Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

KROSENBRINK00101

Een sage (mondeling), dinsdag 01 mei 1962

Hoofdtekst

Ne boernknech mos van de baas hen meststreajen. Den zea teggen um: Noo mo’j anmaken! Maor de knech hadde de tied wal. Dat kon e nog mak’luk redden veur twaalf uur. Ut worden al neggen uur, tien uur, 11 uur en endeluks umme half twaalv’ne, daor ging e naor ut land. De boer ging met, want hee wol wal is zeen, hoo te dat nog klaorspöllen. De knech ging met opgeheven arme op ut land staon, preveln der wat bi’j en bi’j elken mesthoop kwam zon klein kealken te staone, den den hoop oet mekare streajen. En nog veur twaalf uur was ut wark af.
Den knech kon de vri’je kunst en den boer begrep ter niks van, want hee had gin menneken ezene.

Beschrijving

De boerenknecht moet van de boer mest strooien. Het werk moet voor twaalf uur klaar zijn, maar de boerenknecht neemt zijn tijd. Om half twaalf gaat de boerenknecht het land op. De boer gaat mee want die wil wel zien hoe zijn knecht het werk nog af gaat krijgen. De knecht heft zijn armen en prevelt wat. Bij elke mesthoop verschijnt een kerel die de mest uitstrooit. Voor twaalf uur is het werk geklaard. De boer snapt er niets van.

Bron

Corpus Krosenbrink, verslag 1, verhaal 1 (archief Meertens Instituut)

Plaats van Handelen

Rekken    Rekken