Hoofdtekst
Grootmoeder woonde niet bij Roodkapje in hetzelfde huis, o neen! Zij moest wel een half uur lopen, eer zij bij haar lief oud Grootje was; de weg erheen was een smal pad door een hoog, dicht lindenbos.
Op een morgen zei Moeder: “Roodkapje, Grootmoe is ziek geworden en kan niet naar ons toekomen. Nu moet jij haar wat lekkers gaan brengen -- misschien knapt zij daar wel helemaal van op! Kijk eens, ik heb net zulke heerlijke koeken gebakken… als je daar eens wat van meenam... Krijg dat hengselmandje maar uit de kast, dan doe ik er ook nog een fles wijn bij. Dat is versterkend voor Grootmoe... en een potje honing er naast -- nu is het mandje vol. Houd het vooral goed vast, laat de fles niet vallen -- en struikel zelf ook niet. Want anders breekt er iets en dat zou jammer wezen. Blijf vooral op het pad lopen -- zal je niet tussen de struiken gaan? Denk er om dat ik je dat verboden heb, en blijf ook niet te lang bij Grootmoe, want dat zou haar veel te veel vermoeien." "Ik zal om alles denken," zei Roodkapje. Zij deed haar schortje af, nam het mandje met al de lekkere dingen aan haar arm, gaf Moeder een zoen en stapte vrolijk het bospad op.
De zon scheen hier en daar door het bladerdak, vinkjes huppelden over de weg, het vlugge kuifmeesje zong zijn helder liedje, het was een prettige wandeling. Terwijl Roodkapje daar zo voortliep, kwam er een wolf uit een bosje te voorschijn. Roodkapje had nog nooit een wolf gezien of ervan gehoord; zij was dus helemaal niet bang. De wolf zag dat wel en dacht: “Ik zal eerst maar gewoon naast haar gaan lopen en eens wat met haar praten." Met een vriendelijke stem zei hij: “Dag Roodkapje!" en Roodkapje zei lachend: “Dag Mijnheer Grijsjas!" “Waar ga je zo vroeg in de morgen naar toe?" vroeg de wolf. “Ik ga naar mijn Grootmoeder, want die is ziek!” antwoordde Roodkapje. “Och" zei de wolf met een lelijke grijns, “is zij ziek? wat jammer, wat jammer..., moet je nog ver lopen? Waar woont je Grootmoeder eigenlijk?” “Weet u dat niet?" zei Roodkapje verwonderd, “iedereen kent het huisje van mijn Grootmoe -- het staat bij die oude waterput aan het eind van het bospad; wij komen er zo recht op aan." “O,” zei de wolf vergenoegd, nu weet ik het al... ja, bij die pruimeboom, nietwaar? bij dat groene hegje." "Juist, Mijnheer!" zei Roodkapje vriendelijk, "en nu ga ik mijn Grootmoe wat lekkers brengen, koek en wijn en nog een potje honing." "Zo, zo, kind.., nu, dat is goed.., dat zal ze heerlijk vinden. Maar moet je niet een mooi bouquetje voor je Grootmoe plukken? Kijk daar eens bij dat bosje, wat groeien daar mooie blauwe klokjes en dáár -- en dáár -- o, er staan hier zo veel bloemen… ik denk dat Grootmoe die heel mooi zou vinden." "Ja, dat zou ze ook wel,” zei Roodkapje, "maar ik mag van Moeder niet van het bospad afgaan -- hoe kan ik dan die klokjes plukken?" "Kom," zei de wolf, "eventjes maar -- het is gauw gebeurd, en je Moeder ziet het immers niet! Ik ga nu bij je vandaan, want ik moet nog een lange weg afleggen. Ik moet ook op ziekenbezoek, weet je, toevallig ook bij een heel oud, vrouwtje… ik mag me wel haasten!” En meteen draafde de wolf weg.
Roodkapje bleef op het bospad staan. Zou zij nu toch die klokjes maar plukken? En kijk, ginds stonden ook nog mooie wilde roosjes -- dat kon een beeldig ruikertje worden. En dan nog zo'n takje rode meidoorn erbij -- O, maar dáár, tussen die stenen, groeiden daar werkelijk lelietjes der dalen? Daar moest ze toch ook wat van hebben, en van het heerlijk geurende Lieve-vrouwen-bedstro... Zo dwaalde Roodkapje tussen de struiken en plukte maar, plukte maar, tot zij een hele bos bloemen verzameld had, die ze haast niet vast kon houden. Ze wist wel, dat Moeder het niet goed zou vinden.., gauw, gauw moest zij nu weer op het bospad gaan en dan flink doorlopen!
In die tussentijd was de wolf langs een zijwegje voortgehold en stond al spoedig bij Grootmoeders deur, Hij klopte aan. Maar het oudje kon met van haar bed opstaan om te kijken wie er was, en riep: “Wie is daar?" “Roodkapje" riep de wolf met een fijn stemmetje. “Moeder stuurt U lekkere koek en wijn en honing.” “Druk maar op de klink, dan kan je erin komen," riep de oude vrouw. De wolf deed het en liep de kamer in, waar hij de lieve goede Grootmoeder in één hap opslokte. Daarna trok hij haar kleren aan, zette haar nachtmuts op, ging in het bed liggen, en trok de dekens goed omhoog en de bedgordijnen dicht.
Een poos later kwam Roodkapje. Ze drukte op de klink en trad het huisje binnen. Maar toen ze in de kamer in kwam, waar Grootmoe niet op haar stoel zat, vond ze het toch zó vreemd... Ze dacht: “Wat is het hier griezelig... en vroeger was ik hier toch zo graag..." Ze riep: “Dag Grootmoe, hoe is het met U?" “Kom maar hier, bij mijn bed," zei de wolf, zo zacht als hij maar kon. “Och, och, wat is Grootmoeder schor," dacht Roodkapje en ging naar het bed. Ze schoof de bedgordijnen een beetje opzij… daar lag Grootmoeder met de strook van de slaapmuts helemaal over haar neus! O wat zag zij er akelig uit! Wat had ze vreemde, harige oren! “Maar Grootmoeder, wat hebt U grote oren!" riep Roodkapje. “Dat is om je beter te kunnen horen," was het antwoord. En de wolf loerde onder de muts uit. “Maar Grootmoeder, wat hebt U grote ogen! “Dat is om je beter te kunnen zien! “Maar Grootmoeder, wat hebt U bruine handen!” want de wolf strekte zijn poten al uit de mouwen van Grootmoeders nachtjak. “Dat is om je eens lekker te kunnen pakken! zei hij en lachte met een vals gezicht. Nu schrikte Roodkapje... Was dàt haar lieve oude Grootmoe wel? Bibberend zei ze: "Maar Grootmoeder, wat hebt U grote tanden!" "Hap!" zei de wolf en hij slokte ook het kleine Roodkapje in één hap op. Toen was hij zo dik, dat hij in bed achterover viel en al gauw snurkte als een zaagmolen. Je kon het buiten heel horen, want Grootmoeders raampje stond op een kier voor de frisse lucht.
Daar kwam de jager voorbij. Hij ging eens even uitrusten op de groene bank, die voor het huisje van het oude Grootje stond. Wel, wel, wat hoorde hij haar snurken! Zou zij ziek wezen? Toch maar eens eventjes kijken! Hij stapte het huisje binnen en zag tot zijn grote verbazing de wolf in bed liggen. “Zo vriend!" zei hij, “ben jij hier? En nu heb ik al zo lang op jou geloerd... Maar nu zal je me niet ontsnappen!" Hij nam zijn geweer en wilde de wolf doodschieten. Maar opeens bedacht hij zich... Waar was de oude Grootmoeder? Had de wolf haar misschien opgeslokt? Kon hij haar nog redden?
Hij nam zijn scherpe mes en fits! daar sneed hij heel voorzichtig de vast slapende wolf open! Daar kwam een Rood Kapje te voorschijn, en onder dat kapje was een kopje… daar kwam het lieve kleine Roodkapje-zelf in levende lijve uit de buik van de wolf gekropen en zei: "Hè, wat was het daar donker in dat kamertje daarbinnen!" Achter Roodkapje kwam ook het oude Grootje aansukkelen, die was ook nog levend, gelukkig! De wolf sliep nog altijd vast door. Toen namen ze stenen, vulden daarmee zijn buik op en naaiden hem rits rats weer vlug toe.
Daarna schuilden ze weg om te zien wat de wolf zou doen. Die werd eindelijk wakker, stapte uit het bed en liep naar de waterput. “Wat heb ik een dorst, wat heb ik een dorst," zei hij, “het rommelt in mijn buik -- ik heb Grootmoeder en Roodkapje te gauw achter elkaar doorgeslikt..." Hij boog zich over de waterput en wilde drinken. Maar door de zwaarte van de stenen viel hij er voorover in en verdronk, zodat hij nooit meer terug kon komen!
Nu sprongen Roodkapje, Grootmoeder en de jager uit hun schuilhoek, aten de koeken op en dronken van de versterkende wijn. Grootmoeder knapte er heelemaal van op en voelde zich weer fris en gezond, na de schrik. De jager bracht Roodkapje thuis, waar zij onder tranen van berouw alles aan Moeder vertelde. “Maar ik zal heus, heus nooit meer, van de weg afgaan, beloofde ze. En dat heeft ze ook heus nooit meer gedaan!
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Bron
KB: KW XKP 821
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
B211.2.4 - Speaking wolf.   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.   
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Ills Hugo Prahl
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Mijnheer Grijsjas   
