Hoofdtekst
1. De wolf
Er was eens een aardig klein meisje, dat in een huisje woonde, niet ver van een heel groot bosch. Wanneer ze naar haar grootmoeder zou gaan, zei moeder altijd -- want ze moest dan het bosch door, daar grootmoeder heel ver weg woonde -- " Kind, pas in het bosch vooral toch op! Je weet er zijn allerlei wilde dieren in en vooral wolven, die heel gevaarlijk kunnen wezen." "Ik zal wel oppassen, moeder, zei het meisje dan, maar u weet, dat er ook gelukkig houthakkers in het bosch zijn en als een wolf op me afkwam … En daar rekende moeder dan ook al zoo'n beetje op, als ze het meisje naar grootmoeder zond, om de oude vrouw wat lekkers te brengen.
Nu moet ik je nog zeggen, dat dit kleine meisje Roodkapje heette. Wat een rare naam, zal je zeggen, maar als je weet waarom ze haar zoo noemden, is het toch zoo vreemd niet. Haar moeder had voor haar verjaardag haar een rood mutsje gekocht en daar was ze zoo trotsch op, dat ze er alle dagen mee liep. Dit roode mutsje was nu de oorzaak, dat alle menschen die haar kenden, haar Roodkapje noemden. Op een mooien middag zei de moeder van Roodkapje tot haar:
-- Roodkapje, weet je wel, dat je vandaag wat vergeten hebt ?
-- Neen, moeder, zei Roodkapje, dat weet ik wezenlijk niet. Wat dan?
-- Wel, grootmoeder is jarig.
-- O hé ja, gisteren dacht ik er nog aan en nu vanmorgen was ik het geheel vergeten.
-- Maar ik niet, want ik heb lekkere wafels voor haar gebakken en die moest je nu eens even naar haar toebrengen met dit potje boter.
-- Heel goed, moeder, zei Roodkapje, en daar ze een gehoorzaam meisje was, dat zich nooit iets twee maal liet zeggen, haastte zij zich een mandje te nemen en daar het schaaltje met wafels in te zetten. Ze gaf haar moeder een zoen en vertrok.
-- Onderweg niet spelen, hoort riep haar moeder haar nog na.
-- Neen, neen, moeder! ik ga regelrecht naar grootmoe !
Het was midden in den zomer en heel warm. Hard loopen deed Roodkapje van zelf niet en in het bosch liep ze nog langzamer want daar was het heerlijk koel, daar de zonnestralen door het dichte gebladerte werden gehouden.
toen ze al een heel eind geloopen had, ze vlak achter zich zachte stappen op het mos.
Ze schrikte geweldig en durfde haast niet omzien. Opeens hoorde zij echter een schorre stem, die zei:
-- Goeden middag, Roodkapje, ga je wandelen? En nu zag zij een grooten wolf vlak naast haar staan.
De wolf keek, haar eens aan of hij zeggen wou: “Ik zou je wel op willen eten, maar ik durf niet, want ik hoor de houthakkers en als je begint te schreeuwen, zullen die natuurlijk dadelijk komen om je te helpen en voor hun lange scherpe bijlen heb ik wel een beetje ontzag."
-- Neen, antwoordde Roodkapje, ik wandel niet. Mijn grootmoeder is jarig en nu heeft moeder lekkere wafels voor haar gebakken, die ik haar nu breng.
-- En wat heb je in dat potje ?
-- O, dat is een potje boter.
-- Waar woont je grootmoeder, Roodkapje?
-- Ginds bij de overweg aan den anderen kant van 't bosch. De arme vrouw is ziek en ligt meestal te bed.
-- Ik moet toevallig ook dien kant uit, zei de wolf, dan kunnen we wel samen gaan.
-- Neen, dat durf ik niet. Moeder heeft gezegd, dat ik voor wolven op moest passen, want dat ze heel gevaarlijk zijn.
-- Kom, kom, er zijn ook wolven, die niet gevaarlijk zijn!
-- Ja, zei Roodkapje, doode wolven, maar levende niet.
-- Nu, antwoordde de wolf, je moet het zelf weten, dan ga ik maar alleen. Ik dacht juist je te kunnen helpen, wanneer je het een of ander mocht overkomt.
En zoo ging de wolf weer heen en wandelde Roodkapje alleen weer verder. Onderweg zag ze echter zulke mooie bloemen, dat ze dacht: “Daar pluk ik er wat van voor grootmoeder. Het lieve mensch kan zelf niet meer in het bosch komen en als ik ze dus niet breng, krijgt ze in 't geheel niets. Dat bloemen plukken kostte echter tijd, maar daar dacht Roodkapje niet aan. Wat later zag ze een mooien vlinder vliegen.
-- Wat zou grootmoeder blij zijn als ze zo'n mooien vlinder had! zei ze. Dien moest ik zien te vangen.
En daar ging ze den vlinder achterna. De vlinder was het denkelijk niet met haar eens, dat grootmoeder er blij om wezen zou als hij gevangen werd en daar hij zelf ook liever in het bosch bleef rond fladderen, zorgde hij er wel voor, dat Roodkapje hem niet krijgen kon. Ten laatste gaf zij het dan ook maar op, nam haar mandje en haar potje weer en ging op weg naar grootmoe.
II. Grootmoeder.
Grootmoeder had geen prettigen verjaardag, want ze voelde zich vandaag weer zieker dan anders. 't Was wel niet zoo erg, dat de dokter komen moest, maar ze was toch niet prettig, had hoofdpijn en ook een beetje kiespijn. Ze was dan ook maar naar bed gegaan. Als ze een, poosje geslapen had, zou 't wel over wezen, dacht ze en tegen den avond kon ze dan weer een poosje opkomen.
Het was dan ook niet zoo warm meer en zij verwachtte, dat Roodkapje en haar moeder, als het dagwerk afgeloopen was, nog wel even bij haar zouden komen om te feliciteeren. Opeens .... daar werd aan de deur geklopt. He, wie zou daar wezen ?
-- Wie is daar ? riep grootmoeder.
-- Ik ben 't, grootmoeder, Roodkapje! Ik kom u even feliciteeren en wat lekkere wafels brengen en een potje boter.
Roodkapje is zeker verkouden, dat ze zoo schor praat, dacht grootmoeder.
-- Kom maar binnen! zei ze.
-- De deur is dicht, grootmoeder!
-- Kom, je weet toch wel, dat je maar even aan het touwtje behoeft te trekken, dan gaat ze vanzelf open.
En dadelijk daarop ging de deur ook open en Roodkapje kwam binnen. Wat zeg ik? Roodkapje? Neen, het was de wolf, die binnenkwam. Hij had hard geloopen en was dus veel eerder bij grootmoeder dan het meisje. Nu, je begrijpt dat grootmoeder verschrikkelijk benauwd werd en luid begon te schreeuwen. Maar het oude mensch kon zóó luid niet schreeuwen, dat de houthakkers in het bosch haar hooren konden en bovendien was de wolf, die de deur weer stevig achter zich dicht gedaan had, met twee sprongen bij haar en had de sterke klauwen in haar keel geslagen.
-- Schreeuw maar niet, lachte hij nog. Ik kom je voor je verjaardag enkel maar opeten, want ik heb hevigen honger. Je zal wel wat taai wezen, maar nu ik niet anders heb, moet ik wel genoegen met je nemen. Hap! Daar verdween grootmoeders neus en zoo ging die leelijke wolf voort, tot er niets meer van grootmoeder te vinden was.
-- Roodkapje is veel lekkerder, die is nog jong en malsch! Wacht maar, die zal ook wel zoo komen. Ze had er al wel kunnen wezen, maar ik ken die kinderen, ze spelen graag een beetje en vergeten dan wat ze eigenlijk doen moeten. De wolf nam grootmoeders muts en trok dien ver over zijn ooren, terwijl hij de handen stevig onder zijn kin vastknoopte. Toen trok hij grootmoeders jakje aan, zette haar bril op en kroop onder de dekens zoover hij maar kon.
-- Wat blijft dat kind toch lang weg! Foei! zei het leelijke beest.
Maar eindelijk hoorde hij toch voetstapjes buiten.
-- Ha! Daar zal ze wezen!
En jawel, hoor! Het was Roodkapje ook. Ze klopte aan de deur en de wolf riep, precies zooals grootmoeder gedaan had :
-- Wie is daar?
-- Ik ben het, grootmoeder, Roodkapje. Ik kom u feliciteeren en wat lekkere wafels brengen, die moeder voor u gebakken heeft, en ook een potje boter.
-- Zoo! Nu, kom maar binnen!
-- De deur is dicht, grootmoeder!
-- Maar je weet toch wel, dat die open gaat als je aan het touwtje trekt!
Even later kwam Roodkapje binnen.
-- Zet de wafels en de boter maar op tafel, liefje! Roodkapje deed dit en liep nu op het bed toe. Ze vond wel dat grootmoeder erg schor praatte, maar ze dacht: “Och, de oude ziel zal kou gevat hebben! 't Was gisteren ook zoo winderig." Nu had ze thuis een heel mooi versje geleerd, om dat op te zeggen als ze bij grootmoeder kwam en toen ze dan ook haar wafels en de boter op tafel had gezet, begon ze:
Grootmoe, heden is 't de dag,
Dat gij blij van geest,
Uw verjaardag vieren mag,
Daarom is het feest.
‘k Hoop, dat ik nog menig jaar.
Bij u komen zal….
Met een klein presentje en
Met mijn wenschental.
Vele jaren moog’ gij nog
Leven hier op aard,
Steeds voor ziekte, ramp en leed
En voor zorg gespaard.
Namens moeder moet ik ook ….
-- Ja, ja, 't is best, zei de wolf. Dat heb je mooi gedaan, hoor ! kom nu maar hier, dan zal grootmoeder je een zoentje er voor geven!
-- Maar 't is nog niet uit, grootmoe!
-- O, de rest hoor ik morgen wel.
-- Maar dan is u niet meer jarig!
-- Dat komt er niet op aan. Dan vind ik het nog even mooi!
Nu kwam Roodkapje nog wat dichterbij en de wolf stak den bruinen poot onder het dek uit en wilde dien om haar hals slaan. Roodkapje schrikte geweldig en deed een stap achteruit.
-- Gut, grootmoeder, wat heeft u vandaag een lange armen! riep ze uit.
-- Is dat niet goed? vroeg de wolf. Dan kan ik je toch veel beter omhelzen?
-- Maar u heeft zulke lange beenen ook!
-- Dat is om harder te kunnen loopen.
-- En nu ik goed zie, wat heeft u een groote ooren.
-- Zooveel te beter kan ik hooren, kindje.
-- En zulke groote oogen!
-- Dat is om beter te kunnen zien!
-- En uw mond, grootmoe! En uw tanden! Ik wist nooit, dat u zulke groote scherpe tanden had.
-- Die heb ik om je beter op te kunnen eten!
De wolf sprong het bed uit wilde Roodkapje beetgrijpen, die hevig begon te gillen, juist op het oogenblik, dat de deur opengesmeten werd en twee houthakkers met de scherpe bijlen opgeheven, naar binnen stormden.
-- O wee, o wee, dacht de wolf, dat wordt mis.
En dat werd het ook. Hij probeerde nog gauw door het raam weg te komen, maar een der houthakkers gaf hem zulk een geweldigen slag, dat hij languit op den grond viel om niet meer op te staan. Roodkapje begon van blijdschap te schreien, maar toen ze begreep, dat haar lieve grootmoeder door den wolf was opgegeten, toen had ze toch weer verschrikkelijk verdriet.
-- Gelukkig dat we in de buurt waren, zei een der mannen, we zagen straks den wolf wel binnengaan, maar begrepen toch niet, dat hij de oude vrouw op zou eten. Toen we jou evenwel ook binnen zagen gaan, vertrouwden wij de zaak niet en we zeiden tegen elkander:
-- We moesten toch eens gaan kijken wat die wolf daar in 't schild voert. Nu, we kwamen juist nog op tijd!
Er was eens een aardig klein meisje, dat in een huisje woonde, niet ver van een heel groot bosch. Wanneer ze naar haar grootmoeder zou gaan, zei moeder altijd -- want ze moest dan het bosch door, daar grootmoeder heel ver weg woonde -- " Kind, pas in het bosch vooral toch op! Je weet er zijn allerlei wilde dieren in en vooral wolven, die heel gevaarlijk kunnen wezen." "Ik zal wel oppassen, moeder, zei het meisje dan, maar u weet, dat er ook gelukkig houthakkers in het bosch zijn en als een wolf op me afkwam … En daar rekende moeder dan ook al zoo'n beetje op, als ze het meisje naar grootmoeder zond, om de oude vrouw wat lekkers te brengen.
Nu moet ik je nog zeggen, dat dit kleine meisje Roodkapje heette. Wat een rare naam, zal je zeggen, maar als je weet waarom ze haar zoo noemden, is het toch zoo vreemd niet. Haar moeder had voor haar verjaardag haar een rood mutsje gekocht en daar was ze zoo trotsch op, dat ze er alle dagen mee liep. Dit roode mutsje was nu de oorzaak, dat alle menschen die haar kenden, haar Roodkapje noemden. Op een mooien middag zei de moeder van Roodkapje tot haar:
-- Roodkapje, weet je wel, dat je vandaag wat vergeten hebt ?
-- Neen, moeder, zei Roodkapje, dat weet ik wezenlijk niet. Wat dan?
-- Wel, grootmoeder is jarig.
-- O hé ja, gisteren dacht ik er nog aan en nu vanmorgen was ik het geheel vergeten.
-- Maar ik niet, want ik heb lekkere wafels voor haar gebakken en die moest je nu eens even naar haar toebrengen met dit potje boter.
-- Heel goed, moeder, zei Roodkapje, en daar ze een gehoorzaam meisje was, dat zich nooit iets twee maal liet zeggen, haastte zij zich een mandje te nemen en daar het schaaltje met wafels in te zetten. Ze gaf haar moeder een zoen en vertrok.
-- Onderweg niet spelen, hoort riep haar moeder haar nog na.
-- Neen, neen, moeder! ik ga regelrecht naar grootmoe !
Het was midden in den zomer en heel warm. Hard loopen deed Roodkapje van zelf niet en in het bosch liep ze nog langzamer want daar was het heerlijk koel, daar de zonnestralen door het dichte gebladerte werden gehouden.
toen ze al een heel eind geloopen had, ze vlak achter zich zachte stappen op het mos.
Ze schrikte geweldig en durfde haast niet omzien. Opeens hoorde zij echter een schorre stem, die zei:
-- Goeden middag, Roodkapje, ga je wandelen? En nu zag zij een grooten wolf vlak naast haar staan.
De wolf keek, haar eens aan of hij zeggen wou: “Ik zou je wel op willen eten, maar ik durf niet, want ik hoor de houthakkers en als je begint te schreeuwen, zullen die natuurlijk dadelijk komen om je te helpen en voor hun lange scherpe bijlen heb ik wel een beetje ontzag."
-- Neen, antwoordde Roodkapje, ik wandel niet. Mijn grootmoeder is jarig en nu heeft moeder lekkere wafels voor haar gebakken, die ik haar nu breng.
-- En wat heb je in dat potje ?
-- O, dat is een potje boter.
-- Waar woont je grootmoeder, Roodkapje?
-- Ginds bij de overweg aan den anderen kant van 't bosch. De arme vrouw is ziek en ligt meestal te bed.
-- Ik moet toevallig ook dien kant uit, zei de wolf, dan kunnen we wel samen gaan.
-- Neen, dat durf ik niet. Moeder heeft gezegd, dat ik voor wolven op moest passen, want dat ze heel gevaarlijk zijn.
-- Kom, kom, er zijn ook wolven, die niet gevaarlijk zijn!
-- Ja, zei Roodkapje, doode wolven, maar levende niet.
-- Nu, antwoordde de wolf, je moet het zelf weten, dan ga ik maar alleen. Ik dacht juist je te kunnen helpen, wanneer je het een of ander mocht overkomt.
En zoo ging de wolf weer heen en wandelde Roodkapje alleen weer verder. Onderweg zag ze echter zulke mooie bloemen, dat ze dacht: “Daar pluk ik er wat van voor grootmoeder. Het lieve mensch kan zelf niet meer in het bosch komen en als ik ze dus niet breng, krijgt ze in 't geheel niets. Dat bloemen plukken kostte echter tijd, maar daar dacht Roodkapje niet aan. Wat later zag ze een mooien vlinder vliegen.
-- Wat zou grootmoeder blij zijn als ze zo'n mooien vlinder had! zei ze. Dien moest ik zien te vangen.
En daar ging ze den vlinder achterna. De vlinder was het denkelijk niet met haar eens, dat grootmoeder er blij om wezen zou als hij gevangen werd en daar hij zelf ook liever in het bosch bleef rond fladderen, zorgde hij er wel voor, dat Roodkapje hem niet krijgen kon. Ten laatste gaf zij het dan ook maar op, nam haar mandje en haar potje weer en ging op weg naar grootmoe.
II. Grootmoeder.
Grootmoeder had geen prettigen verjaardag, want ze voelde zich vandaag weer zieker dan anders. 't Was wel niet zoo erg, dat de dokter komen moest, maar ze was toch niet prettig, had hoofdpijn en ook een beetje kiespijn. Ze was dan ook maar naar bed gegaan. Als ze een, poosje geslapen had, zou 't wel over wezen, dacht ze en tegen den avond kon ze dan weer een poosje opkomen.
Het was dan ook niet zoo warm meer en zij verwachtte, dat Roodkapje en haar moeder, als het dagwerk afgeloopen was, nog wel even bij haar zouden komen om te feliciteeren. Opeens .... daar werd aan de deur geklopt. He, wie zou daar wezen ?
-- Wie is daar ? riep grootmoeder.
-- Ik ben 't, grootmoeder, Roodkapje! Ik kom u even feliciteeren en wat lekkere wafels brengen en een potje boter.
Roodkapje is zeker verkouden, dat ze zoo schor praat, dacht grootmoeder.
-- Kom maar binnen! zei ze.
-- De deur is dicht, grootmoeder!
-- Kom, je weet toch wel, dat je maar even aan het touwtje behoeft te trekken, dan gaat ze vanzelf open.
En dadelijk daarop ging de deur ook open en Roodkapje kwam binnen. Wat zeg ik? Roodkapje? Neen, het was de wolf, die binnenkwam. Hij had hard geloopen en was dus veel eerder bij grootmoeder dan het meisje. Nu, je begrijpt dat grootmoeder verschrikkelijk benauwd werd en luid begon te schreeuwen. Maar het oude mensch kon zóó luid niet schreeuwen, dat de houthakkers in het bosch haar hooren konden en bovendien was de wolf, die de deur weer stevig achter zich dicht gedaan had, met twee sprongen bij haar en had de sterke klauwen in haar keel geslagen.
-- Schreeuw maar niet, lachte hij nog. Ik kom je voor je verjaardag enkel maar opeten, want ik heb hevigen honger. Je zal wel wat taai wezen, maar nu ik niet anders heb, moet ik wel genoegen met je nemen. Hap! Daar verdween grootmoeders neus en zoo ging die leelijke wolf voort, tot er niets meer van grootmoeder te vinden was.
-- Roodkapje is veel lekkerder, die is nog jong en malsch! Wacht maar, die zal ook wel zoo komen. Ze had er al wel kunnen wezen, maar ik ken die kinderen, ze spelen graag een beetje en vergeten dan wat ze eigenlijk doen moeten. De wolf nam grootmoeders muts en trok dien ver over zijn ooren, terwijl hij de handen stevig onder zijn kin vastknoopte. Toen trok hij grootmoeders jakje aan, zette haar bril op en kroop onder de dekens zoover hij maar kon.
-- Wat blijft dat kind toch lang weg! Foei! zei het leelijke beest.
Maar eindelijk hoorde hij toch voetstapjes buiten.
-- Ha! Daar zal ze wezen!
En jawel, hoor! Het was Roodkapje ook. Ze klopte aan de deur en de wolf riep, precies zooals grootmoeder gedaan had :
-- Wie is daar?
-- Ik ben het, grootmoeder, Roodkapje. Ik kom u feliciteeren en wat lekkere wafels brengen, die moeder voor u gebakken heeft, en ook een potje boter.
-- Zoo! Nu, kom maar binnen!
-- De deur is dicht, grootmoeder!
-- Maar je weet toch wel, dat die open gaat als je aan het touwtje trekt!
Even later kwam Roodkapje binnen.
-- Zet de wafels en de boter maar op tafel, liefje! Roodkapje deed dit en liep nu op het bed toe. Ze vond wel dat grootmoeder erg schor praatte, maar ze dacht: “Och, de oude ziel zal kou gevat hebben! 't Was gisteren ook zoo winderig." Nu had ze thuis een heel mooi versje geleerd, om dat op te zeggen als ze bij grootmoeder kwam en toen ze dan ook haar wafels en de boter op tafel had gezet, begon ze:
Grootmoe, heden is 't de dag,
Dat gij blij van geest,
Uw verjaardag vieren mag,
Daarom is het feest.
‘k Hoop, dat ik nog menig jaar.
Bij u komen zal….
Met een klein presentje en
Met mijn wenschental.
Vele jaren moog’ gij nog
Leven hier op aard,
Steeds voor ziekte, ramp en leed
En voor zorg gespaard.
Namens moeder moet ik ook ….
-- Ja, ja, 't is best, zei de wolf. Dat heb je mooi gedaan, hoor ! kom nu maar hier, dan zal grootmoeder je een zoentje er voor geven!
-- Maar 't is nog niet uit, grootmoe!
-- O, de rest hoor ik morgen wel.
-- Maar dan is u niet meer jarig!
-- Dat komt er niet op aan. Dan vind ik het nog even mooi!
Nu kwam Roodkapje nog wat dichterbij en de wolf stak den bruinen poot onder het dek uit en wilde dien om haar hals slaan. Roodkapje schrikte geweldig en deed een stap achteruit.
-- Gut, grootmoeder, wat heeft u vandaag een lange armen! riep ze uit.
-- Is dat niet goed? vroeg de wolf. Dan kan ik je toch veel beter omhelzen?
-- Maar u heeft zulke lange beenen ook!
-- Dat is om harder te kunnen loopen.
-- En nu ik goed zie, wat heeft u een groote ooren.
-- Zooveel te beter kan ik hooren, kindje.
-- En zulke groote oogen!
-- Dat is om beter te kunnen zien!
-- En uw mond, grootmoe! En uw tanden! Ik wist nooit, dat u zulke groote scherpe tanden had.
-- Die heb ik om je beter op te kunnen eten!
De wolf sprong het bed uit wilde Roodkapje beetgrijpen, die hevig begon te gillen, juist op het oogenblik, dat de deur opengesmeten werd en twee houthakkers met de scherpe bijlen opgeheven, naar binnen stormden.
-- O wee, o wee, dacht de wolf, dat wordt mis.
En dat werd het ook. Hij probeerde nog gauw door het raam weg te komen, maar een der houthakkers gaf hem zulk een geweldigen slag, dat hij languit op den grond viel om niet meer op te staan. Roodkapje begon van blijdschap te schreien, maar toen ze begreep, dat haar lieve grootmoeder door den wolf was opgegeten, toen had ze toch weer verschrikkelijk verdriet.
-- Gelukkig dat we in de buurt waren, zei een der mannen, we zagen straks den wolf wel binnengaan, maar begrepen toch niet, dat hij de oude vrouw op zou eten. Toen we jou evenwel ook binnen zagen gaan, vertrouwden wij de zaak niet en we zeiden tegen elkander:
-- We moesten toch eens gaan kijken wat die wolf daar in 't schild voert. Nu, we kwamen juist nog op tijd!
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Moeder waarschuwt Roodkapje om onderweg naar grootmoeder op te passen en niet te treuzelen, want in het bos zijn wolven. Roodkapje belooft op te letten, en zegt dat er ook houthakkers zijn. In het bos spreekt de wolf haar aan, Roodkapje vertelt dat ze naar haar jarige grootmoeder gaat en waar ze woont. Ze wil niet met de wolf oplopen, want wolven zijn gevaarlijk. De wolf gaat alleen verder, Roodkapje plukt bloemen en jaagt vlinders na. Grootmoeder verwacht Roodkapje en haar moeder als er wordt geklopt, maar het is de wolf die de stem van Roodkapje nadoet. Hij komt binnen, grootmoeder is bang, de wolf eet haar op, trekt haar jak aan, en gaat in bed liggen. Als Roodkapje aanklopt doet de wolf de stem van grootmoeder na, Roodkapje verbaast zich over haar stem, en zegt een verjaardagsvers op. De wolf wordt ongeduldig, Roodkapje komt dichterbij en verbaast zich over armen, benen, ogen, oren, tanden en mond, waarop de wolf haar wil pakken. Dan komen houthakkers binnen die de wolf doden als hij probeert te vluchten. Roodkapje is blij, maar ook verdrietig als ze merkt dat grootmoeder door de wolf is opgegeten.
Bron
Marie de Koning. Klein Duimpje. Amsterdam: Cohen, [ca. 1920]
KB: NBM Mfe 24774
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: NBM Mfe 24774
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Bevat Klein Duimpje. De gelaarsde kat. Roodkapje. Asschepoester. Riket met de duif
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Datum Invoer
2019-06-27
