Hoofdtekst
De Nieuwe Reis naar Lui-Lekkerland. Geschenk voor Lekkere Kinderen.
[houtsnede als vignet: de held neemt afscheid van zijn vriend Jan op de kaai, waar een bootje gemeerd ligt, bestuurd door een matroos, die hem naar een verder op het water liggend zeilschip zal brengen.]
"Vaarwel vriend Jan, houd u konstand,
Ik gaan nu naar Lui-lekkerland"
Te Rotterdam, bij J.B. Ulrich
verso:Die naar Lui-Lekkerland wil gaan,
Ziet eerst eens deze berg aan,
Men dient wel veertien daag te vasten,
Wil men zijne buik vergasten.
1e Blad: De Rijstenbrij-berg.
[houtsnede: vier mannetjes geapend met een grote lepel banen zich een weg door de rijstenbrijberg.]
tekst: Zoodra men nabij Lui-Lekkerland komt, ziet men eene hoogen Berg liggen, nabij dezen berg, wordt men ontscheept, zoodra men aan land is, moet men dadelijk aan het eten, Rijstenbrij met Suiker en Boter is wel om te lusten, men moet zooveel uit den berg eten tot dat men er door heen kan kruipen, zoo als op bovenstaande plaatje ziet afgebeeld, twee beginnen om dezelve door te eten, en twee ziet men aan de andere kant er doorheen komen, en deze roepen vrolijk uit:
De Berg is door gegeten Konstand,
Nu zijn wij in Lui-Lekkerland.
2e Blad: De Os kakt pannekoeken en de Stroopboom.
[houtsnede: een Os op het voorplan te midden van ossenvlaaien. Daarachter een mannetje met een ossenvlaai-pannekoek in de hand, waarop hij stroop uit een boom, die het groepje overschaduwt, laat druipen.]
tekst: Als men begeert Pannekoeken te eten, dan komt de Os en die legt ze zoo daar neer, met en zonder spek, men gaat maar dadelijk te gast, begeert men er stroop op, dan houdt men de koekebak even onder dezen boom, en dadelijk druipt er de stroop op, men eet zoo veel als men begeert, en zoo dikwijls als men verkiest, wat zoudt gij nu nog meerder verlangen, lekker eten en drinken, zoo lang slapen als men verkiest en niet werken dat is een leventje.
Ziet, hoe dat de domme Ossen,
De spek pannekoeken lossen.
3e Blad: Het Paardje Schijtgeld [en de Dubbeltjesboom].
[houtsnede: Het paardje Schijtgeld op het voorplan in de schaduw van een boom, waaraan dubbeltjes hangen. Een mannetje geknield met de hoed in de hand vangt de ducaten onder de staart van het paardje op.]
tekst: Dit paardje vind men nergens dan in Lui-Lekkerland, geld voor eten heeft men daar niet noodig, maar men is daar gaarne mooi gekleed, eens in het jaar komt er een schip met allerlei fraaie kledingstukken en tot dat einde vangt men wat geld als het paardje poept.
Dit beestje kakt Dukaten, en aan die boom groeijen Dubbeltjes, dan heeft men groot en klein geld, om te koopen wat men wil. Ziet deze man is bezig om in zijne hoed het goud geld op te vangen en als men aan deze boom schut rollen er de dubbeltjes af.
O! wat is dit Beestje goed,
Het kakt Dukaten in uw hoed.
4e Blad: Het Gebraden Varken, de gebraden Eendenbout en de gebraden Appelen.
[houtsnede: Op het voorplan een meisje met open mond waarheen een gebraden eend vliegt. In het midden een mannetje dat naar de gebraden appelen van een boom, die het toneel overschaduwt, opspringt. Voor hem een lopend gebraden varken met een mes in de rug.]
tekst: Zoodra als men maar denkt, ik zou wel eens gebraden ham lusten, dan komt er een gebraden varken, met het mes in zijne rug, aanloopen, en men snijdt er af, wat men lust, of men begeert eens eendebout te eten, dan heeft men maar zijne mond open te doen, en de gebraden Eendvogels vliegen in u mond, en begeert men er een gebraden appeltje bij, dan plukt men ze maar van de boomen, en zoo is in dit land van alles te krijgen wat men maar denkt.
Wat men ook begeert, men denkt,
Dit land, voor niets, u alles schenkt.
5e Blad: De Wijn-Fontein.
[houtsnede: in het midden een fontein, waaruit een dikke straal waaiervormig spuit. Langs beide zijden een mannetje, dat zijn dorst komt lessen.]
tekst: Als men gebraad heeft gegeten, dan volgt gewoonlijk dorst; men vindt in dit land verscheidene Fonteinen daar de beste wijnen uitspringen welke men verkiest, men behoeft slechts zijn mond te openen en de wijn springt van zelf in, ook vind men er baden van de beste wijn, daar zwemt of baad men zich in, en als men er uit komt is men weder tien jaren jonger, zoo dat men in dat land niet oud word, maar wel jong of nieuw, wie zou dat niet bevallen.
Zoo een Wijn Fontein is schatten waard,
Kijk vrienden dat is na den aard.
6e Blad: De(n) Ezel die vijgen kakt en de Banketboom (de titel is gedachteloos in een verkeerde volgorde gedrukt).
[houtsnede: een ezel op het voorplan met neerhurkend mannetje dat vijgen opvangt in zijn hoed. Koekjes vallen overvloedig uit de boom, die het toneel overschaduwt.]
tekst: Ziet Kinderen! dat is zeker wel naar uwen zin, banket en vijgen, dat is een smulpartijtje, ziet dit jongentje, die telt hoe veel vijgen den Ezel kakt en intussen valt het banket zoo van zelf uit de boomen, wat zoudt gij nu nog meer verlangen, speelgoed in allerlei soort, dat behoef ik u niet af te beelden, dat ziet gij hier op de kermis in de kramen wel, wie van u wil naar Lui Lekkerland gaan, die spaart zijn centen maar voor de reis.
Dien Ezel, die kakt zoete vijgen,
Jan zoekt ze in zijn hoed te krijgen.
7e Blad: De Speelwagen.
[houtsnede: een speelwagen met over twee groetende mannetjes gespannen scherm staat in het midden van het toneel.]
tekst: Als men zijn buikje dik gegeten heeft, aan hetgene men verkiest en om dan het eten wat te doen zakken, gaat men wat rijden of varen, de wagens die men daar vindt, rijden zonder paarden, men behoeft maar te denken, daar wil ik eens na toe rijden, dan gaat de wagen van zelf er na toe de wagen is van een zonnescherm overdekt, zoo dat men geen hinder van de zon heeft, zoo keert men weder naar huis; eet en drinkt weder wat men verkiest, en slaapt weder, en morgen begint men weder op nieuw.
Wie zou zoo een leven niet behagen,
Om zoo te rijden in een wagen.
[houtsnede als vignet: de held neemt afscheid van zijn vriend Jan op de kaai, waar een bootje gemeerd ligt, bestuurd door een matroos, die hem naar een verder op het water liggend zeilschip zal brengen.]
"Vaarwel vriend Jan, houd u konstand,
Ik gaan nu naar Lui-lekkerland"
Te Rotterdam, bij J.B. Ulrich
verso:Die naar Lui-Lekkerland wil gaan,
Ziet eerst eens deze berg aan,
Men dient wel veertien daag te vasten,
Wil men zijne buik vergasten.
1e Blad: De Rijstenbrij-berg.
[houtsnede: vier mannetjes geapend met een grote lepel banen zich een weg door de rijstenbrijberg.]
tekst: Zoodra men nabij Lui-Lekkerland komt, ziet men eene hoogen Berg liggen, nabij dezen berg, wordt men ontscheept, zoodra men aan land is, moet men dadelijk aan het eten, Rijstenbrij met Suiker en Boter is wel om te lusten, men moet zooveel uit den berg eten tot dat men er door heen kan kruipen, zoo als op bovenstaande plaatje ziet afgebeeld, twee beginnen om dezelve door te eten, en twee ziet men aan de andere kant er doorheen komen, en deze roepen vrolijk uit:
De Berg is door gegeten Konstand,
Nu zijn wij in Lui-Lekkerland.
2e Blad: De Os kakt pannekoeken en de Stroopboom.
[houtsnede: een Os op het voorplan te midden van ossenvlaaien. Daarachter een mannetje met een ossenvlaai-pannekoek in de hand, waarop hij stroop uit een boom, die het groepje overschaduwt, laat druipen.]
tekst: Als men begeert Pannekoeken te eten, dan komt de Os en die legt ze zoo daar neer, met en zonder spek, men gaat maar dadelijk te gast, begeert men er stroop op, dan houdt men de koekebak even onder dezen boom, en dadelijk druipt er de stroop op, men eet zoo veel als men begeert, en zoo dikwijls als men verkiest, wat zoudt gij nu nog meerder verlangen, lekker eten en drinken, zoo lang slapen als men verkiest en niet werken dat is een leventje.
Ziet, hoe dat de domme Ossen,
De spek pannekoeken lossen.
3e Blad: Het Paardje Schijtgeld [en de Dubbeltjesboom].
[houtsnede: Het paardje Schijtgeld op het voorplan in de schaduw van een boom, waaraan dubbeltjes hangen. Een mannetje geknield met de hoed in de hand vangt de ducaten onder de staart van het paardje op.]
tekst: Dit paardje vind men nergens dan in Lui-Lekkerland, geld voor eten heeft men daar niet noodig, maar men is daar gaarne mooi gekleed, eens in het jaar komt er een schip met allerlei fraaie kledingstukken en tot dat einde vangt men wat geld als het paardje poept.
Dit beestje kakt Dukaten, en aan die boom groeijen Dubbeltjes, dan heeft men groot en klein geld, om te koopen wat men wil. Ziet deze man is bezig om in zijne hoed het goud geld op te vangen en als men aan deze boom schut rollen er de dubbeltjes af.
O! wat is dit Beestje goed,
Het kakt Dukaten in uw hoed.
4e Blad: Het Gebraden Varken, de gebraden Eendenbout en de gebraden Appelen.
[houtsnede: Op het voorplan een meisje met open mond waarheen een gebraden eend vliegt. In het midden een mannetje dat naar de gebraden appelen van een boom, die het toneel overschaduwt, opspringt. Voor hem een lopend gebraden varken met een mes in de rug.]
tekst: Zoodra als men maar denkt, ik zou wel eens gebraden ham lusten, dan komt er een gebraden varken, met het mes in zijne rug, aanloopen, en men snijdt er af, wat men lust, of men begeert eens eendebout te eten, dan heeft men maar zijne mond open te doen, en de gebraden Eendvogels vliegen in u mond, en begeert men er een gebraden appeltje bij, dan plukt men ze maar van de boomen, en zoo is in dit land van alles te krijgen wat men maar denkt.
Wat men ook begeert, men denkt,
Dit land, voor niets, u alles schenkt.
5e Blad: De Wijn-Fontein.
[houtsnede: in het midden een fontein, waaruit een dikke straal waaiervormig spuit. Langs beide zijden een mannetje, dat zijn dorst komt lessen.]
tekst: Als men gebraad heeft gegeten, dan volgt gewoonlijk dorst; men vindt in dit land verscheidene Fonteinen daar de beste wijnen uitspringen welke men verkiest, men behoeft slechts zijn mond te openen en de wijn springt van zelf in, ook vind men er baden van de beste wijn, daar zwemt of baad men zich in, en als men er uit komt is men weder tien jaren jonger, zoo dat men in dat land niet oud word, maar wel jong of nieuw, wie zou dat niet bevallen.
Zoo een Wijn Fontein is schatten waard,
Kijk vrienden dat is na den aard.
6e Blad: De(n) Ezel die vijgen kakt en de Banketboom (de titel is gedachteloos in een verkeerde volgorde gedrukt).
[houtsnede: een ezel op het voorplan met neerhurkend mannetje dat vijgen opvangt in zijn hoed. Koekjes vallen overvloedig uit de boom, die het toneel overschaduwt.]
tekst: Ziet Kinderen! dat is zeker wel naar uwen zin, banket en vijgen, dat is een smulpartijtje, ziet dit jongentje, die telt hoe veel vijgen den Ezel kakt en intussen valt het banket zoo van zelf uit de boomen, wat zoudt gij nu nog meer verlangen, speelgoed in allerlei soort, dat behoef ik u niet af te beelden, dat ziet gij hier op de kermis in de kramen wel, wie van u wil naar Lui Lekkerland gaan, die spaart zijn centen maar voor de reis.
Dien Ezel, die kakt zoete vijgen,
Jan zoekt ze in zijn hoed te krijgen.
7e Blad: De Speelwagen.
[houtsnede: een speelwagen met over twee groetende mannetjes gespannen scherm staat in het midden van het toneel.]
tekst: Als men zijn buikje dik gegeten heeft, aan hetgene men verkiest en om dan het eten wat te doen zakken, gaat men wat rijden of varen, de wagens die men daar vindt, rijden zonder paarden, men behoeft maar te denken, daar wil ik eens na toe rijden, dan gaat de wagen van zelf er na toe de wagen is van een zonnescherm overdekt, zoo dat men geen hinder van de zon heeft, zoo keert men weder naar huis; eet en drinkt weder wat men verkiest, en slaapt weder, en morgen begint men weder op nieuw.
Wie zou zoo een leven niet behagen,
Om zoo te rijden in een wagen.
Onderwerp
AT 1930 - Schlaraffenland   
ATU 1930 - Schlaraffenland.   
Beschrijving
Beschrijving van heerlijkheden in Luilekkerland, zonder moralisatie.
Bron
P. de Keyser. De nieuwe reis naar Luilekkerland. in: P. de Keyser: Ars folklorica Belgica. Noord- en Zuid-Nederlandse volkskunst. Antwerpen [etc.] 1956, p. 10-14
Commentaar
De Nieuwe Reis naar Lui-Lekkerland. Geschenk voor Lekkere Kinderen. Rotterdam: Jan-Baptist Ulrich, 18XX
Onder beeld één van de houtsneden.
Onder beeld één van de houtsneden.
Schlaraffenland
Naam Overig in Tekst
Jan   
Luilekkerland   
J.B. Ulrich   
Naam Locatie in Tekst
Rotterdam   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
