Hoofdtekst
DE SOLDAAT EN DE KONING
Er was eens een rijk heer die in het bos was verdwaald. Hij keek aldoor of hij ergens een lichtje zag, op zoek naar een huis waar hij kon overnachten. Op het laatst kwam een arme kerel hem achterop. "Waar ga jij naar toe?" zei de heer. "Wel, ik moet nè de stad, deer de keuning woont", antwoordde de man. "Nu, dan gaan we samen", zei de heer, "want daar moet ik ook naar toe. Maar wat moet jij daar uitvoeren?" "Nou", zei de ander, "ik ben zoveul as een gepensioneerd soldaat en nou gaan ik om verhoging van pensioen vragen an de keuning en as ie me dat niet geeft, dan gooi ik hem een steen, die ik in m'n zak heb, voor zijn smoel". "Dat zou ik niet doen", zei de heer, "want dat kon je wel eens je hachje kosten." "Dat kan me niet schelen", zei de soldaat, "want as ik geen meer pensioen krijg, ga ik toch ook dood van de honger en dan is het mijn krek gelijk op wat voor manier ik an me endje kom."
Zo liepen ze een tijdje voort, totdat ze aan een herberg kwamen. Ze gingen er naar binnen en daar zat een oude meid. "Och mensen", zei die, "wat doene jullie hier. Hier wonen twaalf rovers en as ze jullie in de gaten krijgen dan moet je eerst mee kaart spelen en daarna vermoorden ze jullie." Nu, je begrijpt dat die heer erg schrok, maar de soldaat zei: "Afijn, ik ken maar ien dood sterven." Het duurde dan ook niet lang of de rovers kwamen opdagen. Toen ze goed en wel zaten, zei de soldaat: "Vrijster, maak jij voor mij ers een keteltje kokend water, want ik heb een dorst as een paard; dan neem ik aanstonds een stuk of wat glazen warm water en melk." Dat deed de meid. Nu had ze tegen de soldaat gezegd dat hij moest oppassen als de rovers elkaar op de tenen trapten, want dan zou het moorden beginnen. Toen ze een poosje hadden gespeeld, zag de soldaat dat de rovers elkaar op de tenen trapten. "Nou is het mijn tijd", dacht hij en hij gaf me een klap tegen de lamp, zodat het licht uitging. "Berg je", riep hij tegen de heer en meteen begon hij kokend water uit de ketel te hozen over de rovers. Toen greep hij zijn sabel en hij sloeg ze een voor een dood. Toen hij klaar was, riep hij de meid en zei: "Redder nou hier dat boeltje ers netjes op vrijster, dan zellen we verder nog wat gezellig praten." Dat gebeurde en toen zei de heer: "Je bent een bovenste beste kerel en als ik jou was zou ik die steen morgen maar in mijn zak houden." "Wel nee", zei de soldaat, "die is voor de keuning as ik geen meer pensioen krijg."
Tegen de ochtend gingen ze naar de stad; de soldaat ging naar een herberg en de heer ging naar zijn huis. Nu moet je weten dat die heer de koning zelf was en toen hij in het paleis aankwam, zei hij tegen zijn minister: "Als er aanstonds lui voor mij komen, dan moet jij ze maar ontvangen en als er een soldaat om meer pensioen komt, dan moet je maar zeggen dat we hem dat niet kunnen geven." Hij dacht bij zichzelf: "Nu wil ik toch wel eens zien hoe dat afloopt. Ik heb niet veel zin om zelf die steen tegen mijn kop te krijgen." De soldaat kwam. De minister zei wat hij zeggen moest en kreeg pardoes de steen in zijn gezicht. Het duurde toen niet lang of de soldaat ging de provoost in. Maar het liep best af, want toen hij daar een kwartiertje had gezeten, moest hij weer bij de koning komen, want die had gehoord dat hij de twaalf rovers had gedood en die wou hem vragen of hij die heer uit de herberg zou herkennen. "Ja wel", zei de soldaat. Toen deed de koning zijn mantel af en stond daar in een gewoon pakje, "in politiek zel ik maar zeggen". De soldaat zag dat hij met de koning zelf in de moordenaarsherberg had gezeten. De soldaat mocht natuurlijk tot zijn dood toe aan het hof blijven en er naar hartelust eten en drinken.
Er was eens een rijk heer die in het bos was verdwaald. Hij keek aldoor of hij ergens een lichtje zag, op zoek naar een huis waar hij kon overnachten. Op het laatst kwam een arme kerel hem achterop. "Waar ga jij naar toe?" zei de heer. "Wel, ik moet nè de stad, deer de keuning woont", antwoordde de man. "Nu, dan gaan we samen", zei de heer, "want daar moet ik ook naar toe. Maar wat moet jij daar uitvoeren?" "Nou", zei de ander, "ik ben zoveul as een gepensioneerd soldaat en nou gaan ik om verhoging van pensioen vragen an de keuning en as ie me dat niet geeft, dan gooi ik hem een steen, die ik in m'n zak heb, voor zijn smoel". "Dat zou ik niet doen", zei de heer, "want dat kon je wel eens je hachje kosten." "Dat kan me niet schelen", zei de soldaat, "want as ik geen meer pensioen krijg, ga ik toch ook dood van de honger en dan is het mijn krek gelijk op wat voor manier ik an me endje kom."
Zo liepen ze een tijdje voort, totdat ze aan een herberg kwamen. Ze gingen er naar binnen en daar zat een oude meid. "Och mensen", zei die, "wat doene jullie hier. Hier wonen twaalf rovers en as ze jullie in de gaten krijgen dan moet je eerst mee kaart spelen en daarna vermoorden ze jullie." Nu, je begrijpt dat die heer erg schrok, maar de soldaat zei: "Afijn, ik ken maar ien dood sterven." Het duurde dan ook niet lang of de rovers kwamen opdagen. Toen ze goed en wel zaten, zei de soldaat: "Vrijster, maak jij voor mij ers een keteltje kokend water, want ik heb een dorst as een paard; dan neem ik aanstonds een stuk of wat glazen warm water en melk." Dat deed de meid. Nu had ze tegen de soldaat gezegd dat hij moest oppassen als de rovers elkaar op de tenen trapten, want dan zou het moorden beginnen. Toen ze een poosje hadden gespeeld, zag de soldaat dat de rovers elkaar op de tenen trapten. "Nou is het mijn tijd", dacht hij en hij gaf me een klap tegen de lamp, zodat het licht uitging. "Berg je", riep hij tegen de heer en meteen begon hij kokend water uit de ketel te hozen over de rovers. Toen greep hij zijn sabel en hij sloeg ze een voor een dood. Toen hij klaar was, riep hij de meid en zei: "Redder nou hier dat boeltje ers netjes op vrijster, dan zellen we verder nog wat gezellig praten." Dat gebeurde en toen zei de heer: "Je bent een bovenste beste kerel en als ik jou was zou ik die steen morgen maar in mijn zak houden." "Wel nee", zei de soldaat, "die is voor de keuning as ik geen meer pensioen krijg."
Tegen de ochtend gingen ze naar de stad; de soldaat ging naar een herberg en de heer ging naar zijn huis. Nu moet je weten dat die heer de koning zelf was en toen hij in het paleis aankwam, zei hij tegen zijn minister: "Als er aanstonds lui voor mij komen, dan moet jij ze maar ontvangen en als er een soldaat om meer pensioen komt, dan moet je maar zeggen dat we hem dat niet kunnen geven." Hij dacht bij zichzelf: "Nu wil ik toch wel eens zien hoe dat afloopt. Ik heb niet veel zin om zelf die steen tegen mijn kop te krijgen." De soldaat kwam. De minister zei wat hij zeggen moest en kreeg pardoes de steen in zijn gezicht. Het duurde toen niet lang of de soldaat ging de provoost in. Maar het liep best af, want toen hij daar een kwartiertje had gezeten, moest hij weer bij de koning komen, want die had gehoord dat hij de twaalf rovers had gedood en die wou hem vragen of hij die heer uit de herberg zou herkennen. "Ja wel", zei de soldaat. Toen deed de koning zijn mantel af en stond daar in een gewoon pakje, "in politiek zel ik maar zeggen". De soldaat zag dat hij met de koning zelf in de moordenaarsherberg had gezeten. De soldaat mocht natuurlijk tot zijn dood toe aan het hof blijven en er naar hartelust eten en drinken.
Onderwerp
AT 0952 - The King and the Soldier   
ATU 0952 - The King and the Soldier.   
Beschrijving
Een rijke heer en een arme kerel willen allebei naar de koning. De arme kerel wil een verhoging van zijn pensioen vragen en zweert de rijke heer de koning een steen in het gezicht te gooien als hij zijn eis niet inwilligt. Als ze bij een herberg aankomen merken ze dat daar rovers wonen. De arme kerel verslaat alle rovers door ze kokend water in het gezicht te gooien en ze daarna te vermoorden. De volgende ochtend gaan ze op pad naar het paleis. De rijke heer is zelf de koning en wil geen steen in zijn gezicht krijgen. Daarom vraagt hij een minister zijn taak waar te nemen. De verhoging wordt geweigerd en de arme kerel gooit een steen naar de minister. Daarna laat de koning de kerel bij zich komen en vraagt of hij hem herkent. Hij doet zijn koningskleren uit, en de arme kerel ziet dat hij met de koning in de herberg gezeten heeft. De rest van zijn leven mag de arme man in het paleis blijven wonen.
Bron
J.R.W. Sinninghe: Spokerijen in de Zaanstreek en Waterland. Zaltbommel 1975, p.35-37
Commentaar
[2 oktober 1901]
The King and the Soldier
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
