Hoofdtekst
In Cocksdorp heeft het dan vroeger ook maar leelijk gespookt.
En dat is geen wonder, want was het Eierlandsche Huis daar niet vlak in de buurt? De appel valt niet ver van de boom. Het gebeurde op een boereplaats.
Midden in de oogsttijd.
Er waren dus veel menschen op die boerderij. Misschien wel dertien of veertien losse knechts.
Nu, die knechts verklaarden wel dat ze niet aan spoken geloofden maar dat zeiden ze alleen bij klaar lichte dag. Wanneer het donker werd praatten ze wel anders. Vooral wanneer er weer een dooie op het Eierlandsche Huis gebracht was. Zoo de een of andere aangespoelde zeekapitein; niemand wist vanwaar hij kwam of wie hij was.
Op zoo'n avond dan, zoo'n avond die zwaar was van geheime dingen, en de knechts bij elkaar in het stroo lagen, gebeurde het.
Er zijn geen spoken, goed, goed, maar als de karn vanzelf begint te draaien?
Dat moet toch een oorzaak hebben nietwaar. Er moet toch iemand of iets wezen die de karn in beweging brengt. De dingen gaan nu eenmaal niet vanzelf. Er moet een oorzaak zijn.
De knechts fluisterden tegen elkaar.
Hoor, de karn draait.
En er is toch niemand.
Nee, maar hij draait.
Broer Paulus zou gaan kijken.
Broer Paulus dacht dat hij wat zag, op de leer.
Zien jullie dat ook? vroeg hij.
Maar er was niemand die iets bespeurde. Nee, want het was stikke-donker en bovendien, de meesten trokken de dekens over het hoofd.
Het is een heele onderneming om naar de geheime dingen te kijken. Je mag er dan niet aan gelooven, best, best, die karn draaide daar toch maar.
Maar broer Paulus zag duidelijk iets wits. Het was boven op de ladder en manmoedig klom broer Paulus bij de leer op. Heel naar boven klom hij en steeds duidelijker zag ie dat er wel degelijk iets wits zat, op de rand van het zolderluik.
Wat zou Broer Paulus doen? Ja, wat zou hij doen?
Terug gaan? Maar dat was niets voor hem. Nee, hij stond nu eenmaal op de leer; hij wou en zou naar boven.
En ineens vloog het witte weg.
Het vloog rakelings langs broer Paulus' hoofd en het streek over de mannen die in het stroo lagen met hun hoofd diep onder de deken en de oogen stijf dicht.
O, er was geen twijfel mogelijk. Ze hadden het allen duidelijk gevoeld.
Maar broer Paulus had er geen vrede mee.
Hij zou dat witte ding! Wat het dan ook was!
Hij klauterde dus naar beneden. En wat zag ie daar?
Een groote witte kat.
Een kat met kolle-oogen. Het leken wel kolen vuur.
Broer Paulus zou die kat!! Hij zou hem raken!!
En met schoot het rechterbeen van broer Paulus uit om de kat een opmepper te verkoopen, want het was wel duidelijk dat die kat de aanstichtster was van alles.
De karn draaide nog maar steeds door.
Het was een naar gehoor, dat regelmatige geplons-plas van die karn terwijl toch ieder wist dat er niemand was om hem te bedienen.
Het rechterbeen van broer Paulus schoot dus uit naar die witte kat maar ho maar, niet raken natuurlijk. Nee, want met een vervaarlijke sprong verdween die kat door de deur, en zoo als de kat weg was verscheen de boerin in de deuropening.
Wat moest men daar van zetten?
De knechts en broer Paulus zeiden niets maar ieder dacht er het zijne van.
Spoken nee, maar toch, er zijn geheime dingen.
Hoe kwam die boerin daar ineens?
Wat moest men daar van zeggen?
En dat is geen wonder, want was het Eierlandsche Huis daar niet vlak in de buurt? De appel valt niet ver van de boom. Het gebeurde op een boereplaats.
Midden in de oogsttijd.
Er waren dus veel menschen op die boerderij. Misschien wel dertien of veertien losse knechts.
Nu, die knechts verklaarden wel dat ze niet aan spoken geloofden maar dat zeiden ze alleen bij klaar lichte dag. Wanneer het donker werd praatten ze wel anders. Vooral wanneer er weer een dooie op het Eierlandsche Huis gebracht was. Zoo de een of andere aangespoelde zeekapitein; niemand wist vanwaar hij kwam of wie hij was.
Op zoo'n avond dan, zoo'n avond die zwaar was van geheime dingen, en de knechts bij elkaar in het stroo lagen, gebeurde het.
Er zijn geen spoken, goed, goed, maar als de karn vanzelf begint te draaien?
Dat moet toch een oorzaak hebben nietwaar. Er moet toch iemand of iets wezen die de karn in beweging brengt. De dingen gaan nu eenmaal niet vanzelf. Er moet een oorzaak zijn.
De knechts fluisterden tegen elkaar.
Hoor, de karn draait.
En er is toch niemand.
Nee, maar hij draait.
Broer Paulus zou gaan kijken.
Broer Paulus dacht dat hij wat zag, op de leer.
Zien jullie dat ook? vroeg hij.
Maar er was niemand die iets bespeurde. Nee, want het was stikke-donker en bovendien, de meesten trokken de dekens over het hoofd.
Het is een heele onderneming om naar de geheime dingen te kijken. Je mag er dan niet aan gelooven, best, best, die karn draaide daar toch maar.
Maar broer Paulus zag duidelijk iets wits. Het was boven op de ladder en manmoedig klom broer Paulus bij de leer op. Heel naar boven klom hij en steeds duidelijker zag ie dat er wel degelijk iets wits zat, op de rand van het zolderluik.
Wat zou Broer Paulus doen? Ja, wat zou hij doen?
Terug gaan? Maar dat was niets voor hem. Nee, hij stond nu eenmaal op de leer; hij wou en zou naar boven.
En ineens vloog het witte weg.
Het vloog rakelings langs broer Paulus' hoofd en het streek over de mannen die in het stroo lagen met hun hoofd diep onder de deken en de oogen stijf dicht.
O, er was geen twijfel mogelijk. Ze hadden het allen duidelijk gevoeld.
Maar broer Paulus had er geen vrede mee.
Hij zou dat witte ding! Wat het dan ook was!
Hij klauterde dus naar beneden. En wat zag ie daar?
Een groote witte kat.
Een kat met kolle-oogen. Het leken wel kolen vuur.
Broer Paulus zou die kat!! Hij zou hem raken!!
En met schoot het rechterbeen van broer Paulus uit om de kat een opmepper te verkoopen, want het was wel duidelijk dat die kat de aanstichtster was van alles.
De karn draaide nog maar steeds door.
Het was een naar gehoor, dat regelmatige geplons-plas van die karn terwijl toch ieder wist dat er niemand was om hem te bedienen.
Het rechterbeen van broer Paulus schoot dus uit naar die witte kat maar ho maar, niet raken natuurlijk. Nee, want met een vervaarlijke sprong verdween die kat door de deur, en zoo als de kat weg was verscheen de boerin in de deuropening.
Wat moest men daar van zetten?
De knechts en broer Paulus zeiden niets maar ieder dacht er het zijne van.
Spoken nee, maar toch, er zijn geheime dingen.
Hoe kwam die boerin daar ineens?
Wat moest men daar van zeggen?
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
SINSAG 0608 - Andere Begegnungen mit Hexentieren.
  
Beschrijving
Op een boerderij leek een spookverschijning te zijn. Er was alleen een witte kat te vinden, die niet te raken was. Toen de witte kat weg was, verscheen de boerin in de deuropening.
Bron
Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p.205-207.
Naam Locatie in Tekst
Cocksdorp   
Eierlandsche Huis   
