit verhinderde hem echter niet nog een eind weg te vluchten; maar hij had buiten de honden gerekend, die hem achtervolgd hadden en hem nu, telkens naar hem happend, in de richting van het huis terugjoegen. Om aan de honden te ontkomen, aarzelde de raadelooze wolf niet in den waterput te springen, waar hij in minder dan een minuut ellendig verdronk.
De goede jager nam vervolgens Roodkapje mee naar zijn woning, waar zijn grootmoeder zich bevond. Deze droogde de tranen van het meisje en samen aten zijn de koeken en het potje boter op, die Roodkapje had meegebracht.
Zij dronken ook een grooten beker melk en aten aardbeien, die de jager meegebracht had. Tenslotte bracht de jager Roodkapje naar moeder terug, aan wie hij de vreeselijke geschiedenis meedeelde.
Roodkapje beloofde nooit meer onderweg te zullen treuzelen en vooral nooit meer antwoord te zullen geven aan een wolf, wanneer die haar zou aanspreken.
Er was eens een klein dorpsmeisje, het aardigste kind, dat je ooit zou kunnen ontmoeten. Haar moeder hield dolveel van haar en haar grootmoeder nog meer. Deze goede vrouw had, tegelijk met een schattig jurkje, ook een rood kapje voor haar laten maken, dat haar allerliefst stond. Zóó goed stond het, dat ieder in de omgeving het kleine meisje nooit anders meer dan Roodkapje noemde.
Op zekeren dag, toen haar moeder heerlijke koeken gemaakt had, zei deze tot Roodkapje:
-- Ga eens kijken, hoe grootmoeder het maakt; ik heb bericht gekregen, dat zij ziek was. Ga haar deze koeken brengen en neem dan tegelijk een brood en een potje boter mee. Maar denk er om, als je door het bosch loopt onderweg niet te spelen en met niemand te blijven staan praten.
Roodkapje vertrok, haar mandje met levensmiddelen aan den arm, naar het dorpje waar haar grootmoeder woonde, dat aan den anderen kant van het woud lag.
Roodkapje was wel van plan haar moeder te gehoorzamen, maar toen zij in het bosch was, zag zij daar zooveel bloemen, dat zij grooten lust kreeg er te plukken. Zij aarzelde nog, toen zij den Wolf tegen kwam, die haar zei, dat zij er uit zag om op te eten. Hij had ook wel grooten zin om haar als ontbijt te gebruiken, maar durfde niet, omdat hij niet ver vandaar een houthakker met zijn bijl aan het werk hoorde. Hij vergenoegde zich er dus mee het meisje te vragen, waar zij naartoe ging.
Daar Roodkapje niet wist dat het gevaarlijk was, te blijven staan om naar den Wolf te luisteren, antwoordde zij:
-- Ik ga grootmoeder opzoeken en haar deze koeken en een potje boter brengen, die moeder haar stuurt.
-- Woont zij ver hier vandaan? vroeg de Wolf.
-- Voorbij den molen, dien je ziet wanneer je het bosch uit komt, in het eerste huis van het dorp, antwoordde het meisje zonder argwaan.
-- Wel, zei de Wolf, ik wil haar ook eens gaan bezoeken, ik gan dan langs dezen weg, neem jij een anderen en dan zullen we eens zien, wie van ons er het eerst is.
De Wolf zette het zoo hard hij kon op een loopen en legde den weg dus in heel korten tijd af. Intusschen had Roodkapje, die niet kon nalaten een ruiker voor haar grootmoeder te maken, haar mandje op den grond gezet om bloemen te plukken, die daar in overvloed bloeiden. Zij plukte ook hazelnoten en liep de vlinders na, zoodat zij zich niet in het minst haastte, zooals haar moeder haar geraden had te doen.
De Wolf daarentegen had spoedig het huis bereikt, dat het meisje hem zoo naukeurig had aangewezen. Hij klopt op de deur: Tik-tik!
-- Wie is daar?
De Wolf bootst de stem van het meisje na en antwoordt:
-- Ik ben het, uw kleinkind, Roodkapje, die u koeken en brood en een potje boter van moeder komt brengen.
De goede oude vrouw, die ziek te bed lag, riep:
-- Trek maar aan het touwtje, dan geeft de klink mee.
De Wolf trok aan het trouwtje en de deur ging open.
Terstond wierp het lelijke beest, dat in drie dagen niet gegeten had, zich op de goede vrouw en verslond haar in een oogenblik.
Vervolgens sloot hij de deur en ging in de plaats van de arme grootmoeder te bed liggen. Hij droeg zorg het mutsje der oude vrouw op den kop te zetten en tot op de oogen te trekken, en wachtte aldus Roodkapje af. Deze kwam inderdaad niet zoo heel lang daarna bij het huisje en klopte aan de deur.
Tik-tik!
-- Wie is daar?
Roodkapje, die de zware stem van den Wolf hoorde, was het eerste oogenblik bang, maar bedacht dat haar grootmoeder wel heesch kon zijn en antwoordde:
-- Ik ben het, uw kleinkind, Roodkapje, met koeken en een potje boter, die moeder u stuurt.
De Wolf antwoordde op zachteren toon:
-- Trek maar aan het touwtje, dan geeft de klink mee.
Roodkapje trok en de deur ging open.
De Wolf, die haar zag binnenkomen, verborg zijn kop achter de bedgordijnen en zei nu met een stem, die hij nog zachter trachtte te doen klinken:
-- Zet je koeken en het potje boter maar op de aanrecht en kom bij me op bed zitten.
-- Maar eerst wil ik u mijn mooi boeketje bloemen geven, zei Roodkapje, terwijl zij op het ledikant toeliep en haar gewaande grootmoeder de bloemen toereikte, opdat deze den geur zou kunnen ruiken.
De Wolf, die door zijn begeerigheid alle voorzichtigheid uit het oog verloor, stak zijn kop een beetje naar voren om zijn prooi eens te bekijken. Roodkapje was hoogst verbaasd toen zij haar grootmoeder zoo veranderd zag in haar nachtgewaad, en riep uit:
-- Maar grootmoeder, wat hebt u groote, schitterende oogen!
-- Dat is om beter te kunnen zien, kind.
-- Maar grootmoeder, wat hebt u groote ooren!
-- Dat is om beter te kunnen hooren, kind.
-- Maar grootmoeder, wat hebt u groote armen!
-- Dat is om je beter te kunnen omhelzen, kind.
-- Maar grootmoeder, wat hebt u groote tanden!
-- Dat is om je beter te kunnen verslinden, kind!
En de Wolf sprong op om Roodkapje te verslinden, maar deze sprong verschrikt achteruit en gaf een luiden gil. Doordat de Wolf in de dekens verward zat, kreeg zij gelegenheid de vlucht te nemen.
Toen zij naar buiten snelde, verscheen hier een zwaar gewapende jager, die vergezeld was van twee honden. Deze had een uur tevoren den Wolf naar het huisje van de grootmoeder zien loopen, maar was daarna het spoor bijster geraakt en vreesde al dit niet meer terug te zullen vinden, toen hij opeens de kreten van het kind hoorde.
Toen hij haar luid schreeuwend en met tranen in de oogen uit het huis zag komen, zei hij haar achter hem te gaan staan en bracht het geweer aan den schouder om den Wolf te dooden, zoodra deze zich op den drempel vertoonen zou.
Maar de Wolf bemerkte, dat hij langs dien weg een zekeren dood tegemoet ging en gaf er dus de voorkeur aan door het venster te ontsnappen, evenwel niet zonder eerst door een kogel getroffen te zijn.
Dit verhinderde hem echter niet nog een eind weg te vluchten; maar hij had buiten de honden gerekend, die hem achtervolgd hadden en hem nu, telkens naar hem happend, in de richting van het huis terugjoegen. Om aan de honden te ontkomen, aarzelde de raadelooze wolf niet in den waterput te springen, waar hij in minder dan een minuut ellendig verdronk.
De goede jager nam vervolgens Roodkapje mee naar zijn woning, waar zijn grootmoeder zich bevond. Deze droogde de tranen van het meisje en samen aten zijn de koeken en het potje boter op, die Roodkapje had meegebracht.
Zij dronken ook een grooten beker melk en aten aardbeien, die de jager meegebracht had. Tenslotte bracht de jager Roodkapje naar moeder terug, aan wie hij de vreeselijke geschiedenis meedeelde.
Roodkapje beloofde nooit meer onderweg te zullen treuzelen en vooral nooit meer antwoord te zullen geven aan een wolf, wanneer die haar zou aanspreken.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Roodkapje trekt zich niets aan van de waarschuwing van moeder om onderweg naar grootmoeder niet te treuzelen en met niemand te praten. Ze plukt bloemen in het bos, vertelt de wolf dat ze naar grootmoeder gaat en waar ze woont. De wolf durft haar niet op te eten, want er is een houthakker in de buurt. Hij komt als eerste bij grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, mag binnenkomen, eet grootmoeder op, zet haar muts op en gaat in bed liggen. Na aankloppen van Roodkapje doet de wolf de stem van grootmoeder na, Roodkapje verbaast zich over de armen, ogen, oren en tanden van grootmoeder, waarna de wolf haar wil opeten. Roodkapje kan vluchten, een jager die haar hoort gillen, wil de wolf doodschieten, maar de wolf ontsnapt door een raam. De honden van de jager drijven hem terug naar het huis, waar de wolf in de waterput springt en verdrinkt. Roodkapje belooft voortaan gehoorzaam te zijn.
Bron
Sprookjes van Perrault. [S.l.]: [s.n.], [192-?]
KB: KW XKZ 0533
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: KW XKZ 0533
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
B211.2.4 - Speaking wolf.   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
K1832 - Disguise by changing voice.   
Commentaar
Naar Charles Perrault
Bevat Roodkapje, De schoone slaapster in het bosch, De wolf en de zeven geitjes, De belachelijke wenschen
Bevat Roodkapje, De schoone slaapster in het bosch, De wolf en de zeven geitjes, De belachelijke wenschen
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Datum Invoer
2019-05-08
