Hoofdtekst
ROODKAPJE.
In een klein huisje, dicht bij een groot bosch, woonde eens een houthakker met zijn vrouw. Zij waren wel arm, maar toch heel gelukkig; want zij hadden een allerliefst kind, een meisje dat Roodkapje werd genoemd, omdat zij altijd een rood mutsje droeg. Roodkapje's grootmoeder had dit mutsje zelf gemaakt en terwijl zij er mee bezig was, had ze aldoor aan haar kleinkindje gedacht, dat mooi was en lief en dat maar één, gebrek had: het was namelijk wel eens ongehoorzaam.
"Och, och, mocht mijn kleinkind toch dat nare gebrek afleeren," dacht de grootmoeder, voortwerkende aan het mutsje. "Ze zal zich door haar ongehoorzaamheid nog eens een ongeluk bezorgen. Kleine kinderen moeten gehoorzaam zijn; want ze weten nog niets van hetgeen groote menschen weten. Ze moeten daarom naar groote menschen luisteren. Als die hun iets verbieden, is er werkelijk wel een goede reden voor. Och, och, mocht mijn lief Roodkapje toch leeren luisteren naar 't geen haar verboden wordt, door mij en door haar moeder en door haar vader, én door alle menschen die 't goed met haar meenen!"
Toen de kleine Roodkapje het roode mutsje kreeg, zei haar moeder:
- Zul je, als je dit kapje op hebt, altijd bedenken dat je gehoorzaam zijn moet?
- Zeker moeder, zei Roodkapje. Als ik het mutsje op heb, zal ik daar vast aan denken.
- Kijk me eens aan. Kijk me eens goed in de oogen, ging de moeder voort. Ik denk er maar al over, hoe jammer het is, dat je nog zoo dikwijls vergeet om gehoorzaam te zijn. Ik denk met ongerustheid eraan, dat je je nog eens een ongeluk zal bezorgen, door die ongehoorzaamheid.
- Ja, maar, moeder, heusch, ik zal er voortaan aan denken, zei Roodkapje, terwijl een kleurtje, van verlegenheid op haar wangetjes kwam. U zult eens zien. Dat mutsje zal er me altijd aan herinneren!
- Geef me dan maar een zoen, zei de moeder. En wees netjes op je roode kapje.
- Dat beloof ik u, zei Roodkapje, haar armpjes om haar moeder's hals slaande, om haar eens een fermen pakzoen te geven.
Werkelijk leek het, of Roodkapje woord zou houden. Als haar vader of moeder haar iets verboden, deed ze het ook niet.
- Ons kindje schijnt nu toch eindelijk haar leelijk gebrek te hebben afgeleerd, zei Roodkapje's vader tegen zijn vrouw.
- Dat hoop ik van harte, antwoordde zijn vrouw zuchtend.
- Ik heb 't haar laatst, toen zij dat nieuwe roode mutsje kreeg, nog weer eens voorgehouden, dat kinderen altijd luisteren moeten naar groote menschen.
- Ja, ja, zei de vader: groote menschen hebben al zooveel langer geleefd dan kleine kinderen. Ze hebben dus heel wat meer ondervonden en weten dus beter wat goed is en wat niet goed is. Daarom moeten kinderen naar hen luisteren. Gelukkig, dat ons Roodkapje dat dan nu eindelijk begrijpt.
Meteen nam hij zijn bijl weer op, kuste zijn vrouw goedendag en ging het groote bosch in, waar nog meer houthakkers aan 't werk waren. Ze werkten diep in't bosch en de slagen van hun bijlen waarmee ze boomen omhakten, waren in het huisje waar Roodkapje woonde niet eens te hooren, zoo ver weg werkten zij. Soms ging Roodkapje met haar moeder naar hen toe, om aan Roodkapje's vader eten te brengen; want als die den heelen morgen hard gewerkt had, was hij veel te moe om heelemaal naar huis te loopen voor een hap warm eten. Roodkapje's moeder bracht hem dan eten, in een klein pannetje en warme koffie in een kruikje en droeg dit in een mandje dat ze aan haar arm hing. Soms bakte ze ook oliekoeken, of wafels, of pannekoeken en bracht die aan haar man; en dan kregen de andere houthakkers er ook een paar mee. De houthakkers kenden Roodkapje dan ook allemaal. "Dag Roodkapje !" zeiden ze, als het kind met haar moeder meekwam. Roodkapje moest dan allen een handje geven, wat ze altijd allervriendelijkst deed; zoodat de mannen allemaal erg veel van haar hielden.
Op een keer had Roodkapje's moeder weer wafels gebakken.
- Nu moest jij eens wat van die wafels aan grootmoeder brengen, zei ze tegen Roodkapje. Ik zelf kan niet met je meegaan, want ik moet naar vader; maar je kunt mijn mandje krijgen en dat aan je arm hangen. Ik zal dan behalve de wafels wat mooie, groote eieren en een half fleschje wijn in het mandje doen. Grootmoeder wordt oud en zwak. Zelf kan ze geen wafels meer bakken, en wijn heeft ze niet in huis, zooals wij, die zelf wijn persen uit de druiven van onzen druivenboom.
- O, dat wil ik graag doen, antwoordde Roodkapje. En wat zal die lieve grootmoeder blij zijn! Ik heb haar in zoo'n tijd niet gezien. Zou ze vinden dat ik erg groot geworden ben?
- Zeker! zei de moeder: erg groot en ook erg zoet.
- Hoe bedoelt u dat ? Waarom erg zoet? vroeg Roodkapje.
- Omdat mijn lief Roodkapje gehoorzamer is geworden, antwoordde de moeder, de etenswaren en den wijn in het mandje pakkend en er een mooi wit doekje met roode stipjes over uitspreidend.
- Ziehier, vervolgde de moeder: het mandje is klaar. Geef me nu een zoen en luister goed. Je moet blijven loopen op het breede boschpad dat je regelrecht naar het huisje van grootmoeder brengt. Niet tusschen de boomen loopen en geen zijwegjes ingaan, en geen bloemen plukken. Gisteren is er een groote wolf gezien, tusschen de boomen van het bosch. Die wolf komt nooit op het breede boschpad, omdat hij veel te bang is voor de menschen die hij daar zou kunnen tegenkomen. Hij loert op de smalle paadjes en tusschen de boomen, dan kan hij gauw achter de stammen verdwijnen als er een mensch aankomt. Het is een heele groote wolf, die al tien schapen en vijf lammetjes heeft opgegeten. Je vader en de andere houthakkers loeren er op, om hem te dooden. Hij is brutaal en gevaarlijk; maar hij is, zooals ik je al zei, bang voor groote menschen en loopt dus nooit op het breede boschpad. Als jij daar dus niet van af gaat, kan je hem niet tegenkomen. Heb je dat goed begrepen ? ....
- Zeker, moeder, antwoordde Roodkapje, het hengselmandje voorzichtig aan haar arm schuivend.
- Dus niet op zijwegjes gaan, zei de moeder nog eens.
- Neen, moeder, beloofde Roodkapje.
- En niet tusschen de boomen loopen, hield de moeder nog weer eens aan.
- Natuurlijk niet, moeder, beloofde Roodkapje, haar gezichtje opheffend om een kus te ontvangen.
De moeder kuste haar kindje en bracht het tot buiten de deur en keek het na en wuifde het toe, zoolang ze het zien kon.
- Dag Roodkapje! Groeten aan grootmoeder! riep ze nog uit de verte.
- Ja, ja, dag moeder! riep Roodkapje terug. Ze keek nog eens om en nog eens, tot ze aan een kromming van den weg kwam, die maakte dat ze haar moeder niet meer kon zien. Ze school het mandje nu nog eens wat steviger op haar armpje en stapte flink voort.
Het was zomer en boven in de boomen zongen veel vroolijke vogeltjes de allermooiste liedjes die vogels maar weten. Ook stonden er snoezige bloemetjes tusschen de boomen. "Eigenlijk kon ik wel wat bloemetjes plukken," dacht Roodkapje. "Moeder heeft wel gezegd, het niet te doen en recht door te loopen op het breede boschpad; maar ik zie nergens tusschen de boomen een wolf en me dunkt dat grootmoeder wat blij zal zijn, als ik haar ook een ruikertje frissche bloemen mee breng. De oude ziel ligt altijd te bed en kan zelf geen bloemen meer plukken. Bovendien ben ik dadelijk weer op het pad. Ik ga maar een klein eindje tusschen de boomen. Er staan daar de allerprachtigste bloemetjes."
Gretig keek Roodkapje tusschen de boomstammen, waar in het gras sleutelbloemen, anemonen, narcissen en lelietjesvan-dalen bloeiden; en zonder langer na te denken, stapte ze van het pad af tusschen het lange gras en bukte zich naar een prachtige witte narcis. Maar vol schrik kwam ze weer overeind. Ze had naast zich een donkere schaduw gezien. Dat moest de wolf zijn. Zonder zijn kant op te kijken, holde ze terug naar het breede boschpad; maar ze hoorde, dat de wolf haar volgde. Toen ze op het boschpad was, bleef ze hijgend staan. Hier zou de wolf haar niet durven volgen, meende ze. Maar jawel, de wolf had natuurlijk gezien, dat zij maar een klein meisje was, waar hij nog niet bang voor hoefde te zijn, en volgde haar nu brutaal tot op het breede pad. Hij was zwart en verschrikkelijk groot en een roode tong hing hem uit den bek.
- Waar ga je naar toe ? vroeg hij barsch.
- O, lieve wolf, doe mij geen kwaad, antwoordde Roodkapje. Ik ga naar Grootmoeder, lieve, zoete wolf! "Ik zal maar erg vriendelijk tegen hem zijn," dacht ze, bevend van angst. "Misschien helpt dat. Hij ziet er uit, of hij mij in één hap kan opeten.
- En wat moet je bij je grootmoeder doen? vroeg de wolf, werkelijk al wat minder barsch.
- Lieve, vriendelijke, zoete wolf, ik moet haar wafeltjes brengen en eieren en zelf-gemaakten wijn. Moeder stuurt me naar haar toe. Moeder is naar vader, weet u. Die is houthakker en hakt boomen om, met nog een heeleboel andere mannen.
- Zoo, zei. de wolf. Is je vader een van die ellendige houthakkers, die op me loeren? Een mooie boel. Ze gunnen me geen schaap en geen lammetje. Ik moet zeker voor hun plezier honger lijden. Wel zeker! Ik zal ze aan zien komen! O, u mag net zooveel schapen en lammetjes opeten als u wilt, mooie, zoete wolf, vleide Roodkapje, als u mij maar met rust laat!
- Hm, zei de wolf, en stak zijn rooden tong nog wat verder uit. Daar zullen we later wel eens over praten. Vertel me eerst nog maar eens meer van je grootmoeder.
- Grootmoeder is erg lief, zei Roodkapje. Hoewel natuurlijk niet zoo lief als u, voegde ze er voorzichtig aan toe.
- Ze is al heel oud en kan geen wafels meer bakken. Ook heeft ze geen druivenboom met druiven om wijn van te maken en dit voorjaar zijn al haar kippen gestorven.
- Jammer, vond de wolf: nu kan ik ze niet opeten.
- O, zeker is dat jammer, meneer wolf, zei Roodkapje, al maar beleefder wordend. Nu mag ik zeker wel verder gaan. Gaat u dan als 't u blieft een anderen kant op?
- Is het huisje van je grootmoeder hier ver vandaan? ging de wolf voort, zonder aanstalten te maken om aan het verzoek van Roodkapje te voldoen. Hij kwam integendeel nog wat dichter bij, zóó dichtbij, dat Roodkapje zijn heeten adem in haar gezichtje voelde.
- Nog een heel eind hier vandaan, lieve, schattige, deftige meneer wolf, bibberde Roodkapje. Ik zal hard moeten loopen als ik er voor twaalf uur zijn wil. Laat u me dus als je blieft door?
- Jawel, dat heeft geen haast, bromde de wolf. Ze is al oud zeg je en ze ligt op haar bed? Hoe kom je dan haar huis binnen?
- O, meneer wolf, aan de klink van haar deur is een touwtje, waar ik aan trek. Ik weet dat alleen, van dat touwtje, en vader en moeder. Vreemden weten dat niet. Anders zouden vreemden ook bij grootmoeder binnen kunnen komen. Ik klop altijd eerst, weet u, om te hooren of grootmoeder geen belet heeft. Dan roept ze gewoonlijk “trek maar aan het touwtje," en dan doe ik dat en kom zoo binnen. Grootmoeder is heusch een snoezig mensch, al is zij oud. Zij kan prachtige verhaaltjes vertellen van tooverprinsen en van prinsessen en van allerlei. Ook heeft zij een spinnewiel en een poes.
- Een lekkere poes? vroeg de wolf, zich den muil aflikkend.
- Hoe bedoelt u dat, lieve meneer wolf? vroeg Roodkapje. Het is een oude poes die erg krabbelt, omdat hij gauw boos wordt.
- O, neen, die zou dan te veel in mijn maag jeuken, antwoordde de wolf.
O, bedoelde u, of hij, lekker was om te eten? Neen, dat geloof ik niet, antwoordde Roodkapje. Me dunkt, dat die vogeltjes boven in de boomen veel beter zullen smaken.
- Is die oude poes altijd bij je grootmoeder ? bleef de wolf aanhouden.
- Neen, meneer wolf, zij is dikwijls van huis, want zij vangt muizen tusschen het koren, antwoordde Roodkapje, al maar zoo beleefd mogelijk blijvend.
- Hm, zei de wolf. Nu, ik heb geen, trek in een oude kat zoolang er nog wat anders is.
- O, u bedoelt mij toch niet? vroeg Roodkapje angstig.
- Wel neen, verbeeld je maar niks, zei de wolf minachtend. Jij bent me veel te klein. Je bent op, vóór ik aan je begin. Blijf jij maar bedaard bloemetjes plukken. Ik ga dit bosch uit en naar een ander bosch, waar een heeleboel schapen loopen.
- O, heel goed, antwoordde Roodkapje blij. Gáát u maar, en wel thuis en de complimenten aan mevrouw de wolvin en aan uw lieve kindertjes. Zegt u maar van Roodkapje, dan weten ze het wel; want zoo noemt iedereen mij. Gaat u maar gauw, dan ga ik ook gauw, weet u, want ik vind u heel mooi en heel lief en volstrekt niet zwart en ook niet verschrikkelijk en u hebt een snoezig roze tongetje en een allervriendelijkst stemmetje; maar, ziet u, ik kan nu heusch niet langer met u praten, want mijn moeder heeft gezegd, dat ik gauw terug moest komen, en ik heb nu al zooveel met u gepraat, omdat ik u zoo alleraardigst vind.
- Jawel, jawel, zei de wolf, die best begreep, dat Roodkapje zoo vriendelijk was uit angst. De rest is net eender. Ik ga dan maar.
- En zult u vooral mijn groeten doen aan mevrouw de wolvin ? vroeg Roodkapje nog eens.
- Bij gelegenheid, antwoordde de wolf, leukweg. Zoodra ik mevrouw zie.
Meteen zette hij het op een loopen, zóó hard dat de grond daverde.
“Ziezoo, die gaat! Dat heb ik hem netjes geleverd", dacht Roodkapje. En nu kan ik zeker bloempjes gaan plukken; want hij gaat toch naar een ander bosch. Op haar gemak begon ze nu te plukken. Om de bloemen zoemden hommels en bijen; en mooie vlinders, die wegvlogen als Roodkapje er naar greep, lokten het meisje al maar dieper het bosch in. Ze liep de vlinders na, lachte en plukte bloemen en hoorde niet, hoe de vogels haar toezongen vanuit de hooge kronen der boomen, een waarschuwend wijsje:
Meisje, meisje, haast u maar,
Want u dreigt een groot gevaar!
Al wie ongehoorzaam,
Gaat het zeker, zeker mis!
Zoo zongen de vogels. Het waren meesjes en vinken en merels en vliegenvangers en zelfs een specht, die anders alleen tikt tegen de stammen om er wurmpjes uit te jagen, die hij dan opeet en een koekoek die enkel roept als 't regenen gaat. Ze hadden allen medelijden met het lieve meisje met haar blonde krulletjes en met haar blauwe oogjes en met haar roode kapje. Ze kenden den wolf, en wisten wel, dat die iets verkeerds zou uithalen tegenover Roodkapje en dat hij volstrekt geen plan had om naar een ander bosch te gaan. Alleen een nachtegaal, die in laag struikgewas zat, hield zijn mond. 't Was zijn tijd van zingen nog niet.
"Als Roodkapje zoo doorgaat, is ze vanavond nog hier en dan zal ik haar wel wat voorzingen, waar zij naar zal móeten luisteren", dacht de nachtegaal. Naar mij luistert iedereen. Dat komt niet alleen, omdat ik zoo mooi zing, maar ook omdat ik zoo verstandig ben om 's nachts te zingen, als alle andere vogels zwijgen."
Roodkapje, zooals ik al zei, was veel te veel bezig met haar bloemen plukken en vlinders jagen, om naar de vogels te luisteren. Ze hoorde ze wel zingen; maar wàt ze eigenlijk zongen, hoorde ze niet. Ze begon zelf een wijsje te neuriën, en zong weldra hard, zóó hard, dat ze de vogels overstemde.
Plotseling keek ze op en schrikte. Waar was ze? Ze was zeker verdwaald. Ze keek om zich heen. Nergens meer een pad te zien. Alles gras en boomen, en, ja, wel mooie bloemen, maar die had ze genoeg in haar hand. Ze kon haar ruiker haast niet meer vasthouden. Ze keek om zich heen, naar boven, naar beneden, en eindigde met plat op den grond te gaan zitten en in huilen uit te barsten. Toen ze een poosje flink gehuild had, droogde ze haar oogen. Dat huilen hielp ook al niet. Ze zou maar eens aan de boomen vragen, of die den weg niet wisten. Ze stond dus op en ging naar een dikken denneboom en vroeg:
- Och, lieve boom, kunt u me niet zeggen, hoe ik moet gaan, om weer op het breede boschpad te komen? Maar de denneboom knipperde zoo'n beetje met zijn naalden en gaf geen antwoord. Denneboomen zijn over 't algemeen niet erg spraakzaam. Alleen als 't hard waait zingen ze zoo'n beetje, een onverstaanbaar liedje.
Nu ging Roodkapje naar een populier, die hoog en breed tusschen de andere boomen in stond.
- Och, beste boom, weet u dan misschien welken kant ik op moet gaan, om weer op het rechte pad te komen? vroeg Roodkapje nu, omhoog ziende naar den populier.
Maar de populier ratelde maar zoowat in een taal waar Roodkapje niets van verstond. Zijn beweeglijke blaadjes waren geen oogenblik stil. Hij vertelde van alles door elkaar.
Roodkapje zuchtte.
Die weet 't ook al niet, zei ze, rondziende. Toen ging ze naar een breeden eikeboom. - Och, zoete boom, zeg jij me dan waarheen ik gaan moet, vroeg ze.
Maar de eikeboom, breed en rustig, lispte even wat en werd toen heel stil.
Nu zag Roodkapje een klein konijntje uit een holletje komen. Ze ging er heen, bukte zich, en vroeg:
" Klein konijntje, weet jij ook, hoe ik moet komen bij het rechte boschpad dat mij naar het huisje van mijn grootmoeder brengt ?
Het konijntje bewoog zijn oortjes, keek met zijn bange, bolle oogjes naar Roodkapje op, draaide zich toen om en huppelde vlug weer naar binnen in zijn holletje.
Zooiets onbeleefds heb ik nog nooit gezien! riep Roodkapje nu tegen een groote, groene padde, die haar met zijn zwart-gouden oogen zat aan te staren tusschen het gras. Jij zult zeker wel beleefder zijn en mij tenminste antwoorden ?
Maar de padde hapte naar een mugje, en liep toen met zijn lang-uitgerekte pooten weg.
Nu wendde Roodkapje zich tot de bloemen tusschen 't gras. Een voor een vroeg ze sleutelbloem, anemoon, narcis, boschviooltje, blauw klokje, lelietje-van-dalen, boterbloem en zelfs meizoentjes naar den weg, maar ze kreeg geen antwoord.
De bloemetjes keken haar met hun onschuldige oogjes aan en geurden maar en wiegden wat heen en weer op hun stengels, doch bleven zwijgen.
Wie nu nog ? zuchtte Roodkapje. Daar herinnerde ze zich de vogels. 't Was of zij die nu opeens hoorde. Zij keek naar boven en luisterde, en jawel, daar klonk het:
Meisje, meisje, haast u maar,
Want u dreigt een groot gevaar!
Al wie ongehoorzaam is,
Gaat het zeker, zeker mis!
Den weg, den weg wil ik weten, riep Roodkapje. Zeg me die en ik zal heusch nooit meer ongehoorzaam zijn! Maar vermoedelijk wisten de vogeltjes het breede boschpad zelf niet. Ze antwoordden tenminste niet op Roodkapje's vraag en bleven maar wild dooreen zingen:
Meisje, meisje, haast u maar,
Want u dreigt een groot gevaar!
Al wie ongehoorzaam is,
Gaat het zeker, zeker mis!
- Jawel, jawel, dat weet ik nu al! Maar den weg, den weg! riep Roodkapje.
Geen der vogels gaf echter antwoord op haar vraag.
" Ik zal in vredesnaam maar doorloopen," dacht nu Roodkapje. "Eindelijk moet ik toch ergens terecht komen." Ze liep dus door, moe en bedroefd. Eindelijk hoorde ze heel in de verte bijlslagen.
"Ha, gelukkig, daar moet vader zijn!" dacht ze. Haar hartje sprong op van blijdschap. "Ik krijg zeker erg knorren, als ik bij hem kom," dacht ze verder, "maar dat heb ik dan ook verdiend." Ze dacht aan haar arme, oude grootmoeder, die daar nu op haar lag te wachten misschien, en die nu geen wafels en geen wijn zou hebben op etenstijd.
"O, ik ben een slecht kind," zei ze bij zichzelf. "Maar ik heb dan nu ook voor goed een les beet. Nooit, nóóit zal ik meer ongehoorzaam zijn!
Het arme Roodkapje wist nog niet, welk een vreeselijke straf haar wachtte. Ze liep snel door in de richting waar ze de bijlslagen hoorde en kwam werkelijk bij een open plek in het bosch, waar veel boomen geveld lagen en waar een tiental houthakkers bijeen waren.
De mannen hielden op met werken en keken het, blonde meisje verbaasd aan. Roodkapje zag ze allen in ’t gezicht: helaas, haar vader was er met bij en zij kende deze houthakkers geen van allen.
- Ik ben Roodkapje en ik ben verdwaald, zei ze. Weet u een van allen ook waar mijn vader werkt. Dan kan ik naar hem toegaan.
- O, is u Roodkapje ? vroeg een van de mannen. Juist juist, ik heb wel van u gehoord, U woont, met uw vader en moeder aan den rand van dit bosch. Juist. En uw grootmoeder woont aan het einde van het breede boschpad in een aardig klein huisje. Zeker, uw vader heb ik wel eens gezien. Hij is een flink werkman en graag zou ik u bij hem brengen ; maar hij werkt veel te ver weg. Zooveel kan ik niet van mijn tijd verzuimen. Vertel ons echter eens, hoe het komt, dat u zoo verdwaald is geraakt. Zuchtend vertelde Roodkapje. Toen ze, al vertellend, gekomen was bij haar ontmoeting met den wolf, grepen al de mannen hun bijlen steviger vast.
- Wat? Den wolf? Dien ellendeling heb je gezien? riepen ze dooreen. Zeg ons welken weg hij is gegaan, dan zullen we hem eindelijk eens een kopje kleiner maken! Hij eet onze schapen en onze lammetjes op en bedreigt onze kinderen! Hij moet sterven, vóór hij nog meer misdaden kan doen!
- O, weest u maar niet ongerust, kalmeerde Roodkapje de mannen. De wolf is weg. Hij is naar een ander bosch gegaan. Voor hem hoeft u met bang meer te zijn. Hij heeft mij niet eens opgegeten. Hij zei, dat ik veel te klein was en, dat hij mij al op had, vóór hij aan mij begon! De mannen lachten en lieten hun bijlen, die ze al wraakzuchtig opgeheven hadden, weer zinken.
- Dan is 't wat anders, zei een der houthakkers.
Maar een heel oude houthakker nam nu het woord.
- De wolf liegt, zei hij. De wolf liegt altijd. En als ik u was, meisje, dan maakte ik maar, dat ik zoo gauw mogelijk bij mijn grootmoeder kwam. De wolf liegt en heeft een goede reden waarom hij u niet dadelijk heeft opgegeten. U is een malsch boutje voor hem en hij heeft zeker in lang niets gehad, want overal wordt hij bedreigd en verjaagd.
- Maar ik verlang niets liever dan bij grootmoeder te komen, antwoordde Roodkapje. Als ik den weg maar wist!
- Wat dat betreft kunnen we je helpen, klein Roodkapje, sprak weer een andere houthakker. Het breede boschpad is dichterbij dan je denkt. Wacht, ik zal je er even brengen. Loop nu flink door, en luister niet te veel meer naar de nachtegaal, die weldra zijn avondlied zal beginnen. Loop zoo vlug je kunt en blijft dezen nacht bij je grootmoeder. Ik woon niet ver bij je ouders vandaan en ik zal nog voor den nacht je vader waarschuwen, dat hij je zelf bij je grootmoeder terug moet gaan halen. Geef mij een hand en ga met me mee. In een paar minuten breng ik je op het rechte pad.
De man wierp zijn bijl neer en strekte zijn hand naar Roodkapje uit, die haar hand in de zijne lei, De overige houthakkers vervolgden hun werk
- Doorloopen zonder om te kijken, waarschuwde de oude houthakker nog eens. De wolf liegt altijd. Hij is in de buurt gebleven én heeft een goede reden, waarom hij je maar niet dadelijk opat.
Roodkapje knikte en riep den houthakkers een vroolijk vaarwel toe. Geleid door den eenen houthakker, was zij weldra op het breede boschpad.
- Als ik me niet vergis, schemert het huisje van je grootmoeder ginds al tusschen de boomen, zei de vriendelijke houthakker. Loop nu bedaard door, ik kijk je dan nog even na tot je vlak bij huis ben.
Roodkapje dankte den houthakker hartelijk. Ze nam haar ruikertje bloemen, dat ze zoolang in haar mand had gelegd weer in 't handje dat de houthakker had vastgehouden en ging op het huisje van haar grootmoeder toe. De houthakker keek haar na, en toen zij vlak bij het huisje was, keerde hij zich om en zocht, een vroolijk wijsje fluitend, zijn makkers weer op.
Wat had echter intusschen de booze wolf gedaan? Toen hij van Roodkapje vandaan was gehold, was hij niet naar een ander bosch gegaan, maar naar het huisje van Roodkapje's grootmoeder. Roodkapje had hem precies verteld, hoe hij er binnen kon komen. De wolf was een valsch en gemeen dier, dat altijd vol streken zat. Hij was niet altijd zoo slecht geweest. Hoe hij zoo geworden was, dat zal ik u eens even vertellen.
Eenmaal was deze wolf een lief, klein, mollig wolfje, dat in een nest lag met nog zes andere jonge wolfjes. Zijn moeder was een goedige wolvin, die haar kindertjes een goede wolvenopvoeding gaf.
- Jullie zijn nu eenmaal wolven, zoo zei ze tot haar kindertjes. Daarom mag je bij voorbeeld schapen, konijnen, en andere beesten opeten als je groot bent; maar menschen mag je niet opeten, want dat staat volstrekt niet netjes voor een wolf. Bovendien zijn menschen erg gevaarlijk. Zij hebben vuurwapens: geweren, revolvers en pistolen, en schieten je vóór je er aan denkt, poef! dood. 't Is het beste, ze maar een eindje uit den weg te blijven.
- Hoe zien menschen er dan, uit, lieve moeder? had het kleine wolfje gevraagd, dat nu een groote, slechte wolf was.
- Ze loopen op twee pooten en houden het hoofd omhoog, had de moeder geantwoord.
- O, dan ken ik ze wel, was het kleine wolfje gekomen. Dan wonen ze in de boomen. Ze zingen erg mooi en pikken zoo grappig. Neen, die zal ik nooit wat doen. Ze zijn de moeite van het opeten ook niet waard. Daarvoor zijn ze veel te klein. Bovendien zullen hun veeren erg in de maag kriebelen.
De oude wolvin lachte en likte haar dom kindje eens over het harige kopje.
- Jij klein dommertje, neen: dàt zijn geen menschen! Dat zijn vogels! Verbeeld je, vogels met vuurwapens! Menschen zijn véél, véél grooter. Ze wonen in huizen en hebben allerlei prachtige dingen, zooals stoelen en tafels en borden en kannen en, o, van alles!
- Mag ik dat allemaal zien, als ik groot ben? had het kleine wolfje, gevraagd.
- Misschien wel, had de wolvenmoeder geantwoord.
- Als je erg slim en verstandig wordt, kun je misschien net als ik wel zoover komen, dat je 's nachts bij hen naar binnen loert.
- Maar 's nachts kun je toch niet zien, wat er in hun huizen is ? zei het kleine wolfje.
- Dat denk je maar! Wij hebben alleen de zon en de maan en de sterren, als licht ; maar de menschen hebben prachtige andere lichten, die net zoolang branden als zijzèlf dat willen. Sommige van die lichten zijn zoo groot als de zon.
- Nou, maar die moet ik dan ook eens zien, had het kleine wolfje gezegd. Opeten zal ik de menschen niet; maar heusch, moeder, die mooie lichten moet ik eens van dichtbij zien!
- Als je dan maar heel voorzichtig bent, zei weer de oude wolvin. Verleden week is je vader doodgeschoten, terwijl hij op zijn achterste pooten stond om naar binnen te kijken door een menschenraam. Gelukkig dat ik jullie nu heb, anders was ik heelemaal alleen op de wereld.
Met een van haar vereelte pooten, had de wolvin een traan weggewischt; en de zeven wolfjes waren mee gaan huilen.
- 't Was vader z'n eigen schuld. Ik heb hem nog zoo gewaarschuwd! had de wolvenmoeder gesnikt.
Even later was ze weer met haar kindertjes gaan spelen. Bij wolven duurt het verdriet nooit lang. Het kleine wolfje, dat nu de groote, booze wolf van Roodkapje was, had haar woorden echter goed onthouden. Het was bang van de menschen, maar toch ook erg nieuwsgierig naar hun lichten, die soms zoo groot waren als de zon. Het woonde met zijn moeder op de hei, in een hol onder een kolossalen denneboom. Er waren daar bijna geen huizen, alleen kleine hutten, waar arme menschen woonden, die maar heel kleine lichten hadden en open vuren waar vuile ketels boven hingen. Soms sloop het kleine wolfje daarheen en gluurde naar binnen, 's avonds, als de deur op een kier stond; maar hij begreep wel, dat dit de lichten niet waren, waar zijn moeder over had gesproken. Soms liep hij ook verder, naar het dorp dichtbij de hei; maar daarin durfde hij zich alleen 'te wagen, als 't heelemaal nacht was, omdat er zooveel menschen in liepen. En 's nachts brandden er in het dorp alleen maar pieterige lantarenpitjes.
Op een goeden dag echter, hoorde het kleine wolfje muziek, die van het dorp scheen te komen.
- Wat is dat? vroeg hij zijn moeder, de oude wolvin.
- Dat is kermis! Er is kermis in het dorp! Vanavond zul je eens zien, wat een licht! En een troep menschen! Je zult ze hier hooren zingen en de lichten zul je hier zien.
- Jammer dat wij er ook niet heen kunnen gaan; want de allerprachtigste dingen zijn er: draaimolens en schommels en, o, van alles!
Met groote oogen luisterde het kleine wolfje.
- En zijn er ook groote lichten? vroeg hij.
- O, hé: lichten zoo groot als de zon ! zei de wolvenmoeder.
" Lichten zoo groot als de zon,”… herhaalde het kleine wolfje bij zichzelf.
Dien avond, terwijl zijn broertjes en zusjes sliepen, sloop hij uit het hol onder den denneboom. Zijn moeder was uit.
Ze wist, dat al de boeren en arbeiders uit den omtrek naar de kermis gingen en zou nu proberen een schaap te stelen. Haar kinderen hadden in lang geen boutje gehad. Stil sloop het kleine wolfje uit het hol en keek over de hei naar den kant van het dorp. He! wat een licht! Muziek en licht! Prachtig zou het daar zijn! Nog even keek hij om naar zijn veilig hol, toen zette hij het op een loopen, dwars over de hei in de richting van het dorp. Hij wou en hij zou de groote lichten zien en al het andere moois. Hoe meer hij naderde, hoe harder hij liep. 't Was of de lichten hem naar zich toe trokken; en voor hij 't zelf wist, holde hij de volle straat in en het kermisplein op, waar de menschen door elkaar joelden langs de kramen.
- Een wolf, een wolf! riepen de menschen, bang uit elkaar stuivend. Verblind door t vele licht dat uit een paardenspel naar buiten stroomde, bleef het wolfje staan. Het was plotseling doodsbang.
- ’t Is nog maar een heel kleintje. Laten we het pakken en opvoeden. Wie durft het te grijpen? riep een van de knechts uit het paardenspel, die prachtig wit en rood beschilderd was, omdat hij voor clown zou spelen. Hij had zijn mond doorgetrokken tot aan zijn ooren en een puntige kuif boven op zijn hoofd gezet. Verder was hij wit van poeder en droeg een satijnen pak van blauwe en witte strepen.
Nu kwam de eigenaar van het paardenspel naar buiten.
- Waar is die wolf? vroeg hij.
De clown wees hem het kleine wolfje
Laten we hem in een kring jagen en dan vangen, zei de eigenaar van het paardenspel. Wie hem beetpakt en aan mij brengt, krijgt tien gulden. Nu, die tien gulden wou ieder wel graag verdienen. Een heeleboel menschen sloten toch dan ook dicht aaneen en vormden een kring rond het wolfje, dat angstig heen en weer begon te hollen, zoodra hij zag dat zich een hand naar hem uitstrekte. Het was verschrikkelijk bang en. meende ieder oogenblik dood te worden geschoten, daar dicht in de buurt van het paardenspel een schiettent was, waar boerenjongens op pijpekoppen schoten. Eindelijk werd hij zoo moe, dat hij zich maar liet pakken. Hij beet niet eens van zich af en liet zich meedragen in de tent van het paardenspel, waar de clown, want die had hem gegrepen, hem in een leeg hondenhok stopte, dat in een donkere ruimte achter de tent stond.
Daar zat nu ons arme wolfje en dacht met smart aan zijn moeder, die nu misschien met een lekker schaap was thuisgekomen. Vóór den nacht keek niemand naar hem om. Slapen deed hij niet en huilen durfde hij niet. Den volgenden morgen kwam de eigenaar van het paardenspel naar hem kijken, terwijl de clown hem een paar stukken vies vleesch bracht. Het wolfje had zoo'n honger, dat het de stinkende stukken vleesch toch maar opslokte. Toen het daarna achter in het hok kroop, nam de clown een stok en porde naar binnen, zoodat het arme diertje als een razende door het hok begon te hollen. Het kan een mooi beest worden, hoorde hij den eigenaar van het paardenspel zeggen. We zullen hem africhten. Hij kan ons goed te pas komen, nu de aap dood is. Het publiek wil altijd iets nieuws; en een afgerichte wolf wordt zelden vertoond. Nu begon voor het arme wolfje een vreeselijk leven. Altijd werd hij opgesloten. Hij moest allerlei kunstjes doen, en als hij niet wou, dan kreeg hij slaag en geen eten. Vooral het zoontje van den paardenspel-directeur was erg slecht voor hem. Als het wolfje erg moe was en in zijn hok rusten wou, porde hij het met een stok, zoodat het maar al heen en weer moest loopen. Intusschen groeide het wolfje en werd een groote wolf, die allerlei kunsten leerde. Zoo leerde hij ook praten en met de menschen omgaan. Hij werd een dier van gewicht in het paardenspel, daar de meeste menschen kwamen om hem te zien. Het paardenspel trok van dorp naar dorp, van stad naar stad, van land naar land, en overal moest de wolf mee. Eten kreeg hij genoeg; maar toch leerde hij de menschen haten, die hem tegen zijn wil vasthielden en hem plaagden met telkens nieuwe kunstjes en die hem sloegen, als hij hun zin niet deed. Hij begon gemeen uit zijn oogen te kijken, beetje soms van zich af en dacht maar aan één ding, name!ijk: hoe hij zou kunnen vluchten, ver, ver van die ellendlge, paardenspel-menschen. Op een keer had men vergeten, zijn hok te sluiten. Hij hield zich heel stil. Zijn hok stond buiten. Toen de nacht gekomen was, duwde hij het deurtje van zijn hok open, sloop er uit, keek even om zich heen, en zette 't op een loopen. Den heelen nacht liep hij door. Niemand zag hem; maar tegen den morgen ontdekte hem een boer, terwijl hij langs een boereneff ging. De boer riep een heeleboel andere boeren en met hooivorken gewapend jaagden ze den wolf na. De wolf liep echter harder dan de boeren en het gelukte hem te ontkomen. Hij was nu in een bosch en kroop in een verlaten konijnenhol, waar hij een dag en leen nacht sliep: zóó moe was hij. Vanaf dien tijd bleef hij in het bosch en werd de booze wolf van Roodkapje. Omdat het zoontje van den paardenspeldirecteur zoo slecht voor hem was geweest, loerde hij vooral op kleine kinderen; maar groote menschen at hij ook wel op als hij durfde.
En met het doel om de arme vrouw op te eten, klopte hij nu aan het huisje van Roodkapje's grootmoeder. Hij moest lang wachten. De oude vrouw sliep rustig. Ze woonde heel alleen en verwachtte niemand, daar ze niet wist. dat haar kleindochtertje dien dag zou komen. Den vorigen dag was haar zoon, Roodkapje’s vader, er nog geweest, en die had niets gezegd. Nogmaals klopte de wolf, nu harder, zoodat de oude vrouw wel moest ontwaken. Ze schrikte een beetje. Haar huisje lag erg eenzaam. Wie zou dat kunnen zijn ?
- Wie daar? riep ze.
De booze, listige wolf veranderde, zijn stem zooveel mogelijk en deed Roodkapje's zacht geluidje na.
- Ik, grootmoeder! riep hij.
- Ben jij 't Roodkapje ? vroeg nu de grootmoeder blij.
Ze hield erg veel van haar kleinkindje en meende Roodkapje's stem goed te herkennen.
- Ja, grootmoeder, riep de wolf, vleiend. Het is Roodkapje, uw kleinkindje. Zij komt u wafeltjes brengen en eieren en een fleschje wijn, die haar moeder zelf heeft gemaakt van druiven die aan haar druivenboom groeien.
- O, dat is goed! riep de oude vrouw. Trek dan maar aan het touwtje; dan zal de deur vanzelf wel opengaan.
De wolf zag eerst geen touwtje; maar hij ging nu op zijn achterste pooten staan en keek wat hooger. Jawel, daar bengelde toch iets als een touwtje.
- Wat duurt het lang, eer je binnenkomt, kind, riep de grootmoeder.
Juist had de booze wolf het touwtje in zijn bek. Hij trok eraan en, plof! de deur sprong los en de wolf was binnen.
Natuurlijk schrikte Roodkapje's grootmoeder hevig. Ze gilde zoo hard ze kon, nu daar in plaats van haar lief kleindochtertje een groote, zwarte wolf voor haar stond. Schreeuw maar niet zoo, zei de wolf. Dat helpt toch niet, want niemand kan je hooren. Doe je oogen maar liever toe, want ik kom hier om je op te eten. En voor de oude vrouw uit het bed kon springen, had de groote wolf haar in één hap opgeslokt.
"Nu Roodkapje nog," dacht hij, "maar eerst zullen we een grapje hebben." Hij ging naar de linnenkast van de oude vrouw en haalde daaruit een schoone nachtjapon en een nieuwe muts met een fraai lint. De nachtjapon deed hij aan, de muts zette hij op; toen nam hij een spiegeltje en bekeek zich daarin, grinnikend van pret. "Ik heb niet voor niets kunstjes geleerd, van die ellendige menschen," dacht hij. "Nu heb ik er tenminste nog eens wat aan, dat ik tien jaar lang heen en weer heb gesjouwd met dat akelige paardenspel mee." Met het spiegeltje in zijn poot, danste hij het kleine kamertje op en neer. "Ik ben zoo werkelijk een lieve, oude dame," dacht hij, en stak zijn tong uit tegen zichzelf. "Als straks het malsche Roodkapje komt, zal ze me zeker allerschattigst vinden." Eerst snuffelde de wolf het huisje nog wat rond en at een twintigtal eieren op, die in een kast lagen; toen kroop hij in bed en wachtte tot Roodkapje zou komen.
In dien tijd plukte het ongehoorzame Roodkapje haar bloemetjes zonder aan eenig kwaad te denken.
" Ze blijft lang weg, dacht de wolf. "Ze plukt zeker bloemetjes."
In zijn verbeelding zag hij Roodkapje loopen, haar mandje met wafels en eieren en wijn aan den arm, een ruikertje bloemen in de hand, juist zooals Roodkapje werkelijk ook ging, nadat de goede houthakker haar den weg had gewezen.
Eindelijk naderden er buiten lichte stapjes.
" Daar is ze," dacht de wolf.
"Nu opgepast. Hij trok de muts nog wat over zijn oogen en stopte zijn borsteligen snuit een beetje onder de dekens.
Werkelijk werd daar tegen de deur geklopt.
- Wie is daar? Is daar mijn kleine Roodkapje? vroeg de wolf, met veranderde stem.
Ja, grootmoeder, antwoordde Roodkapje. Mag ik binnenkomen? Hebt u geen belet? Ik breng u wafels en wijn en de complimenten van vader en moeder. Maar mag ik als 't u blieft dadelijk binnenkomen ? Ik ben namelijk erg bang en 't wordt al een beetje donker.
- Zeker, kom maar gauw binnen! riep de wolf, zoo vriendelijk hij kon. Hij had daarnet de deur weer dicht gedaan.
- Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open.
Roodkapje lei haar ruikertje weer even boven op het mooie doekje in haar mandje en trok nu aan het touwtje.
Floep! daar sprong de deur open. Snel ging Roodkapje naar binnen en deed de deur achter zich dicht. Ze was namelijk doodsbang voor den wolf. “Stel je voor, dat die vreeselijke wolf toch nog eens in de buurt was," dacht ze, “en dat hij eens op eenmaal dit huisje binnensprong."
- O, grootmoeder, ik ben zóó geschrikt! riep ze dadelijk. Verbeeld u, ik ben den wolf tegengekomen.
- Dan ben je zeker niet op het breede boschpad gebleven, zei de wolf, net pratend of hij Roodkapje's grootmoeder was. Dan ben je zeker weer ongehoorzaam geweest.
- Ja, grootmoeder, dat ben ik ook, bekende Roodkapje; maar nu heusch en heusch voor de laatste maal! Het was al een beetje donker in het huisje, zoodat Roodkapje alleen de muts en het lint zag boven de dekens uit.
- 't Is toch verschrikkelijk! Dat duurt nog net zoolang tot de wolf je opeet, ging de wolf door.
- O neen, de wolf doet me niets! blufte Roodkapje. Ik heb hem wel gezien en gesproken; maar hij doet mij niets! Om hem maar zoet te houden, heb ik allerlei vriendelijke dingen tegen hem gezegd. Ik heb hem een lieve, mooie, schattige, snoezige wolf genoemd en ik heb “meneer” tegen hem gezegd, hoewel hij een leelijke, vuile, gemeene wolf is en geen “meneer"; maar een slecht dier.
- Zoo, zei de wolf. Zijn oogen rolden hem in 't hoofd van woede; maar hij hield zich nog goed. Zoo, vind je dien wolf zoo'n slecht dier ?
- Ja, grootmoeder, en vies ook. En hij heeft een lange roode tong en booze oogen en nare pooten en een staart als een bezem.
- Zoo, zoo, zei de wolf. Nu, gelukkig maar, dat je hem te vrind hebt gehouden.
- Vindt u niet ? babbelde Roodkap!e, die intusschen bezig was om haar bloemetjes uit het mandje te halen. Ik zou wel bij u komen, om u een zoentje te geven; maar ik wil eerst mijn bloemetjes in 't water zetten, want die hebben erg veel dorst, weet u!
- Zet ze maar in die melkkan, die op tafel staat, antwoordde de wolf. Daar is water in. En vertel me nog eens meer van dien viezen wolf.
- O, hij zei, dat hij naar een ander bosch ging, praatte Roodkapje, met haar bloemetjes bezig. En hij zei, dat ik de moeite van 't opeten niet waard was. Maar de houthakkers zeggen, dat hij dat allemaal jokt; en de houthakkers zijn heel vriendelijk, Want die hebben me weer op het breede boschpad gebracht.
De wolf rilde onder de dekens van boosheid. Hij haatte de houthakkers, omdat hij wist, dat ze op hem loerden.
- Zoo, zei hij, terwijl zijn stem schor klonk. Zoo, zijn die zoo vriendelijk ?
- O, erg vriendelijk, antwoordde Roodkapje. Een van de houthakkers zal naar vader en moeder gaan, om te zeggen, dat vader en moeder niet ongerust hoeven te zijn, als ik vannacht bij u blijf. Vindt u dat niet vriendelijk? Ze hadden ook allemaal een ergen hekel aan dien naren wolf.
- Zoo, hadden ze dat, antwoordde de wolf, terwijl zijn stem nog schorder werd
- Hee, grootmoeder, wat bent u schor! riep nu Roodkapje. Ziezoo, mijn bloemetjes staan in de melkkan. Ze ruiken heerlijk. En hier liggen mijn eieren en daar staat mijn wijn. De wafeltjes laat ik maar stilletjes in het mandje.
- Dat is goed, zei de wolf. Ja, ik ben een beetje schor door verkoudheid. Vanmorgen heb ik zonder muts buiten geloopen. 't Leek zoo warm buiten en de vogels zongen zoo mooi.
- O, ja, de vogels zingen erg mooi, zei Roodkapje, nu wat dichter bij het bed komend, Weet u wat ze zongen ?
- Neen, zei de wolf, hoestend om toch vooral Roodkapje te laten gelooven, dat hij verkouden was en daarom zoo schor praatte.
Nu zong Roodkapje het liedje van de vogels, het waarschuwende liedje, waar ze niet naar had geluisterd.
Meisje, meisje, haast u maar,
Want u dreigt een groot gevaar!
Al wie ongehoorzaam,
Gaat het zeker, zeker mis!
Zoo zong ze.
- Wat wou er mijn lief Roodkapje nu voor gevaar dreigen? vleide de wolf, weer hoestend. Kom eindelijk eens hier, opdat ik je een kusje kan geven. En luister voortaan niet meer naar die malle vogels. Die vertellen onzin. Uche, uche, uche!
Vreeselijk hoestte de wolf.
- O, grootmoeder, u is ontzettend verkouden, zei Roodkapje, nog nader komend. Ze keek aandachtig naar het bed. Grootmoeder zag er zoo heel anders uit dan gewoonlijk, meende ze. Zou dat allemaal door die verkoudheid komen ?
- U moet nooit meer zonder muts uitgaan, hoor grootmoeder, zei ze. Want u ziet er zóó slecht uit. Het is wel erg donker al hier; maar dàt kan ik toch nog zien.
- Dat zal wel verbeelding zijn, kuchte de wolf. Zóó ziek ben ik niet. Kom maar eens hier en geef me een kus.
Maar Roodkapje was bang geworden. Ze vertrouwde de zaak niet heelemaal.
- Grootmoeder, wat hebt u een groote oogen, zei ze benepen.
- Dat is, om je beter te kunnen zien, antwoordde de wolf. Kom maar hier.
- Grootmoeder, wat hebt u een groote ooren, zei Roodkapje, steeds banger wordend.
- Dat is, om je beter te kunnen hooren, antwoordde weer de wolf. Kom toch bij me!
- Grootmoeder, wat hebt u een grooten neus, zei weer Roodkapje, nog weer banger.
- Dat is om je beter te kunnen ruiken! Maar kòm dan toch!
Nu werd Roodkapje heelemaal bang.
Grootmoeder, wat hebt u een groote tanden! riep ze, terwijl 't huilen haar nader stond dan het lachen.
Dat is om je beter te kunnen opeten, brulde de wolf.
Meteen sprong hij uit bed, pakte Roodkapje, en slokte haar in één hap op.
- Ziezoo, dat is voor je ongehoorzaamheid, zei hij, terwijl hij zijn muil aflikte. Ik heb intusschen mijn buik vol en kruip weer in bed om eens lekker uit te slapen. Morgen ochtend ga ik dan weg en eet eerst nog de wafels en de eieren op. Wijn drink ik liever niet. Daar word ik zoo licht van in 't hoofd.
En de wolf rolde zich eens lekker op in bed, net als een hond die slapen wil. Omdat hij het grappig vond, hield hij de nachtjapon van Roodkapje's grootmoeder aan en haar muts op.
Intusschen waren Roodkapje's ouders lang niet op hun gemak. De vriendelijke houthakker had hun wel de boodschap overgebracht, dat Roodkapje dien nacht bij Grootmoeder zou blijven; maar ze wisten, dat de wolf in de buurt was, daar de vader hem zelf had gezien. Ook vertelde de houthakker van hetgeen Roodkapje van den wolf had ondervonden. 's Avonds zaten ze een poos zwijgend rond het open vuur van de schouw, waar een klein vuurtje in brandde om een keteltje koffie te warmen.
- Ik ben heelemaal niet gerust over Roodkapje, zei de vader. De wolf is hier dichtbij gebleven, daar ben ik zeker van. We kennen zijn praatjes. Er is natuurlijk geen woord waar van 't geen hij heeft verteld over dat andere bosch, waar hij heen zou gaan.
- Hij is een slecht en vraatzuchtig beest, antwoordde de moeder. Verleden week nog heeft hij in één nacht twee lammeren gestolen. In het dorp nog wel. O, dat dier durft alles!
- Het zal een geluk zijn voor de buurt, als we er eindelijk in slagen, hem zijn kop af te hakken, hernam de vader. We loeren er allemaal op en hebben onze bijl eens extra laten slijpen. Maar het beest is zóó slim, dat hij zich niet licht zal laten naderen.
- Hij moet vroeger directeur van een paardenspel zijn geweest, vervolgde de moeder. Men zegt, dat hij daar al zijn valsche streken heeft geleerd, en dat hij al zijn geld heeft opgemaakt.
De vader lachte hartelijk.
- Directeur van een paardenspel! lachte hij. Maar vrouwtjelief, hoe is 't mogelijk, dat je zooiets gelooft ?
- 't Is me toch voor waar verteld, hield Roodkapje's moeder vol.
De vader schudde 't hoofd.
- De menschen praten zooveel, zei hij. Het is mogelijk, dat de wolf vroeger vertoond is in een paardenspel. Dat acht ik zelfs heel waarschijnlijk. Hij kent allerlei kunstjes en spreekt zelfs menschentaal. Dat moet hij toch ergens hebben geleerd.
- Ja, hij kan praten en loopt soms op twee pooten, verzekerde de moeder. En hij durft alles.
- Alles niet! zei de vader; want op den breeden weg door 't bosch durft hij zich niet te wagen. Hij verschuilt zich achter boomstammen en in konijnenholen, die hij eerst leeg eet. Gisteren was ik al zoo blij, omdat ik meende, dat ik zijn staart zag achter een dennestam. Ik sloop dichtbij en greep mijn bijl goed vast; maar voor ik bij hem was, schoot hij in een konijnenhol. Toen heb ik wel een uur bij den ingang van het hol gewacht.
- O, ben je daarom zoo laat thuis gekomen? plaagde de moeder.
- Natuurlijk! voor mijn plezier blijf ik niet weg, ging de vader voort. Ik hoopte dien deugniet te vangen.
- En ? 't Is niet gelukt ?
- Neen: hij is niet uit het hol te voorschijn gekomen.
Het hol heeft vermoedelijk nog een tweeden uitgang, wie weet, hoever hier vandaan.
- Zoo'n ellendeling! Wie zegt ons, hoeveel van die lieve konijntjes hij nu wel heeft opgegeten, riep de moeder uit.
- Nu, zoo heel lief zijn die konijntjes anders ook niet. Ze eten onze kool op, als we geen ijzergaas rond onzen tuin zetten, vond de vader.
Beiden zwegen nu, elk in hun eigen gedachten verdiept.
De ketel boven het open vuur begon te zingen. De moeder schonk een kopje koffie in.
- Zou ons lief Roodkapje nu ook koffie drinken? vroeg ze. Ze is nog nooit zoo lang bij ons vandaan geweest.
- Nu, grootmoeder zal wel goed voor haar zorgen, troostte de vader.
Maar ze waren geen van beiden gerust.
Toen het al donkerder werd, ging de vader eens naar buiten kijken, om te zien wat voor weer het was, zooals hij zei; maar in werkelijkheid deed hij het, om den weg op te kunnen men, aan welks einde het huis van de grootmoeder was, waar Roodkapje nu wel slapen zou.
Het duurde niet lang, of de moeder kwam ook naar buiten, en stak haar arm door zijn arm heen.
- Kom, laten we gaan slapen, zei ze.
Maar ze sliepen, o, zoo slecht dien nacht. Ze dachten maar al aan Roodkapje en werden telkens met een schrik wakker als ze even insliepen.
- Er is bepaald iets akeligs gebeurd met ons kind, zei eindelijk de vader. Zoodra het licht wordt, ga ik naar grootmoeder toe. Jij moet dan maar een boodschap brengen bij de houthakkers, dat ik verhinderd ben om te komen werken..
Ja, dat is goed, zei de moeder. Ik had ook al gedacht dat ik maar wou gaan om Roodkapje te halen. Maar 't is beter, dat jij gaat en dat je een extra scherpe bijl meeneemt.
Nu ze dit besluit hadden genomen, sliepen de vader en de moeder eindelijk voor eenige uren in. Bij 't eerste kraaien van den haan ontwaakten ze en wreven zich de oogen uit.
- Ik zal gauw een boterham voor je klaarmaken en koffie voor je zetten, zei de moeder, uit bed springend.
Met groote happen at de vader het brood en met groote teugen slokte hij de koffie naar binnen. Hij liet zichzelf haast geen tijd om te eten en te drinken. De scherpste bijl die hij bezat zocht hij op, nam die op zijn schouder, en ging met groote stappen den weg op die naar het huisje van de grootmoeder leidde. De moeder zag hem lang na. Haar hart was angstig en beklemd. Ook de vader was droef te moede. Waarom wist hij zelf niet. Hij luisterde niet naar de vogels, die hem toezongen van over de velden en keek niet naar de bloemen die wakker werden in de zon, en heerlijke geuren verspreidden. Hij had maar één gedachte: iets is er niet goed met ons kind. Hij voelde dat zóó duidelijk, of hij het wist. De lange weg viel hem ontzettend lang. Eindelijk zag hij het huisje van grootmoeder, verscholen tusschen het groen. Nog eenige stappen, en hij was er. Zonder kloppen opende hij de deur en keek naar binnen. En wat zag hij daar? Geen Roodkapje en geen grootmoeder: maar de wolf, met grootmoeder's muts op en grootmoeder's jak aan, ineengerold slapende in grootmoeder's bed.
O, jou, ellendeling! riep hij: waar is mijn kind, mijn Roodkapje ? De wolf, verschrikt, nu hij daar een volwassen man zag, met een bijl gewapend, sprong uit bed.
- Meneer de houthakker, ik heb geen kind gezien, zei hij. Gisterenavond ben ik hier gekomen en toen was het huisje geheel leeg.
- Je liegt, antwoordde de vader van Roodkapje. Je hebt misschien twee menschen opgegeten: mijn kind en mijn moeder. Alloh! vooruit met de waarheid !
En hij greep de wolf bij zijn gestolen nachtjak en schudde hem deerlijk heen en weer.
- Och, lieve houthakker, ik verzeker u, dat ik niets kwaads heb gedaan, smeekte de wolf. Roodkapje is zeker met haar grootmoeder gaan wandelen.
Maar Roodkapje's vader had het dikke buikje van den wolf gezien. Hij hief zijn bijl, liet die neerkomen, en reet den buik van den wolf open, en ziet: levend en wel sprongen er uit, eerst Roodkapje en toen de grootmoeder. Hoef ik u nog te vertellen, dat de vader blij was? Hij zoende zijn kindje wel een half uur lang.
- O, vader, het was mijn eigen schuld, zei Roodkapje nu. U moet me mijn ongehoorzaamheid nog voor deze eene maal vergeven; want nu zal ik heusch en heusch en heùsch nóóit meer ongehoorzaam zijn!
- Je hebt nu tenminste een les beet meisje, zei de vader. En zoen nu maar gauw grootmoeder goedendag en ga mee naar moeder, die in duizend angsten op ons wacht. Eerst zal ik nog den boozen wolf begraven.
Toen de vader den wolf begraven had, lei hij een grooten steen op het graf.
" Hij moest er anders nog weer eens uitkruipen," dacht hij.
Daarna nam hij afscheid van de nog altijd verschrikte grootmoeder, en beloofde haar, den dokter te zullen sturen, die haar wel een geneesmiddel tegen de zenuwen voor zou schrijven, en toen ging hij met Roodkapje naar huis terug. Hij droeg haar op zijn schouder.
- Als we thuis zijn, moet je maar eens precies alles vertellen, zei hij. Dan kan moeder het ook hooren. Dat was me een blijdschap, toen Roodkapje eindelijk in de armen van haar moeder vloog.
- O, mijn lief Roodkapje! riep de moeder. Nu zal je toch heusch voortaan gehoorzaam zijn; want nu heb je toch eens gezien, hoe het ongehoorzame kinderen gaat, kinderen die niet luisteren naar groote menschen, die toch al zooveel meer ondervonden hebben dan zij en die dus beter weten wat goed en verstandig is.
- Dat zal ik zeker, moeder! riep Roodkapje.
En gezellig zittend bij het open vuur, een kommetje koffie en een boterham vóór zich, vertelde zij in geuren en kleuren al wat zij had ondervonden. ’s Middags kwamen de houthakkers op visite. Zij hadden gehoord, dat Roodkapje’s vader den wolf gedood had en wenschten hem en zichzelf daarmee geluk. De omtrek was nu gezuiverd van een wild, en schadelijk dier.
- En ons Roodkapje is gezuiverd van een leelijk gebrek lachte de moeder. Nu zal zij toch zeker altijd gehoorzaam zijn! En zoo gebeurde het, Roodkapje groeide goed op en leefde nog lang en gelukkig met haar lieve ouders in het kleine huisje aan den rand van het bosch. En ze was nooit, noóit meer ongehoorzaam.
In een klein huisje, dicht bij een groot bosch, woonde eens een houthakker met zijn vrouw. Zij waren wel arm, maar toch heel gelukkig; want zij hadden een allerliefst kind, een meisje dat Roodkapje werd genoemd, omdat zij altijd een rood mutsje droeg. Roodkapje's grootmoeder had dit mutsje zelf gemaakt en terwijl zij er mee bezig was, had ze aldoor aan haar kleinkindje gedacht, dat mooi was en lief en dat maar één, gebrek had: het was namelijk wel eens ongehoorzaam.
"Och, och, mocht mijn kleinkind toch dat nare gebrek afleeren," dacht de grootmoeder, voortwerkende aan het mutsje. "Ze zal zich door haar ongehoorzaamheid nog eens een ongeluk bezorgen. Kleine kinderen moeten gehoorzaam zijn; want ze weten nog niets van hetgeen groote menschen weten. Ze moeten daarom naar groote menschen luisteren. Als die hun iets verbieden, is er werkelijk wel een goede reden voor. Och, och, mocht mijn lief Roodkapje toch leeren luisteren naar 't geen haar verboden wordt, door mij en door haar moeder en door haar vader, én door alle menschen die 't goed met haar meenen!"
Toen de kleine Roodkapje het roode mutsje kreeg, zei haar moeder:
- Zul je, als je dit kapje op hebt, altijd bedenken dat je gehoorzaam zijn moet?
- Zeker moeder, zei Roodkapje. Als ik het mutsje op heb, zal ik daar vast aan denken.
- Kijk me eens aan. Kijk me eens goed in de oogen, ging de moeder voort. Ik denk er maar al over, hoe jammer het is, dat je nog zoo dikwijls vergeet om gehoorzaam te zijn. Ik denk met ongerustheid eraan, dat je je nog eens een ongeluk zal bezorgen, door die ongehoorzaamheid.
- Ja, maar, moeder, heusch, ik zal er voortaan aan denken, zei Roodkapje, terwijl een kleurtje, van verlegenheid op haar wangetjes kwam. U zult eens zien. Dat mutsje zal er me altijd aan herinneren!
- Geef me dan maar een zoen, zei de moeder. En wees netjes op je roode kapje.
- Dat beloof ik u, zei Roodkapje, haar armpjes om haar moeder's hals slaande, om haar eens een fermen pakzoen te geven.
Werkelijk leek het, of Roodkapje woord zou houden. Als haar vader of moeder haar iets verboden, deed ze het ook niet.
- Ons kindje schijnt nu toch eindelijk haar leelijk gebrek te hebben afgeleerd, zei Roodkapje's vader tegen zijn vrouw.
- Dat hoop ik van harte, antwoordde zijn vrouw zuchtend.
- Ik heb 't haar laatst, toen zij dat nieuwe roode mutsje kreeg, nog weer eens voorgehouden, dat kinderen altijd luisteren moeten naar groote menschen.
- Ja, ja, zei de vader: groote menschen hebben al zooveel langer geleefd dan kleine kinderen. Ze hebben dus heel wat meer ondervonden en weten dus beter wat goed is en wat niet goed is. Daarom moeten kinderen naar hen luisteren. Gelukkig, dat ons Roodkapje dat dan nu eindelijk begrijpt.
Meteen nam hij zijn bijl weer op, kuste zijn vrouw goedendag en ging het groote bosch in, waar nog meer houthakkers aan 't werk waren. Ze werkten diep in't bosch en de slagen van hun bijlen waarmee ze boomen omhakten, waren in het huisje waar Roodkapje woonde niet eens te hooren, zoo ver weg werkten zij. Soms ging Roodkapje met haar moeder naar hen toe, om aan Roodkapje's vader eten te brengen; want als die den heelen morgen hard gewerkt had, was hij veel te moe om heelemaal naar huis te loopen voor een hap warm eten. Roodkapje's moeder bracht hem dan eten, in een klein pannetje en warme koffie in een kruikje en droeg dit in een mandje dat ze aan haar arm hing. Soms bakte ze ook oliekoeken, of wafels, of pannekoeken en bracht die aan haar man; en dan kregen de andere houthakkers er ook een paar mee. De houthakkers kenden Roodkapje dan ook allemaal. "Dag Roodkapje !" zeiden ze, als het kind met haar moeder meekwam. Roodkapje moest dan allen een handje geven, wat ze altijd allervriendelijkst deed; zoodat de mannen allemaal erg veel van haar hielden.
Op een keer had Roodkapje's moeder weer wafels gebakken.
- Nu moest jij eens wat van die wafels aan grootmoeder brengen, zei ze tegen Roodkapje. Ik zelf kan niet met je meegaan, want ik moet naar vader; maar je kunt mijn mandje krijgen en dat aan je arm hangen. Ik zal dan behalve de wafels wat mooie, groote eieren en een half fleschje wijn in het mandje doen. Grootmoeder wordt oud en zwak. Zelf kan ze geen wafels meer bakken, en wijn heeft ze niet in huis, zooals wij, die zelf wijn persen uit de druiven van onzen druivenboom.
- O, dat wil ik graag doen, antwoordde Roodkapje. En wat zal die lieve grootmoeder blij zijn! Ik heb haar in zoo'n tijd niet gezien. Zou ze vinden dat ik erg groot geworden ben?
- Zeker! zei de moeder: erg groot en ook erg zoet.
- Hoe bedoelt u dat ? Waarom erg zoet? vroeg Roodkapje.
- Omdat mijn lief Roodkapje gehoorzamer is geworden, antwoordde de moeder, de etenswaren en den wijn in het mandje pakkend en er een mooi wit doekje met roode stipjes over uitspreidend.
- Ziehier, vervolgde de moeder: het mandje is klaar. Geef me nu een zoen en luister goed. Je moet blijven loopen op het breede boschpad dat je regelrecht naar het huisje van grootmoeder brengt. Niet tusschen de boomen loopen en geen zijwegjes ingaan, en geen bloemen plukken. Gisteren is er een groote wolf gezien, tusschen de boomen van het bosch. Die wolf komt nooit op het breede boschpad, omdat hij veel te bang is voor de menschen die hij daar zou kunnen tegenkomen. Hij loert op de smalle paadjes en tusschen de boomen, dan kan hij gauw achter de stammen verdwijnen als er een mensch aankomt. Het is een heele groote wolf, die al tien schapen en vijf lammetjes heeft opgegeten. Je vader en de andere houthakkers loeren er op, om hem te dooden. Hij is brutaal en gevaarlijk; maar hij is, zooals ik je al zei, bang voor groote menschen en loopt dus nooit op het breede boschpad. Als jij daar dus niet van af gaat, kan je hem niet tegenkomen. Heb je dat goed begrepen ? ....
- Zeker, moeder, antwoordde Roodkapje, het hengselmandje voorzichtig aan haar arm schuivend.
- Dus niet op zijwegjes gaan, zei de moeder nog eens.
- Neen, moeder, beloofde Roodkapje.
- En niet tusschen de boomen loopen, hield de moeder nog weer eens aan.
- Natuurlijk niet, moeder, beloofde Roodkapje, haar gezichtje opheffend om een kus te ontvangen.
De moeder kuste haar kindje en bracht het tot buiten de deur en keek het na en wuifde het toe, zoolang ze het zien kon.
- Dag Roodkapje! Groeten aan grootmoeder! riep ze nog uit de verte.
- Ja, ja, dag moeder! riep Roodkapje terug. Ze keek nog eens om en nog eens, tot ze aan een kromming van den weg kwam, die maakte dat ze haar moeder niet meer kon zien. Ze school het mandje nu nog eens wat steviger op haar armpje en stapte flink voort.
Het was zomer en boven in de boomen zongen veel vroolijke vogeltjes de allermooiste liedjes die vogels maar weten. Ook stonden er snoezige bloemetjes tusschen de boomen. "Eigenlijk kon ik wel wat bloemetjes plukken," dacht Roodkapje. "Moeder heeft wel gezegd, het niet te doen en recht door te loopen op het breede boschpad; maar ik zie nergens tusschen de boomen een wolf en me dunkt dat grootmoeder wat blij zal zijn, als ik haar ook een ruikertje frissche bloemen mee breng. De oude ziel ligt altijd te bed en kan zelf geen bloemen meer plukken. Bovendien ben ik dadelijk weer op het pad. Ik ga maar een klein eindje tusschen de boomen. Er staan daar de allerprachtigste bloemetjes."
Gretig keek Roodkapje tusschen de boomstammen, waar in het gras sleutelbloemen, anemonen, narcissen en lelietjesvan-dalen bloeiden; en zonder langer na te denken, stapte ze van het pad af tusschen het lange gras en bukte zich naar een prachtige witte narcis. Maar vol schrik kwam ze weer overeind. Ze had naast zich een donkere schaduw gezien. Dat moest de wolf zijn. Zonder zijn kant op te kijken, holde ze terug naar het breede boschpad; maar ze hoorde, dat de wolf haar volgde. Toen ze op het boschpad was, bleef ze hijgend staan. Hier zou de wolf haar niet durven volgen, meende ze. Maar jawel, de wolf had natuurlijk gezien, dat zij maar een klein meisje was, waar hij nog niet bang voor hoefde te zijn, en volgde haar nu brutaal tot op het breede pad. Hij was zwart en verschrikkelijk groot en een roode tong hing hem uit den bek.
- Waar ga je naar toe ? vroeg hij barsch.
- O, lieve wolf, doe mij geen kwaad, antwoordde Roodkapje. Ik ga naar Grootmoeder, lieve, zoete wolf! "Ik zal maar erg vriendelijk tegen hem zijn," dacht ze, bevend van angst. "Misschien helpt dat. Hij ziet er uit, of hij mij in één hap kan opeten.
- En wat moet je bij je grootmoeder doen? vroeg de wolf, werkelijk al wat minder barsch.
- Lieve, vriendelijke, zoete wolf, ik moet haar wafeltjes brengen en eieren en zelf-gemaakten wijn. Moeder stuurt me naar haar toe. Moeder is naar vader, weet u. Die is houthakker en hakt boomen om, met nog een heeleboel andere mannen.
- Zoo, zei. de wolf. Is je vader een van die ellendige houthakkers, die op me loeren? Een mooie boel. Ze gunnen me geen schaap en geen lammetje. Ik moet zeker voor hun plezier honger lijden. Wel zeker! Ik zal ze aan zien komen! O, u mag net zooveel schapen en lammetjes opeten als u wilt, mooie, zoete wolf, vleide Roodkapje, als u mij maar met rust laat!
- Hm, zei de wolf, en stak zijn rooden tong nog wat verder uit. Daar zullen we later wel eens over praten. Vertel me eerst nog maar eens meer van je grootmoeder.
- Grootmoeder is erg lief, zei Roodkapje. Hoewel natuurlijk niet zoo lief als u, voegde ze er voorzichtig aan toe.
- Ze is al heel oud en kan geen wafels meer bakken. Ook heeft ze geen druivenboom met druiven om wijn van te maken en dit voorjaar zijn al haar kippen gestorven.
- Jammer, vond de wolf: nu kan ik ze niet opeten.
- O, zeker is dat jammer, meneer wolf, zei Roodkapje, al maar beleefder wordend. Nu mag ik zeker wel verder gaan. Gaat u dan als 't u blieft een anderen kant op?
- Is het huisje van je grootmoeder hier ver vandaan? ging de wolf voort, zonder aanstalten te maken om aan het verzoek van Roodkapje te voldoen. Hij kwam integendeel nog wat dichter bij, zóó dichtbij, dat Roodkapje zijn heeten adem in haar gezichtje voelde.
- Nog een heel eind hier vandaan, lieve, schattige, deftige meneer wolf, bibberde Roodkapje. Ik zal hard moeten loopen als ik er voor twaalf uur zijn wil. Laat u me dus als je blieft door?
- Jawel, dat heeft geen haast, bromde de wolf. Ze is al oud zeg je en ze ligt op haar bed? Hoe kom je dan haar huis binnen?
- O, meneer wolf, aan de klink van haar deur is een touwtje, waar ik aan trek. Ik weet dat alleen, van dat touwtje, en vader en moeder. Vreemden weten dat niet. Anders zouden vreemden ook bij grootmoeder binnen kunnen komen. Ik klop altijd eerst, weet u, om te hooren of grootmoeder geen belet heeft. Dan roept ze gewoonlijk “trek maar aan het touwtje," en dan doe ik dat en kom zoo binnen. Grootmoeder is heusch een snoezig mensch, al is zij oud. Zij kan prachtige verhaaltjes vertellen van tooverprinsen en van prinsessen en van allerlei. Ook heeft zij een spinnewiel en een poes.
- Een lekkere poes? vroeg de wolf, zich den muil aflikkend.
- Hoe bedoelt u dat, lieve meneer wolf? vroeg Roodkapje. Het is een oude poes die erg krabbelt, omdat hij gauw boos wordt.
- O, neen, die zou dan te veel in mijn maag jeuken, antwoordde de wolf.
O, bedoelde u, of hij, lekker was om te eten? Neen, dat geloof ik niet, antwoordde Roodkapje. Me dunkt, dat die vogeltjes boven in de boomen veel beter zullen smaken.
- Is die oude poes altijd bij je grootmoeder ? bleef de wolf aanhouden.
- Neen, meneer wolf, zij is dikwijls van huis, want zij vangt muizen tusschen het koren, antwoordde Roodkapje, al maar zoo beleefd mogelijk blijvend.
- Hm, zei de wolf. Nu, ik heb geen, trek in een oude kat zoolang er nog wat anders is.
- O, u bedoelt mij toch niet? vroeg Roodkapje angstig.
- Wel neen, verbeeld je maar niks, zei de wolf minachtend. Jij bent me veel te klein. Je bent op, vóór ik aan je begin. Blijf jij maar bedaard bloemetjes plukken. Ik ga dit bosch uit en naar een ander bosch, waar een heeleboel schapen loopen.
- O, heel goed, antwoordde Roodkapje blij. Gáát u maar, en wel thuis en de complimenten aan mevrouw de wolvin en aan uw lieve kindertjes. Zegt u maar van Roodkapje, dan weten ze het wel; want zoo noemt iedereen mij. Gaat u maar gauw, dan ga ik ook gauw, weet u, want ik vind u heel mooi en heel lief en volstrekt niet zwart en ook niet verschrikkelijk en u hebt een snoezig roze tongetje en een allervriendelijkst stemmetje; maar, ziet u, ik kan nu heusch niet langer met u praten, want mijn moeder heeft gezegd, dat ik gauw terug moest komen, en ik heb nu al zooveel met u gepraat, omdat ik u zoo alleraardigst vind.
- Jawel, jawel, zei de wolf, die best begreep, dat Roodkapje zoo vriendelijk was uit angst. De rest is net eender. Ik ga dan maar.
- En zult u vooral mijn groeten doen aan mevrouw de wolvin ? vroeg Roodkapje nog eens.
- Bij gelegenheid, antwoordde de wolf, leukweg. Zoodra ik mevrouw zie.
Meteen zette hij het op een loopen, zóó hard dat de grond daverde.
“Ziezoo, die gaat! Dat heb ik hem netjes geleverd", dacht Roodkapje. En nu kan ik zeker bloempjes gaan plukken; want hij gaat toch naar een ander bosch. Op haar gemak begon ze nu te plukken. Om de bloemen zoemden hommels en bijen; en mooie vlinders, die wegvlogen als Roodkapje er naar greep, lokten het meisje al maar dieper het bosch in. Ze liep de vlinders na, lachte en plukte bloemen en hoorde niet, hoe de vogels haar toezongen vanuit de hooge kronen der boomen, een waarschuwend wijsje:
Meisje, meisje, haast u maar,
Want u dreigt een groot gevaar!
Al wie ongehoorzaam,
Gaat het zeker, zeker mis!
Zoo zongen de vogels. Het waren meesjes en vinken en merels en vliegenvangers en zelfs een specht, die anders alleen tikt tegen de stammen om er wurmpjes uit te jagen, die hij dan opeet en een koekoek die enkel roept als 't regenen gaat. Ze hadden allen medelijden met het lieve meisje met haar blonde krulletjes en met haar blauwe oogjes en met haar roode kapje. Ze kenden den wolf, en wisten wel, dat die iets verkeerds zou uithalen tegenover Roodkapje en dat hij volstrekt geen plan had om naar een ander bosch te gaan. Alleen een nachtegaal, die in laag struikgewas zat, hield zijn mond. 't Was zijn tijd van zingen nog niet.
"Als Roodkapje zoo doorgaat, is ze vanavond nog hier en dan zal ik haar wel wat voorzingen, waar zij naar zal móeten luisteren", dacht de nachtegaal. Naar mij luistert iedereen. Dat komt niet alleen, omdat ik zoo mooi zing, maar ook omdat ik zoo verstandig ben om 's nachts te zingen, als alle andere vogels zwijgen."
Roodkapje, zooals ik al zei, was veel te veel bezig met haar bloemen plukken en vlinders jagen, om naar de vogels te luisteren. Ze hoorde ze wel zingen; maar wàt ze eigenlijk zongen, hoorde ze niet. Ze begon zelf een wijsje te neuriën, en zong weldra hard, zóó hard, dat ze de vogels overstemde.
Plotseling keek ze op en schrikte. Waar was ze? Ze was zeker verdwaald. Ze keek om zich heen. Nergens meer een pad te zien. Alles gras en boomen, en, ja, wel mooie bloemen, maar die had ze genoeg in haar hand. Ze kon haar ruiker haast niet meer vasthouden. Ze keek om zich heen, naar boven, naar beneden, en eindigde met plat op den grond te gaan zitten en in huilen uit te barsten. Toen ze een poosje flink gehuild had, droogde ze haar oogen. Dat huilen hielp ook al niet. Ze zou maar eens aan de boomen vragen, of die den weg niet wisten. Ze stond dus op en ging naar een dikken denneboom en vroeg:
- Och, lieve boom, kunt u me niet zeggen, hoe ik moet gaan, om weer op het breede boschpad te komen? Maar de denneboom knipperde zoo'n beetje met zijn naalden en gaf geen antwoord. Denneboomen zijn over 't algemeen niet erg spraakzaam. Alleen als 't hard waait zingen ze zoo'n beetje, een onverstaanbaar liedje.
Nu ging Roodkapje naar een populier, die hoog en breed tusschen de andere boomen in stond.
- Och, beste boom, weet u dan misschien welken kant ik op moet gaan, om weer op het rechte pad te komen? vroeg Roodkapje nu, omhoog ziende naar den populier.
Maar de populier ratelde maar zoowat in een taal waar Roodkapje niets van verstond. Zijn beweeglijke blaadjes waren geen oogenblik stil. Hij vertelde van alles door elkaar.
Roodkapje zuchtte.
Die weet 't ook al niet, zei ze, rondziende. Toen ging ze naar een breeden eikeboom. - Och, zoete boom, zeg jij me dan waarheen ik gaan moet, vroeg ze.
Maar de eikeboom, breed en rustig, lispte even wat en werd toen heel stil.
Nu zag Roodkapje een klein konijntje uit een holletje komen. Ze ging er heen, bukte zich, en vroeg:
" Klein konijntje, weet jij ook, hoe ik moet komen bij het rechte boschpad dat mij naar het huisje van mijn grootmoeder brengt ?
Het konijntje bewoog zijn oortjes, keek met zijn bange, bolle oogjes naar Roodkapje op, draaide zich toen om en huppelde vlug weer naar binnen in zijn holletje.
Zooiets onbeleefds heb ik nog nooit gezien! riep Roodkapje nu tegen een groote, groene padde, die haar met zijn zwart-gouden oogen zat aan te staren tusschen het gras. Jij zult zeker wel beleefder zijn en mij tenminste antwoorden ?
Maar de padde hapte naar een mugje, en liep toen met zijn lang-uitgerekte pooten weg.
Nu wendde Roodkapje zich tot de bloemen tusschen 't gras. Een voor een vroeg ze sleutelbloem, anemoon, narcis, boschviooltje, blauw klokje, lelietje-van-dalen, boterbloem en zelfs meizoentjes naar den weg, maar ze kreeg geen antwoord.
De bloemetjes keken haar met hun onschuldige oogjes aan en geurden maar en wiegden wat heen en weer op hun stengels, doch bleven zwijgen.
Wie nu nog ? zuchtte Roodkapje. Daar herinnerde ze zich de vogels. 't Was of zij die nu opeens hoorde. Zij keek naar boven en luisterde, en jawel, daar klonk het:
Meisje, meisje, haast u maar,
Want u dreigt een groot gevaar!
Al wie ongehoorzaam is,
Gaat het zeker, zeker mis!
Den weg, den weg wil ik weten, riep Roodkapje. Zeg me die en ik zal heusch nooit meer ongehoorzaam zijn! Maar vermoedelijk wisten de vogeltjes het breede boschpad zelf niet. Ze antwoordden tenminste niet op Roodkapje's vraag en bleven maar wild dooreen zingen:
Meisje, meisje, haast u maar,
Want u dreigt een groot gevaar!
Al wie ongehoorzaam is,
Gaat het zeker, zeker mis!
- Jawel, jawel, dat weet ik nu al! Maar den weg, den weg! riep Roodkapje.
Geen der vogels gaf echter antwoord op haar vraag.
" Ik zal in vredesnaam maar doorloopen," dacht nu Roodkapje. "Eindelijk moet ik toch ergens terecht komen." Ze liep dus door, moe en bedroefd. Eindelijk hoorde ze heel in de verte bijlslagen.
"Ha, gelukkig, daar moet vader zijn!" dacht ze. Haar hartje sprong op van blijdschap. "Ik krijg zeker erg knorren, als ik bij hem kom," dacht ze verder, "maar dat heb ik dan ook verdiend." Ze dacht aan haar arme, oude grootmoeder, die daar nu op haar lag te wachten misschien, en die nu geen wafels en geen wijn zou hebben op etenstijd.
"O, ik ben een slecht kind," zei ze bij zichzelf. "Maar ik heb dan nu ook voor goed een les beet. Nooit, nóóit zal ik meer ongehoorzaam zijn!
Het arme Roodkapje wist nog niet, welk een vreeselijke straf haar wachtte. Ze liep snel door in de richting waar ze de bijlslagen hoorde en kwam werkelijk bij een open plek in het bosch, waar veel boomen geveld lagen en waar een tiental houthakkers bijeen waren.
De mannen hielden op met werken en keken het, blonde meisje verbaasd aan. Roodkapje zag ze allen in ’t gezicht: helaas, haar vader was er met bij en zij kende deze houthakkers geen van allen.
- Ik ben Roodkapje en ik ben verdwaald, zei ze. Weet u een van allen ook waar mijn vader werkt. Dan kan ik naar hem toegaan.
- O, is u Roodkapje ? vroeg een van de mannen. Juist juist, ik heb wel van u gehoord, U woont, met uw vader en moeder aan den rand van dit bosch. Juist. En uw grootmoeder woont aan het einde van het breede boschpad in een aardig klein huisje. Zeker, uw vader heb ik wel eens gezien. Hij is een flink werkman en graag zou ik u bij hem brengen ; maar hij werkt veel te ver weg. Zooveel kan ik niet van mijn tijd verzuimen. Vertel ons echter eens, hoe het komt, dat u zoo verdwaald is geraakt. Zuchtend vertelde Roodkapje. Toen ze, al vertellend, gekomen was bij haar ontmoeting met den wolf, grepen al de mannen hun bijlen steviger vast.
- Wat? Den wolf? Dien ellendeling heb je gezien? riepen ze dooreen. Zeg ons welken weg hij is gegaan, dan zullen we hem eindelijk eens een kopje kleiner maken! Hij eet onze schapen en onze lammetjes op en bedreigt onze kinderen! Hij moet sterven, vóór hij nog meer misdaden kan doen!
- O, weest u maar niet ongerust, kalmeerde Roodkapje de mannen. De wolf is weg. Hij is naar een ander bosch gegaan. Voor hem hoeft u met bang meer te zijn. Hij heeft mij niet eens opgegeten. Hij zei, dat ik veel te klein was en, dat hij mij al op had, vóór hij aan mij begon! De mannen lachten en lieten hun bijlen, die ze al wraakzuchtig opgeheven hadden, weer zinken.
- Dan is 't wat anders, zei een der houthakkers.
Maar een heel oude houthakker nam nu het woord.
- De wolf liegt, zei hij. De wolf liegt altijd. En als ik u was, meisje, dan maakte ik maar, dat ik zoo gauw mogelijk bij mijn grootmoeder kwam. De wolf liegt en heeft een goede reden waarom hij u niet dadelijk heeft opgegeten. U is een malsch boutje voor hem en hij heeft zeker in lang niets gehad, want overal wordt hij bedreigd en verjaagd.
- Maar ik verlang niets liever dan bij grootmoeder te komen, antwoordde Roodkapje. Als ik den weg maar wist!
- Wat dat betreft kunnen we je helpen, klein Roodkapje, sprak weer een andere houthakker. Het breede boschpad is dichterbij dan je denkt. Wacht, ik zal je er even brengen. Loop nu flink door, en luister niet te veel meer naar de nachtegaal, die weldra zijn avondlied zal beginnen. Loop zoo vlug je kunt en blijft dezen nacht bij je grootmoeder. Ik woon niet ver bij je ouders vandaan en ik zal nog voor den nacht je vader waarschuwen, dat hij je zelf bij je grootmoeder terug moet gaan halen. Geef mij een hand en ga met me mee. In een paar minuten breng ik je op het rechte pad.
De man wierp zijn bijl neer en strekte zijn hand naar Roodkapje uit, die haar hand in de zijne lei, De overige houthakkers vervolgden hun werk
- Doorloopen zonder om te kijken, waarschuwde de oude houthakker nog eens. De wolf liegt altijd. Hij is in de buurt gebleven én heeft een goede reden, waarom hij je maar niet dadelijk opat.
Roodkapje knikte en riep den houthakkers een vroolijk vaarwel toe. Geleid door den eenen houthakker, was zij weldra op het breede boschpad.
- Als ik me niet vergis, schemert het huisje van je grootmoeder ginds al tusschen de boomen, zei de vriendelijke houthakker. Loop nu bedaard door, ik kijk je dan nog even na tot je vlak bij huis ben.
Roodkapje dankte den houthakker hartelijk. Ze nam haar ruikertje bloemen, dat ze zoolang in haar mand had gelegd weer in 't handje dat de houthakker had vastgehouden en ging op het huisje van haar grootmoeder toe. De houthakker keek haar na, en toen zij vlak bij het huisje was, keerde hij zich om en zocht, een vroolijk wijsje fluitend, zijn makkers weer op.
Wat had echter intusschen de booze wolf gedaan? Toen hij van Roodkapje vandaan was gehold, was hij niet naar een ander bosch gegaan, maar naar het huisje van Roodkapje's grootmoeder. Roodkapje had hem precies verteld, hoe hij er binnen kon komen. De wolf was een valsch en gemeen dier, dat altijd vol streken zat. Hij was niet altijd zoo slecht geweest. Hoe hij zoo geworden was, dat zal ik u eens even vertellen.
Eenmaal was deze wolf een lief, klein, mollig wolfje, dat in een nest lag met nog zes andere jonge wolfjes. Zijn moeder was een goedige wolvin, die haar kindertjes een goede wolvenopvoeding gaf.
- Jullie zijn nu eenmaal wolven, zoo zei ze tot haar kindertjes. Daarom mag je bij voorbeeld schapen, konijnen, en andere beesten opeten als je groot bent; maar menschen mag je niet opeten, want dat staat volstrekt niet netjes voor een wolf. Bovendien zijn menschen erg gevaarlijk. Zij hebben vuurwapens: geweren, revolvers en pistolen, en schieten je vóór je er aan denkt, poef! dood. 't Is het beste, ze maar een eindje uit den weg te blijven.
- Hoe zien menschen er dan, uit, lieve moeder? had het kleine wolfje gevraagd, dat nu een groote, slechte wolf was.
- Ze loopen op twee pooten en houden het hoofd omhoog, had de moeder geantwoord.
- O, dan ken ik ze wel, was het kleine wolfje gekomen. Dan wonen ze in de boomen. Ze zingen erg mooi en pikken zoo grappig. Neen, die zal ik nooit wat doen. Ze zijn de moeite van het opeten ook niet waard. Daarvoor zijn ze veel te klein. Bovendien zullen hun veeren erg in de maag kriebelen.
De oude wolvin lachte en likte haar dom kindje eens over het harige kopje.
- Jij klein dommertje, neen: dàt zijn geen menschen! Dat zijn vogels! Verbeeld je, vogels met vuurwapens! Menschen zijn véél, véél grooter. Ze wonen in huizen en hebben allerlei prachtige dingen, zooals stoelen en tafels en borden en kannen en, o, van alles!
- Mag ik dat allemaal zien, als ik groot ben? had het kleine wolfje, gevraagd.
- Misschien wel, had de wolvenmoeder geantwoord.
- Als je erg slim en verstandig wordt, kun je misschien net als ik wel zoover komen, dat je 's nachts bij hen naar binnen loert.
- Maar 's nachts kun je toch niet zien, wat er in hun huizen is ? zei het kleine wolfje.
- Dat denk je maar! Wij hebben alleen de zon en de maan en de sterren, als licht ; maar de menschen hebben prachtige andere lichten, die net zoolang branden als zijzèlf dat willen. Sommige van die lichten zijn zoo groot als de zon.
- Nou, maar die moet ik dan ook eens zien, had het kleine wolfje gezegd. Opeten zal ik de menschen niet; maar heusch, moeder, die mooie lichten moet ik eens van dichtbij zien!
- Als je dan maar heel voorzichtig bent, zei weer de oude wolvin. Verleden week is je vader doodgeschoten, terwijl hij op zijn achterste pooten stond om naar binnen te kijken door een menschenraam. Gelukkig dat ik jullie nu heb, anders was ik heelemaal alleen op de wereld.
Met een van haar vereelte pooten, had de wolvin een traan weggewischt; en de zeven wolfjes waren mee gaan huilen.
- 't Was vader z'n eigen schuld. Ik heb hem nog zoo gewaarschuwd! had de wolvenmoeder gesnikt.
Even later was ze weer met haar kindertjes gaan spelen. Bij wolven duurt het verdriet nooit lang. Het kleine wolfje, dat nu de groote, booze wolf van Roodkapje was, had haar woorden echter goed onthouden. Het was bang van de menschen, maar toch ook erg nieuwsgierig naar hun lichten, die soms zoo groot waren als de zon. Het woonde met zijn moeder op de hei, in een hol onder een kolossalen denneboom. Er waren daar bijna geen huizen, alleen kleine hutten, waar arme menschen woonden, die maar heel kleine lichten hadden en open vuren waar vuile ketels boven hingen. Soms sloop het kleine wolfje daarheen en gluurde naar binnen, 's avonds, als de deur op een kier stond; maar hij begreep wel, dat dit de lichten niet waren, waar zijn moeder over had gesproken. Soms liep hij ook verder, naar het dorp dichtbij de hei; maar daarin durfde hij zich alleen 'te wagen, als 't heelemaal nacht was, omdat er zooveel menschen in liepen. En 's nachts brandden er in het dorp alleen maar pieterige lantarenpitjes.
Op een goeden dag echter, hoorde het kleine wolfje muziek, die van het dorp scheen te komen.
- Wat is dat? vroeg hij zijn moeder, de oude wolvin.
- Dat is kermis! Er is kermis in het dorp! Vanavond zul je eens zien, wat een licht! En een troep menschen! Je zult ze hier hooren zingen en de lichten zul je hier zien.
- Jammer dat wij er ook niet heen kunnen gaan; want de allerprachtigste dingen zijn er: draaimolens en schommels en, o, van alles!
Met groote oogen luisterde het kleine wolfje.
- En zijn er ook groote lichten? vroeg hij.
- O, hé: lichten zoo groot als de zon ! zei de wolvenmoeder.
" Lichten zoo groot als de zon,”… herhaalde het kleine wolfje bij zichzelf.
Dien avond, terwijl zijn broertjes en zusjes sliepen, sloop hij uit het hol onder den denneboom. Zijn moeder was uit.
Ze wist, dat al de boeren en arbeiders uit den omtrek naar de kermis gingen en zou nu proberen een schaap te stelen. Haar kinderen hadden in lang geen boutje gehad. Stil sloop het kleine wolfje uit het hol en keek over de hei naar den kant van het dorp. He! wat een licht! Muziek en licht! Prachtig zou het daar zijn! Nog even keek hij om naar zijn veilig hol, toen zette hij het op een loopen, dwars over de hei in de richting van het dorp. Hij wou en hij zou de groote lichten zien en al het andere moois. Hoe meer hij naderde, hoe harder hij liep. 't Was of de lichten hem naar zich toe trokken; en voor hij 't zelf wist, holde hij de volle straat in en het kermisplein op, waar de menschen door elkaar joelden langs de kramen.
- Een wolf, een wolf! riepen de menschen, bang uit elkaar stuivend. Verblind door t vele licht dat uit een paardenspel naar buiten stroomde, bleef het wolfje staan. Het was plotseling doodsbang.
- ’t Is nog maar een heel kleintje. Laten we het pakken en opvoeden. Wie durft het te grijpen? riep een van de knechts uit het paardenspel, die prachtig wit en rood beschilderd was, omdat hij voor clown zou spelen. Hij had zijn mond doorgetrokken tot aan zijn ooren en een puntige kuif boven op zijn hoofd gezet. Verder was hij wit van poeder en droeg een satijnen pak van blauwe en witte strepen.
Nu kwam de eigenaar van het paardenspel naar buiten.
- Waar is die wolf? vroeg hij.
De clown wees hem het kleine wolfje
Laten we hem in een kring jagen en dan vangen, zei de eigenaar van het paardenspel. Wie hem beetpakt en aan mij brengt, krijgt tien gulden. Nu, die tien gulden wou ieder wel graag verdienen. Een heeleboel menschen sloten toch dan ook dicht aaneen en vormden een kring rond het wolfje, dat angstig heen en weer begon te hollen, zoodra hij zag dat zich een hand naar hem uitstrekte. Het was verschrikkelijk bang en. meende ieder oogenblik dood te worden geschoten, daar dicht in de buurt van het paardenspel een schiettent was, waar boerenjongens op pijpekoppen schoten. Eindelijk werd hij zoo moe, dat hij zich maar liet pakken. Hij beet niet eens van zich af en liet zich meedragen in de tent van het paardenspel, waar de clown, want die had hem gegrepen, hem in een leeg hondenhok stopte, dat in een donkere ruimte achter de tent stond.
Daar zat nu ons arme wolfje en dacht met smart aan zijn moeder, die nu misschien met een lekker schaap was thuisgekomen. Vóór den nacht keek niemand naar hem om. Slapen deed hij niet en huilen durfde hij niet. Den volgenden morgen kwam de eigenaar van het paardenspel naar hem kijken, terwijl de clown hem een paar stukken vies vleesch bracht. Het wolfje had zoo'n honger, dat het de stinkende stukken vleesch toch maar opslokte. Toen het daarna achter in het hok kroop, nam de clown een stok en porde naar binnen, zoodat het arme diertje als een razende door het hok begon te hollen. Het kan een mooi beest worden, hoorde hij den eigenaar van het paardenspel zeggen. We zullen hem africhten. Hij kan ons goed te pas komen, nu de aap dood is. Het publiek wil altijd iets nieuws; en een afgerichte wolf wordt zelden vertoond. Nu begon voor het arme wolfje een vreeselijk leven. Altijd werd hij opgesloten. Hij moest allerlei kunstjes doen, en als hij niet wou, dan kreeg hij slaag en geen eten. Vooral het zoontje van den paardenspel-directeur was erg slecht voor hem. Als het wolfje erg moe was en in zijn hok rusten wou, porde hij het met een stok, zoodat het maar al heen en weer moest loopen. Intusschen groeide het wolfje en werd een groote wolf, die allerlei kunsten leerde. Zoo leerde hij ook praten en met de menschen omgaan. Hij werd een dier van gewicht in het paardenspel, daar de meeste menschen kwamen om hem te zien. Het paardenspel trok van dorp naar dorp, van stad naar stad, van land naar land, en overal moest de wolf mee. Eten kreeg hij genoeg; maar toch leerde hij de menschen haten, die hem tegen zijn wil vasthielden en hem plaagden met telkens nieuwe kunstjes en die hem sloegen, als hij hun zin niet deed. Hij begon gemeen uit zijn oogen te kijken, beetje soms van zich af en dacht maar aan één ding, name!ijk: hoe hij zou kunnen vluchten, ver, ver van die ellendlge, paardenspel-menschen. Op een keer had men vergeten, zijn hok te sluiten. Hij hield zich heel stil. Zijn hok stond buiten. Toen de nacht gekomen was, duwde hij het deurtje van zijn hok open, sloop er uit, keek even om zich heen, en zette 't op een loopen. Den heelen nacht liep hij door. Niemand zag hem; maar tegen den morgen ontdekte hem een boer, terwijl hij langs een boereneff ging. De boer riep een heeleboel andere boeren en met hooivorken gewapend jaagden ze den wolf na. De wolf liep echter harder dan de boeren en het gelukte hem te ontkomen. Hij was nu in een bosch en kroop in een verlaten konijnenhol, waar hij een dag en leen nacht sliep: zóó moe was hij. Vanaf dien tijd bleef hij in het bosch en werd de booze wolf van Roodkapje. Omdat het zoontje van den paardenspeldirecteur zoo slecht voor hem was geweest, loerde hij vooral op kleine kinderen; maar groote menschen at hij ook wel op als hij durfde.
En met het doel om de arme vrouw op te eten, klopte hij nu aan het huisje van Roodkapje's grootmoeder. Hij moest lang wachten. De oude vrouw sliep rustig. Ze woonde heel alleen en verwachtte niemand, daar ze niet wist. dat haar kleindochtertje dien dag zou komen. Den vorigen dag was haar zoon, Roodkapje’s vader, er nog geweest, en die had niets gezegd. Nogmaals klopte de wolf, nu harder, zoodat de oude vrouw wel moest ontwaken. Ze schrikte een beetje. Haar huisje lag erg eenzaam. Wie zou dat kunnen zijn ?
- Wie daar? riep ze.
De booze, listige wolf veranderde, zijn stem zooveel mogelijk en deed Roodkapje's zacht geluidje na.
- Ik, grootmoeder! riep hij.
- Ben jij 't Roodkapje ? vroeg nu de grootmoeder blij.
Ze hield erg veel van haar kleinkindje en meende Roodkapje's stem goed te herkennen.
- Ja, grootmoeder, riep de wolf, vleiend. Het is Roodkapje, uw kleinkindje. Zij komt u wafeltjes brengen en eieren en een fleschje wijn, die haar moeder zelf heeft gemaakt van druiven die aan haar druivenboom groeien.
- O, dat is goed! riep de oude vrouw. Trek dan maar aan het touwtje; dan zal de deur vanzelf wel opengaan.
De wolf zag eerst geen touwtje; maar hij ging nu op zijn achterste pooten staan en keek wat hooger. Jawel, daar bengelde toch iets als een touwtje.
- Wat duurt het lang, eer je binnenkomt, kind, riep de grootmoeder.
Juist had de booze wolf het touwtje in zijn bek. Hij trok eraan en, plof! de deur sprong los en de wolf was binnen.
Natuurlijk schrikte Roodkapje's grootmoeder hevig. Ze gilde zoo hard ze kon, nu daar in plaats van haar lief kleindochtertje een groote, zwarte wolf voor haar stond. Schreeuw maar niet zoo, zei de wolf. Dat helpt toch niet, want niemand kan je hooren. Doe je oogen maar liever toe, want ik kom hier om je op te eten. En voor de oude vrouw uit het bed kon springen, had de groote wolf haar in één hap opgeslokt.
"Nu Roodkapje nog," dacht hij, "maar eerst zullen we een grapje hebben." Hij ging naar de linnenkast van de oude vrouw en haalde daaruit een schoone nachtjapon en een nieuwe muts met een fraai lint. De nachtjapon deed hij aan, de muts zette hij op; toen nam hij een spiegeltje en bekeek zich daarin, grinnikend van pret. "Ik heb niet voor niets kunstjes geleerd, van die ellendige menschen," dacht hij. "Nu heb ik er tenminste nog eens wat aan, dat ik tien jaar lang heen en weer heb gesjouwd met dat akelige paardenspel mee." Met het spiegeltje in zijn poot, danste hij het kleine kamertje op en neer. "Ik ben zoo werkelijk een lieve, oude dame," dacht hij, en stak zijn tong uit tegen zichzelf. "Als straks het malsche Roodkapje komt, zal ze me zeker allerschattigst vinden." Eerst snuffelde de wolf het huisje nog wat rond en at een twintigtal eieren op, die in een kast lagen; toen kroop hij in bed en wachtte tot Roodkapje zou komen.
In dien tijd plukte het ongehoorzame Roodkapje haar bloemetjes zonder aan eenig kwaad te denken.
" Ze blijft lang weg, dacht de wolf. "Ze plukt zeker bloemetjes."
In zijn verbeelding zag hij Roodkapje loopen, haar mandje met wafels en eieren en wijn aan den arm, een ruikertje bloemen in de hand, juist zooals Roodkapje werkelijk ook ging, nadat de goede houthakker haar den weg had gewezen.
Eindelijk naderden er buiten lichte stapjes.
" Daar is ze," dacht de wolf.
"Nu opgepast. Hij trok de muts nog wat over zijn oogen en stopte zijn borsteligen snuit een beetje onder de dekens.
Werkelijk werd daar tegen de deur geklopt.
- Wie is daar? Is daar mijn kleine Roodkapje? vroeg de wolf, met veranderde stem.
Ja, grootmoeder, antwoordde Roodkapje. Mag ik binnenkomen? Hebt u geen belet? Ik breng u wafels en wijn en de complimenten van vader en moeder. Maar mag ik als 't u blieft dadelijk binnenkomen ? Ik ben namelijk erg bang en 't wordt al een beetje donker.
- Zeker, kom maar gauw binnen! riep de wolf, zoo vriendelijk hij kon. Hij had daarnet de deur weer dicht gedaan.
- Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open.
Roodkapje lei haar ruikertje weer even boven op het mooie doekje in haar mandje en trok nu aan het touwtje.
Floep! daar sprong de deur open. Snel ging Roodkapje naar binnen en deed de deur achter zich dicht. Ze was namelijk doodsbang voor den wolf. “Stel je voor, dat die vreeselijke wolf toch nog eens in de buurt was," dacht ze, “en dat hij eens op eenmaal dit huisje binnensprong."
- O, grootmoeder, ik ben zóó geschrikt! riep ze dadelijk. Verbeeld u, ik ben den wolf tegengekomen.
- Dan ben je zeker niet op het breede boschpad gebleven, zei de wolf, net pratend of hij Roodkapje's grootmoeder was. Dan ben je zeker weer ongehoorzaam geweest.
- Ja, grootmoeder, dat ben ik ook, bekende Roodkapje; maar nu heusch en heusch voor de laatste maal! Het was al een beetje donker in het huisje, zoodat Roodkapje alleen de muts en het lint zag boven de dekens uit.
- 't Is toch verschrikkelijk! Dat duurt nog net zoolang tot de wolf je opeet, ging de wolf door.
- O neen, de wolf doet me niets! blufte Roodkapje. Ik heb hem wel gezien en gesproken; maar hij doet mij niets! Om hem maar zoet te houden, heb ik allerlei vriendelijke dingen tegen hem gezegd. Ik heb hem een lieve, mooie, schattige, snoezige wolf genoemd en ik heb “meneer” tegen hem gezegd, hoewel hij een leelijke, vuile, gemeene wolf is en geen “meneer"; maar een slecht dier.
- Zoo, zei de wolf. Zijn oogen rolden hem in 't hoofd van woede; maar hij hield zich nog goed. Zoo, vind je dien wolf zoo'n slecht dier ?
- Ja, grootmoeder, en vies ook. En hij heeft een lange roode tong en booze oogen en nare pooten en een staart als een bezem.
- Zoo, zoo, zei de wolf. Nu, gelukkig maar, dat je hem te vrind hebt gehouden.
- Vindt u niet ? babbelde Roodkap!e, die intusschen bezig was om haar bloemetjes uit het mandje te halen. Ik zou wel bij u komen, om u een zoentje te geven; maar ik wil eerst mijn bloemetjes in 't water zetten, want die hebben erg veel dorst, weet u!
- Zet ze maar in die melkkan, die op tafel staat, antwoordde de wolf. Daar is water in. En vertel me nog eens meer van dien viezen wolf.
- O, hij zei, dat hij naar een ander bosch ging, praatte Roodkapje, met haar bloemetjes bezig. En hij zei, dat ik de moeite van 't opeten niet waard was. Maar de houthakkers zeggen, dat hij dat allemaal jokt; en de houthakkers zijn heel vriendelijk, Want die hebben me weer op het breede boschpad gebracht.
De wolf rilde onder de dekens van boosheid. Hij haatte de houthakkers, omdat hij wist, dat ze op hem loerden.
- Zoo, zei hij, terwijl zijn stem schor klonk. Zoo, zijn die zoo vriendelijk ?
- O, erg vriendelijk, antwoordde Roodkapje. Een van de houthakkers zal naar vader en moeder gaan, om te zeggen, dat vader en moeder niet ongerust hoeven te zijn, als ik vannacht bij u blijf. Vindt u dat niet vriendelijk? Ze hadden ook allemaal een ergen hekel aan dien naren wolf.
- Zoo, hadden ze dat, antwoordde de wolf, terwijl zijn stem nog schorder werd
- Hee, grootmoeder, wat bent u schor! riep nu Roodkapje. Ziezoo, mijn bloemetjes staan in de melkkan. Ze ruiken heerlijk. En hier liggen mijn eieren en daar staat mijn wijn. De wafeltjes laat ik maar stilletjes in het mandje.
- Dat is goed, zei de wolf. Ja, ik ben een beetje schor door verkoudheid. Vanmorgen heb ik zonder muts buiten geloopen. 't Leek zoo warm buiten en de vogels zongen zoo mooi.
- O, ja, de vogels zingen erg mooi, zei Roodkapje, nu wat dichter bij het bed komend, Weet u wat ze zongen ?
- Neen, zei de wolf, hoestend om toch vooral Roodkapje te laten gelooven, dat hij verkouden was en daarom zoo schor praatte.
Nu zong Roodkapje het liedje van de vogels, het waarschuwende liedje, waar ze niet naar had geluisterd.
Meisje, meisje, haast u maar,
Want u dreigt een groot gevaar!
Al wie ongehoorzaam,
Gaat het zeker, zeker mis!
Zoo zong ze.
- Wat wou er mijn lief Roodkapje nu voor gevaar dreigen? vleide de wolf, weer hoestend. Kom eindelijk eens hier, opdat ik je een kusje kan geven. En luister voortaan niet meer naar die malle vogels. Die vertellen onzin. Uche, uche, uche!
Vreeselijk hoestte de wolf.
- O, grootmoeder, u is ontzettend verkouden, zei Roodkapje, nog nader komend. Ze keek aandachtig naar het bed. Grootmoeder zag er zoo heel anders uit dan gewoonlijk, meende ze. Zou dat allemaal door die verkoudheid komen ?
- U moet nooit meer zonder muts uitgaan, hoor grootmoeder, zei ze. Want u ziet er zóó slecht uit. Het is wel erg donker al hier; maar dàt kan ik toch nog zien.
- Dat zal wel verbeelding zijn, kuchte de wolf. Zóó ziek ben ik niet. Kom maar eens hier en geef me een kus.
Maar Roodkapje was bang geworden. Ze vertrouwde de zaak niet heelemaal.
- Grootmoeder, wat hebt u een groote oogen, zei ze benepen.
- Dat is, om je beter te kunnen zien, antwoordde de wolf. Kom maar hier.
- Grootmoeder, wat hebt u een groote ooren, zei Roodkapje, steeds banger wordend.
- Dat is, om je beter te kunnen hooren, antwoordde weer de wolf. Kom toch bij me!
- Grootmoeder, wat hebt u een grooten neus, zei weer Roodkapje, nog weer banger.
- Dat is om je beter te kunnen ruiken! Maar kòm dan toch!
Nu werd Roodkapje heelemaal bang.
Grootmoeder, wat hebt u een groote tanden! riep ze, terwijl 't huilen haar nader stond dan het lachen.
Dat is om je beter te kunnen opeten, brulde de wolf.
Meteen sprong hij uit bed, pakte Roodkapje, en slokte haar in één hap op.
- Ziezoo, dat is voor je ongehoorzaamheid, zei hij, terwijl hij zijn muil aflikte. Ik heb intusschen mijn buik vol en kruip weer in bed om eens lekker uit te slapen. Morgen ochtend ga ik dan weg en eet eerst nog de wafels en de eieren op. Wijn drink ik liever niet. Daar word ik zoo licht van in 't hoofd.
En de wolf rolde zich eens lekker op in bed, net als een hond die slapen wil. Omdat hij het grappig vond, hield hij de nachtjapon van Roodkapje's grootmoeder aan en haar muts op.
Intusschen waren Roodkapje's ouders lang niet op hun gemak. De vriendelijke houthakker had hun wel de boodschap overgebracht, dat Roodkapje dien nacht bij Grootmoeder zou blijven; maar ze wisten, dat de wolf in de buurt was, daar de vader hem zelf had gezien. Ook vertelde de houthakker van hetgeen Roodkapje van den wolf had ondervonden. 's Avonds zaten ze een poos zwijgend rond het open vuur van de schouw, waar een klein vuurtje in brandde om een keteltje koffie te warmen.
- Ik ben heelemaal niet gerust over Roodkapje, zei de vader. De wolf is hier dichtbij gebleven, daar ben ik zeker van. We kennen zijn praatjes. Er is natuurlijk geen woord waar van 't geen hij heeft verteld over dat andere bosch, waar hij heen zou gaan.
- Hij is een slecht en vraatzuchtig beest, antwoordde de moeder. Verleden week nog heeft hij in één nacht twee lammeren gestolen. In het dorp nog wel. O, dat dier durft alles!
- Het zal een geluk zijn voor de buurt, als we er eindelijk in slagen, hem zijn kop af te hakken, hernam de vader. We loeren er allemaal op en hebben onze bijl eens extra laten slijpen. Maar het beest is zóó slim, dat hij zich niet licht zal laten naderen.
- Hij moet vroeger directeur van een paardenspel zijn geweest, vervolgde de moeder. Men zegt, dat hij daar al zijn valsche streken heeft geleerd, en dat hij al zijn geld heeft opgemaakt.
De vader lachte hartelijk.
- Directeur van een paardenspel! lachte hij. Maar vrouwtjelief, hoe is 't mogelijk, dat je zooiets gelooft ?
- 't Is me toch voor waar verteld, hield Roodkapje's moeder vol.
De vader schudde 't hoofd.
- De menschen praten zooveel, zei hij. Het is mogelijk, dat de wolf vroeger vertoond is in een paardenspel. Dat acht ik zelfs heel waarschijnlijk. Hij kent allerlei kunstjes en spreekt zelfs menschentaal. Dat moet hij toch ergens hebben geleerd.
- Ja, hij kan praten en loopt soms op twee pooten, verzekerde de moeder. En hij durft alles.
- Alles niet! zei de vader; want op den breeden weg door 't bosch durft hij zich niet te wagen. Hij verschuilt zich achter boomstammen en in konijnenholen, die hij eerst leeg eet. Gisteren was ik al zoo blij, omdat ik meende, dat ik zijn staart zag achter een dennestam. Ik sloop dichtbij en greep mijn bijl goed vast; maar voor ik bij hem was, schoot hij in een konijnenhol. Toen heb ik wel een uur bij den ingang van het hol gewacht.
- O, ben je daarom zoo laat thuis gekomen? plaagde de moeder.
- Natuurlijk! voor mijn plezier blijf ik niet weg, ging de vader voort. Ik hoopte dien deugniet te vangen.
- En ? 't Is niet gelukt ?
- Neen: hij is niet uit het hol te voorschijn gekomen.
Het hol heeft vermoedelijk nog een tweeden uitgang, wie weet, hoever hier vandaan.
- Zoo'n ellendeling! Wie zegt ons, hoeveel van die lieve konijntjes hij nu wel heeft opgegeten, riep de moeder uit.
- Nu, zoo heel lief zijn die konijntjes anders ook niet. Ze eten onze kool op, als we geen ijzergaas rond onzen tuin zetten, vond de vader.
Beiden zwegen nu, elk in hun eigen gedachten verdiept.
De ketel boven het open vuur begon te zingen. De moeder schonk een kopje koffie in.
- Zou ons lief Roodkapje nu ook koffie drinken? vroeg ze. Ze is nog nooit zoo lang bij ons vandaan geweest.
- Nu, grootmoeder zal wel goed voor haar zorgen, troostte de vader.
Maar ze waren geen van beiden gerust.
Toen het al donkerder werd, ging de vader eens naar buiten kijken, om te zien wat voor weer het was, zooals hij zei; maar in werkelijkheid deed hij het, om den weg op te kunnen men, aan welks einde het huis van de grootmoeder was, waar Roodkapje nu wel slapen zou.
Het duurde niet lang, of de moeder kwam ook naar buiten, en stak haar arm door zijn arm heen.
- Kom, laten we gaan slapen, zei ze.
Maar ze sliepen, o, zoo slecht dien nacht. Ze dachten maar al aan Roodkapje en werden telkens met een schrik wakker als ze even insliepen.
- Er is bepaald iets akeligs gebeurd met ons kind, zei eindelijk de vader. Zoodra het licht wordt, ga ik naar grootmoeder toe. Jij moet dan maar een boodschap brengen bij de houthakkers, dat ik verhinderd ben om te komen werken..
Ja, dat is goed, zei de moeder. Ik had ook al gedacht dat ik maar wou gaan om Roodkapje te halen. Maar 't is beter, dat jij gaat en dat je een extra scherpe bijl meeneemt.
Nu ze dit besluit hadden genomen, sliepen de vader en de moeder eindelijk voor eenige uren in. Bij 't eerste kraaien van den haan ontwaakten ze en wreven zich de oogen uit.
- Ik zal gauw een boterham voor je klaarmaken en koffie voor je zetten, zei de moeder, uit bed springend.
Met groote happen at de vader het brood en met groote teugen slokte hij de koffie naar binnen. Hij liet zichzelf haast geen tijd om te eten en te drinken. De scherpste bijl die hij bezat zocht hij op, nam die op zijn schouder, en ging met groote stappen den weg op die naar het huisje van de grootmoeder leidde. De moeder zag hem lang na. Haar hart was angstig en beklemd. Ook de vader was droef te moede. Waarom wist hij zelf niet. Hij luisterde niet naar de vogels, die hem toezongen van over de velden en keek niet naar de bloemen die wakker werden in de zon, en heerlijke geuren verspreidden. Hij had maar één gedachte: iets is er niet goed met ons kind. Hij voelde dat zóó duidelijk, of hij het wist. De lange weg viel hem ontzettend lang. Eindelijk zag hij het huisje van grootmoeder, verscholen tusschen het groen. Nog eenige stappen, en hij was er. Zonder kloppen opende hij de deur en keek naar binnen. En wat zag hij daar? Geen Roodkapje en geen grootmoeder: maar de wolf, met grootmoeder's muts op en grootmoeder's jak aan, ineengerold slapende in grootmoeder's bed.
O, jou, ellendeling! riep hij: waar is mijn kind, mijn Roodkapje ? De wolf, verschrikt, nu hij daar een volwassen man zag, met een bijl gewapend, sprong uit bed.
- Meneer de houthakker, ik heb geen kind gezien, zei hij. Gisterenavond ben ik hier gekomen en toen was het huisje geheel leeg.
- Je liegt, antwoordde de vader van Roodkapje. Je hebt misschien twee menschen opgegeten: mijn kind en mijn moeder. Alloh! vooruit met de waarheid !
En hij greep de wolf bij zijn gestolen nachtjak en schudde hem deerlijk heen en weer.
- Och, lieve houthakker, ik verzeker u, dat ik niets kwaads heb gedaan, smeekte de wolf. Roodkapje is zeker met haar grootmoeder gaan wandelen.
Maar Roodkapje's vader had het dikke buikje van den wolf gezien. Hij hief zijn bijl, liet die neerkomen, en reet den buik van den wolf open, en ziet: levend en wel sprongen er uit, eerst Roodkapje en toen de grootmoeder. Hoef ik u nog te vertellen, dat de vader blij was? Hij zoende zijn kindje wel een half uur lang.
- O, vader, het was mijn eigen schuld, zei Roodkapje nu. U moet me mijn ongehoorzaamheid nog voor deze eene maal vergeven; want nu zal ik heusch en heusch en heùsch nóóit meer ongehoorzaam zijn!
- Je hebt nu tenminste een les beet meisje, zei de vader. En zoen nu maar gauw grootmoeder goedendag en ga mee naar moeder, die in duizend angsten op ons wacht. Eerst zal ik nog den boozen wolf begraven.
Toen de vader den wolf begraven had, lei hij een grooten steen op het graf.
" Hij moest er anders nog weer eens uitkruipen," dacht hij.
Daarna nam hij afscheid van de nog altijd verschrikte grootmoeder, en beloofde haar, den dokter te zullen sturen, die haar wel een geneesmiddel tegen de zenuwen voor zou schrijven, en toen ging hij met Roodkapje naar huis terug. Hij droeg haar op zijn schouder.
- Als we thuis zijn, moet je maar eens precies alles vertellen, zei hij. Dan kan moeder het ook hooren. Dat was me een blijdschap, toen Roodkapje eindelijk in de armen van haar moeder vloog.
- O, mijn lief Roodkapje! riep de moeder. Nu zal je toch heusch voortaan gehoorzaam zijn; want nu heb je toch eens gezien, hoe het ongehoorzame kinderen gaat, kinderen die niet luisteren naar groote menschen, die toch al zooveel meer ondervonden hebben dan zij en die dus beter weten wat goed en verstandig is.
- Dat zal ik zeker, moeder! riep Roodkapje.
En gezellig zittend bij het open vuur, een kommetje koffie en een boterham vóór zich, vertelde zij in geuren en kleuren al wat zij had ondervonden. ’s Middags kwamen de houthakkers op visite. Zij hadden gehoord, dat Roodkapje’s vader den wolf gedood had en wenschten hem en zichzelf daarmee geluk. De omtrek was nu gezuiverd van een wild, en schadelijk dier.
- En ons Roodkapje is gezuiverd van een leelijk gebrek lachte de moeder. Nu zal zij toch zeker altijd gehoorzaam zijn! En zoo gebeurde het, Roodkapje groeide goed op en leefde nog lang en gelukkig met haar lieve ouders in het kleine huisje aan den rand van het bosch. En ze was nooit, noóit meer ongehoorzaam.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Beschrijving hoe ouders en grootmoeder de ongehoorzaamheid van Roodkapje ervaren, en hoe zij denken dat Roodkapje eindelijk luistert naar wat haar wordt voorgehouden. Moeder waarschuwt Roodkapje om onderweg naar grootmoeder op het pad te blijven, niet te treuzelen en geen bloemen te plukken, om de wolf die rondzwerft te ontlopen. Roodkapje plukt toch bloemen in het bos, ontmoet de wolf en probeert hem door vriendelijk te zijn van zich af te houden. Ze vertelt dat ze naar grootmoeder gaat en waar ze woont. Als de wolf is verdwenen blijft Roodkapje in het bos, begrijpt niet dat de vogels haar waarschuwen voor gevaar, en verdwaalt. Ze treft houthakkers, vertelt dat ze de wolf heeft ontmoet, en één wijst haar het goede pad. Een intermezzo schetst hoe de wolf gemeen is geworden. De wolf is naar grootmoeders huis gegaan, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, waarna grootmoeder vertelt hoe hij naar binnen kan. De wolf eet grootmoeder op, trekt haar kleren aan en gaat in bed liggen. Als Roodkapje klopt doet de wolf grootmoeders stem na. Roodkapje vertelt allerlei nare dingen over de wolf, ze verbaast zich over de ogen, oren, neus en tanden van grootmoeder, waarna de wolf haar opeet. Intussen maken de ouders van Roodkapje zich zorgen, vader gaat naar grootmoeder, waar hij de wolf in haar bed vindt. De wolf beweert dat hij niemand heeft opgegeten, maar vader slaat met een bijl de wolf open, waar Roodkapje en grootmoeder uit komen. Roodkapje is nooit meer ongehoorzaam geweest.
Bron
Johanna Wildvanck. Roodkapje. Amsterdam: Scheltens & Giltay, [1917]
KB: KW BJ 25759
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: KW BJ 25759
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
B211.2.4 - Speaking wolf.   
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Onze oude sprookjes 1
Ills Sijtje Aafjes
Naar het sprookje van de Gebroeders Grimm
Ills Sijtje Aafjes
Naar het sprookje van de Gebroeders Grimm
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Datum Invoer
2019-06-13
