Hoofdtekst
Dat mens. Want daar was ik harstikke bang voor. En ik wist niet waarom en het was een schat van een mens en ze gaf je altijd snoepjes en een sinaasappel. En als ik daar bij in de buurt kwam dan, kreeg ik gewoon rillingen. Enneuh, daar schijnt toch wel iets mee geweest te zijn. Ze zeie altijd zo: “Ja die wat is dat toch voor een eigenaardige vrouw.” En ik weet ook heel zeker, maar dat eh dat dan mag helemaal geen namen bij genoemd worden, kijken die zoon en die dochters, die leven nog allemaal hè. Die, die haar man, die heeft letterlijk tegen mijn zus gezegd: “Mien, was zu’n goed mens. Ik had er zu’n goede vrouw aan, zoals er wel gen op de wereld was, maar dat ze me toch iedere nacht d’r uut ging, tussen twaalf en één. Dat heb me z’un leed gedaon. En ze hebt mij nóóit gezet waarhin. En dan zei ik, den blief toch liggen. En zij zei: “ik mot gaon, ik mot gaon!” En ze was met geen zeuven peer te houlen. En ze stond op en om één uur was ze weer terug en ze hebt mij nóóit gezet waarhin ze ging.” Da was de échtgenoot van die vrouw! En die préés z’n vrouw, dat het zo’n geweldige vrouw was, maar ze ging áltijd tussen twaalf en één d’r uit bed en weg. En ze we.. hij wist niet waarheen .. Ik bedoel die vrouw, waar ik het net over had die zag er heel sympathiek uit hè. [gemompel interviewer]. Groot en blozend en heldere ogen. Ennem [klok begint twaalf uur te slaan op de achtergrond] bij die andere mevrouw, die keek echt zo broeierig weet je wel, vanuit, vanonder zijn zware wenkbrauwen uit hè. En daar werd ook altijd van gezegd, die vrouw die kan heksen. En die, haar dochter kan het ook. En dat is iets, dat ligt, veel dichterbij, want dat was een neef van mij, die vrijde dus daar in de buurt. En dan kwam ie tussen twaalf [klok stopt] en één naar huis – en je weet wel op een dorp zegt iedereen, iedereen goeiendag, want dat is gek als iemand niet wat terugzegt hè. Want dikwijls roepen ze dat al van te voren hè. En dan zei die, die neef van mij, die zei tegen m’n zus: “God, ik ben daar en daar langs gekomen, en daar stond ze wéér. En die dochter stond erbij, onder de vlíerstruik. En ik zei: “Goeienavond samen.” En ze zeie niks! En ze bleven maar recht voor zich uit staren.” En daar stonden ze praktisch iedere nacht. Die oude vrouw en haar dochter, onder de vlierstruik en áltijd tussen twaalf en één.
Beschrijving
Elke nacht tussen 12 en 1 moest de vrouw het bed uit. Dat deed haar man veel leed. Een andere vrouw met zware wenkbrauwen kon heksen, haar dochter ook. Elke nacht stonden ze onder de vlierstruik tussen 12 en 1 .
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)

