Hoofdtekst
Er zijn tijden geweest dat de Noormannen de Hollandsche en de Friesche kusten teisterden. Ze moordden en brandden verschrikkelijk en niemand was veilig voor hen.
Niet alleen dat ze stalen en roofden maar ook verlangden ze dat hun eer bewezen werd. Wie zich niet voor hen wilde buigen werd geworgd. Ieder droeg de strop immers om de hals!
Boog iemand niet, dan verscheen terstond een Noorman die de strop aanhaalde, nou, en dan was het gedaan met den weerbarstigen Fries.
Nu wilden die Noormannen dat er ook gebogen zou worden wanneer zij zelf niet in de buurt waren om het te controleeren.
Wat deden ze dus?
Heel eenvoudig. Ze lieten in de kerken, in de Noordermuur, heel lage deurtjes maken en het was verplicht alleen door die deurtjes de kerk te betreden.
In de kerk moest iedereen komen, nietwaar, groot en klein, jong en oud, arm en rijk.
Het middel was dus probaat en de Noorman kon er zeker van zijn dat een ieder, in geheel Friesland, voor hem boog. Men moest buigen voor het Noorden. Eerbied voor het land van de Noormannen.
Maar er kwam een eind aan.
Door de Groningers.
Die bogen ook, natuurlijk, als je met een strop om je hals loopt, buig je, maar ze smonzelden ondertusschen iets dat niet erg eerbiedig klonk.
Kijk, ze bogen hé, maar wanneer ze dat deden keerden ze vanzelfsprekend zeker lichaamsdeel naar het Noormannenland.
En daar glosten ze dan over, die Groningers.
En toen de Noormannen dat eindelijk begrepen lieten ze een, twee drie al die deurtjes weer dicht metselen.
En zo is het gekomen dat de menschen voortaan weer gewoon aan de voorzijde en rechtop de kerk konden betreden.
Tja, die Groningers
Niet alleen dat ze stalen en roofden maar ook verlangden ze dat hun eer bewezen werd. Wie zich niet voor hen wilde buigen werd geworgd. Ieder droeg de strop immers om de hals!
Boog iemand niet, dan verscheen terstond een Noorman die de strop aanhaalde, nou, en dan was het gedaan met den weerbarstigen Fries.
Nu wilden die Noormannen dat er ook gebogen zou worden wanneer zij zelf niet in de buurt waren om het te controleeren.
Wat deden ze dus?
Heel eenvoudig. Ze lieten in de kerken, in de Noordermuur, heel lage deurtjes maken en het was verplicht alleen door die deurtjes de kerk te betreden.
In de kerk moest iedereen komen, nietwaar, groot en klein, jong en oud, arm en rijk.
Het middel was dus probaat en de Noorman kon er zeker van zijn dat een ieder, in geheel Friesland, voor hem boog. Men moest buigen voor het Noorden. Eerbied voor het land van de Noormannen.
Maar er kwam een eind aan.
Door de Groningers.
Die bogen ook, natuurlijk, als je met een strop om je hals loopt, buig je, maar ze smonzelden ondertusschen iets dat niet erg eerbiedig klonk.
Kijk, ze bogen hé, maar wanneer ze dat deden keerden ze vanzelfsprekend zeker lichaamsdeel naar het Noormannenland.
En daar glosten ze dan over, die Groningers.
En toen de Noormannen dat eindelijk begrepen lieten ze een, twee drie al die deurtjes weer dicht metselen.
En zo is het gekomen dat de menschen voortaan weer gewoon aan de voorzijde en rechtop de kerk konden betreden.
Tja, die Groningers
Beschrijving
De Noormannen teisterden de friezen: ze roofden en moorden en ze verwachtten ook dat hun eer bewezen werd. Iedereen droeg een strop om de hals en als men niet boog, dan haalde een Noorman die strop aan. Ook als de Noormannen er niet waren, moest er voor hen gebogen worden. Dit werd bewerkstelligd door in de Noordermuur van de kerk heel lage deurtjes te maken en men mocht alleen door die deuren de kerk betreden. De Groningers bogen ook, maar elke keer als ze dat deden keerden ze een zeker lichaamsdeel naar het Noorden en daar glosten ze dan over. Toen de Noormannen dit doorkregen werden alle deurtjes weer dichtgemetseld en mochten mensen weer rechtop en aan de voorzijde de kerk betreden.
Bron
Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p. 163-164.
Naam Overig in Tekst
Noorman   
Fries   
Groninger   
Noordermuur   
