Hoofdtekst
Ik heb hier nog een aardig verhaal over mensen die vroeger met speelkaarten van alles uithaalden. En nou zou ik hier een verhaaltje willen vertellen van een zegsman van me, die helaas overleden is, de heer Driekske Genen, uit Heythuysen.
Als er vroeger in de buurtschap, in de ‘naober’ zeggen ze hier, iemand stierf, dan moesten de mannen met een – met vier of vijf ’s nachts ‘de dooiewacht hooie’, zoals men zegt, bij het lijk, in de sterfkamer. Zo zaten daar op een – zo zaten daar op een keer vijf mannen bijeen, en omdat ze de hele nacht van de hele nacht bidden, rozenkrans bidden, blaren aan de lippen dreigden te krijgen, kortten ze hun tijd met stil wat te kaarten. Ze hadden als hartversterking een hele fles cognac meegekregen. Daar deze erg goed smaakte, was die fles gauw leeg. En iemand verzuchtte: ‘Ich woei nog gern een fles nieë, als ‘t er maar aan te komen waas. He doar is toch doeët. En ‘t zit er hee wel aan [?]. We blieven toch al goed bi hem dan?’ Eén van de mannen zei: ‘Ik zal eens zorgen dat er een nieë kömt. Leg die kaart maar eens neer.’ Hij trok er een kaart uit – welke, dat is niet bekend – en stak die door het raam naar buiten, door het open raam, en zei tegen zijn gezelschap: ‘Noe kömt de fles. De man deer ze bringt, zit hier neet. De fles geet drie kier um me heeën, ge könt ze zo mit de hand gripen, maar as ge ze den derden keeër niet gepakt hubt, ben ik ongelukkig. Dan wurdt ze mich op mine kop kapot geslagen.’
De fles kwam de kamer in, en zweefde op manshoogte rond aan – rondom de aan de tafel zittende mannen. Deze waren zo verschrikt dat ze er niet meer naar durfden – niet naar durfden grijpen. De duivelskunstenaar brak het angstzweet uit. Op het allerlaatste moment greep één der mannen ze beet. De man riep verlicht uit: ‘Oh, wat een geluk, wat een geluk! Daar ligt al eeën doeie, en dan was ich de tweeë geworre.’ Ze dronken in de loop van de nacht deze fles nog lekker leeg, en toen eindelijk de morgen aanbrak, gingen ze huiswaarts en durfden er zelfs niet meer over te praten.
Als er vroeger in de buurtschap, in de ‘naober’ zeggen ze hier, iemand stierf, dan moesten de mannen met een – met vier of vijf ’s nachts ‘de dooiewacht hooie’, zoals men zegt, bij het lijk, in de sterfkamer. Zo zaten daar op een – zo zaten daar op een keer vijf mannen bijeen, en omdat ze de hele nacht van de hele nacht bidden, rozenkrans bidden, blaren aan de lippen dreigden te krijgen, kortten ze hun tijd met stil wat te kaarten. Ze hadden als hartversterking een hele fles cognac meegekregen. Daar deze erg goed smaakte, was die fles gauw leeg. En iemand verzuchtte: ‘Ich woei nog gern een fles nieë, als ‘t er maar aan te komen waas. He doar is toch doeët. En ‘t zit er hee wel aan [?]. We blieven toch al goed bi hem dan?’ Eén van de mannen zei: ‘Ik zal eens zorgen dat er een nieë kömt. Leg die kaart maar eens neer.’ Hij trok er een kaart uit – welke, dat is niet bekend – en stak die door het raam naar buiten, door het open raam, en zei tegen zijn gezelschap: ‘Noe kömt de fles. De man deer ze bringt, zit hier neet. De fles geet drie kier um me heeën, ge könt ze zo mit de hand gripen, maar as ge ze den derden keeër niet gepakt hubt, ben ik ongelukkig. Dan wurdt ze mich op mine kop kapot geslagen.’
De fles kwam de kamer in, en zweefde op manshoogte rond aan – rondom de aan de tafel zittende mannen. Deze waren zo verschrikt dat ze er niet meer naar durfden – niet naar durfden grijpen. De duivelskunstenaar brak het angstzweet uit. Op het allerlaatste moment greep één der mannen ze beet. De man riep verlicht uit: ‘Oh, wat een geluk, wat een geluk! Daar ligt al eeën doeie, en dan was ich de tweeë geworre.’ Ze dronken in de loop van de nacht deze fles nog lekker leeg, en toen eindelijk de morgen aanbrak, gingen ze huiswaarts en durfden er zelfs niet meer over te praten.
Onderwerp
SINSAG 0685 - Pikbube als Helfer.   
Beschrijving
Vijf mannen hielden een dodenwacht. Om de tijd te verdrijven, kaartten en dronken ze. Eén man zei nog wel een fles te lusten. Een andere man zei daar wel iets op te weten. Hij gooide een speelkaart naar buiten en er zweefde een fles de kamer in die drie keer rond het hoofd van de man rondzweefde. De andere mannen moesten vóór het einde van deze drie rondjes de fles te pakken krijgen, anders zou deze stuk worden geslagen op het hoofd van hun metgezel. Eén man pakte de fles op tijd. De mannen dronken die nacht de fles leeg en durfden niet meer over dit voorval te spreken.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)

