Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- De vos en de raaf met zijn kaas

Een (), (foutieve datum)

Onderwerp

AT 0057 - Raven with Cheese in his Mouth    AT 0057 - Raven with Cheese in his Mouth   

ATU 0057 - Raven with Cheese in his Mouth.    ATU 0057 - Raven with Cheese in his Mouth.   

Tekst

Een vogel heeft een stukje kaas in zijn mond. De vos wil het stukje kaas hebben, dus hij verleidt de vogel met valse complimenten een stukje voor hem te zingen. De vogel trapt erin, opent zijn bek en laat de kaas vallen. Het plan is gelukt: de vos gaat er met de kaas vandoor.

De fabel over de vos en de raaf met de kaas staat in de internationale volksverhalencatalogus van Uther als ATU 57 Raven with Cheese in His Mouth. Versies van de fabel zijn gevonden in heel Europa, Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Zuid-Afrika. In Nederland is de fabel tegenwoordig ook nog bekend; in de Volksverhalenbank staan een aantal versies uit Utrecht en Friesland. In het Nederlands is de fabel in de vroegst bekende bron overgeleverd in de Esopet, een Middelnederlandse bundel uit de tweede helft van de dertiende eeuw met 67 dierfabels.
De oudste versie van de fabel wordt toegeschreven aan de Griekse dichter Aesopus (620-560 v. Chr). Hij zou een slaaf zijn geweest, maar niemand weet zeker of hij wel heeft bestaan. Zijn fabels zijn als eerste vastgelegd door de Griekse schrijver Demetrius van Phalerum. In deze versie in proza is de vogel een kraai, en die heeft geen stukje kaas, maar een stukje vlees in zijn bek. De vos complimenteert eerst het uiterlijk van de kraai, en zegt: ‘als je stem even mooi is als jij, dan mag je Koning der Vogels worden genoemd’. De kraai is gevleid en wil nu graag zijn stem laten horen. Hij opent zijn bek en laat het stukje vlees vallen. De vos pakt het op en vertelt de kraai dat zijn stem mooi genoeg is, maar dat zijn verstand te wensen over laat. De boodschap van de tekst: luister niet naar vleierij. De sympathie ligt in deze versie bij de raaf: hij is wel dom geweest door naar gevlei te luisteren, maar de vos is de slechterik in het verhaal.
Later zijn de fabels van Aesopus bewerkt in het Latijn. Dat gebeurde in de eerste eeuw na Christus door Phaedrus, een vrijgelaten slaaf. Van hem zijn vijf boeken met fabels overgeleverd. Het is geen precieze vertaling; Phaedrus had meer een aemulatio in gedachten, waarbij hij ook eigen materiaal heeft toegevoegd. De fabels die hij uitkoos zette hij om in poëzie. Ook plaatste hij bij elke fabel een voorwoord van een paar regels. Bij De vos en de raaf, zoals de fabel bij Phaedrus heet, luidt dat als volgt vanuit het perspectief van de raaf: ‘Wie valse vleierij uit ijdelheid gelooft // trekt later vaak van spijt de haren uit zijn hoofd’. De fabel heeft ook een nawoord, waarin de moraal wordt uitgelegd en de vos ook enige sympathie krijgt: ‘De fabel leert dat wie niet sterk is slim moet zijn; // want schranderheid krijgt ook de allersterksten klein’.
De fabel is daarna in het Grieks bewerkt door ene Babrius, die leefde in de tweede eeuw na Christus. Hij baseerde zich onder andere op de fabels van Aesopus; zijn andere bronnen zijn onbekend. Hij zette de fabels om in jambische verzen. Deze fabels zijn later in het Latijn vertaald door Avianus in ongeveer 400 na Christus. Deze twee bewerkingen zijn een andere tak dan die van Phaedrus, maar de fabels van Avianus hebben ook als bron gediend voor middeleeuwse versies.
In de Romulus Burneianus zijn 98 fabels van Phaedrus en andere onbekende schrijvers gebundeld. De precieze datering is onzeker, maar de Romulus is in ieder geval voor de negende eeuw ontstaan. De fabels zijn in deze collectie weer omgezet naar proza.
De Romulus is later weer als bron gebruikt voor de Middelnederlandse Esopet, een bundel met berijmde dierfabels in het Middelnederlands uit de tweede helft van de dertiende eeuw. Door Jacob van Maerlant zijn de schrijvers aangeduid als Calfstaf en Noydekijn, maar het is onduidelijk of dat ook waar is. In deze versie van de fabel heeft de raaf een kaas in zijn bek: ‘Op I boem sat tere stont // I roec, ende hadde in sinen mont // I case’. De vos is bij Aesopus, Phaedrus en in de Romulus nog gewoon een vos, maar in de Esopet heet de vos Reinaert, onder invloed van de verhalen over de sluwe vos Reinaert uit de Middeleeuwen. Ook wordt God genoemd in deze versie, maar alleen als uitroep. De fabels in de Esopet sluiten aan bij de Latijnse teksten en hebben meestal geen expliciet christelijke moraal.
Na de Esopet komt de fabel voor in een aantal Middelnederlandse werken. Op kleine variaties na komt de inhoud van de fabel in die werken steeds overeen. De moraal wordt vaak anders verwoord, maar de kern blijft hetzelfde. Ook wordt de moraal verwoord vanuit het perspectief van de raaf; Reinaert de vos werd in de Middeleeuwen gezien als een negatieve figuur. In Die pelgrimagie der menscherliker natueren (ca. 1460) luidt de boodschap: pas op voor ‘ydele glorie’, want dat kan zelfs degenen ‘die best ghepluymt’ zijn misleiden. De Twispraec der creaturen is vertaald uit het Latijn en voor het eerst in het Nederlands gedrukt in 1481. De moraal: wees niet te goedgelovig, want ‘wie haestelic ghelovet die is licht van harten’. De fabels in Dye hystorien ende fabulen van Esopus (1485) zijn gebaseerd op de Franse fabels van Julien Macho, die zich weer baseerde op de Duitse fabels van Heinrich Steinhöwel. De fabel leert dat men nooit ‘flatterye oft ydel glorie’ moet geloven. De bundel Van Esopus leven en Esopus fabulen (1533) is een bewerking van Dye hystorien, maar qua inhoud vrijwel gelijk. De bundel Dleven ende fabulen van Esopus (1548) was bedoeld als lesboek Frans; de fabels zijn zowel in het Middelnederlands als in het Frans afgedrukt. In ‘Vos en raaf’, zoals de titel hier luidt, wordt de moraal uitgebreid uitgelegd: wees niet te ‘lofghierich’, anders val je ten prooi aan ‘schuymers’ en ‘flatteerders’. In Joost van den Vondels Vorsteliicke Warande der dieren (1617) komt de fabel ook voor, maar hier is de raaf een ‘papegay’ geworden. Dat is waarschijnlijk gebeurd onder invloed van de emblemen van Marcus Gheeraerts, waarop de afgebeelde vogel een kromme snavel heeft en dus meer op een papegaai lijkt. Ook deze fabel waarschuwt voor ‘vleyers’ die je met mooie woorden ‘betoovren’.
In de zeventiende eeuw werden fabels zeer populair door de Franse schrijver Jean de La Fontaine. Tussen 1668 en 1679 verschenen 12 boeken met fabels. In de eerste paar boeken staan vooral versies in dichtvorm van de fabels van Aesopus en Phaedrus; voor fabels in de latere boeken gebruikte La Fontaine allerlei andere bronnen. De fabels van La Fontaine waren oorspronkelijk niet bedoeld voor kinderen, maar doordat de eerste zes boeken werden opgedragen aan de 6-jarige kroonprins van Frankrijk werden de fabels wel als kinderliteratuur beschouwd.
De fabel ‘De raaf en de vos’ is bij La Fontaine qua inhoud hetzelfde als in de andere versies. De moraal wordt door de vos aan de raaf verteld: ‘Leer dit, mijn goede baas, // Elk vleier leeft op kosten van den dwaas, // Die naar hem luistert’. Daarop zweert de raaf ‘dat men hem niet weer snappen zou’. La Fontaine duidt de raaf en de vos aan als respectievelijk ‘Meester de Raaf’ en ‘Meester Vos’.
In de negentiende eeuw werden de fabels van de La Fontaine uitgegeven als schoolboekjes voor de jeugd. Het sloeg aan en de fabels werden razend populair bij kinderen. Ze zijn daarna dan ook nog meerdere keren bewerkt voor de jeugd, zowel in het buitenland als in Nederland. Ook in de muziekwereld was de fabel geliefd. Jacques Offenbach zette in 1842 zes van de fabels van La Fontaine, waaronder die over de vos en de raaf, op muziek. Later verschenen er ook parodieën op de fabel; vooral in het Frans, maar ook in het Nederlands. De Franse komiek Roger Pierre voerde zijn parodie op de fabel in 1958 op voor publiek (https://www.youtube.com/watch?v=iUnLZkFzdn4). Een bekende Franse muzikale parodie komt van Les Frères Jacques in hun album Chantent La Fontaine (1964, zie: https://www.youtube.com/watch?v=d6Xp_uzxpeQ). In het Nederlands gebruikte Hans Teeuwen de fabel in zijn cabaretvoorstelling Hard en Zielig (2008, zie: https://www.youtube.com/watch?v=62vUG-byt_Y). Hoewel de sketch van Teeuwen vooral draait om de vogelverschrikker Kiekerjan, zit er op zijn minst een verwijzing in naar de fabel. Het verhaal begint met de vos die wordt opgejaagd door een groep jagers. Hij smeekt de raaf om hem te helpen, ook al zijn ze nooit vrienden geweest. De raaf weigert en is zelfs de oorzaak van de dood van de vos. De rollen zijn hier omgedraaid: de vos wordt het slachtoffer van de sluwe raaf.
Door de eeuwen heen is de fabel over de raaf en de vos met de kaas qua inhoud niet veel veranderd, op kleine verschillen na. De vogel is vaak een raaf, maar soms een kraai; de vogel heeft vaak een stuk kaas in zijn bek, soms een stuk vlees. De grote lijnen en de moraal blijven echter steeds hetzelfde. Voor andere dierfabels geldt dat echter niet. De fabel ‘De geit en de wolf’ uit de Esopet bijvoorbeeld heeft wel een grote verandering ondergaan. In de fabel gaat moedergeit naar het veld om te grazen. Ze laat haar kind thuis, met de deur op slot. De wolf ziet zijn kans schoon en probeert binnen te komen door voor de deur te mekkeren alsof hij de moedergeit is. Het kleine geitje trapt daar niet in en doet de deur niet open. De moraal van het verhaal: ‘Tkint es te beter ende vroeder, // horet na vader ende na moeder’. Deze fabel is later uitgegroeid tot het sprookje ‘De wolf en de zeven geitjes’ (ATU 0123 The Wolf and the Kids).
Het sprookje begint hetzelfde als de fabel, maar nu met zeven geitenkinderen. Ze doen eerst niet open voor de wolf, maar hij maakt zijn stem zachter met honing en kleurt zijn poten wit met meel. Hij lijkt nu zo op hun moeder dat de geitjes wel open doen. Zes geitjes worden door de wolf opgegeten; de zevende kan zich verstoppen en vertelt later aan moedergeit wat er is gebeurd. Moedergeit vindt de wolf, snijdt zijn buik open en alle opgegeten geitjes komen weer levend tevoorschijn. Ze vullen de maag van de wolf met stenen, zodat wanneer hij ontwaakt en zijn dorst wil lessen, hij voorover in het water valt en verdrinkt.
Hoe kan het dat de ene fabel wel verandert en de ander niet? Dat is lastig te zeggen. Het verhaal over de wolf en de geitjes kent in ieder geval tot 1668 – de versie van La Fontaine – een vrij stabiele schriftelijke overlevering. Wellicht is de fabel daarna minder vaak schriftelijk vastgelegd, waardoor rond 1800 het verhaal toch verandert in een uitgebreider sprookje. In het geval van de fabel over de vos en de raaf met de kaas heeft de schriftelijke overlevering zeker bijgedragen aan het feit dat er nauwelijks variatie is opgetreden.

Literatuur

- Van Coillie, J., Van der Pennen, C., Staal, T. & Tromp, H. (red), Lexicon van de jeugdliteratuur. Martinus Nijhoff, Groningen, 1982-2014.
- Geirnaert, D. & Smith, P.J., ‘Tussen fabel en embleem: De warachtige fabulen der dieren (1567)’. In: Literatuur 9 (1992), p. 22-33.
- Van Oostrom, F.P., Reinaert Primair. Over het geïntendeerde publiek en de oorspronkelijke functie van Van den vos Reinaerde. Utrecht, Hes Uitgevers, 1983.
- Perry, B.E., Babrius and Phaedrus. Cambridge, Harvard University Press, 1975.
- Phaedrus, Fabels (Vertaald en toegelicht door John Nagelkerken). Amsterdam, Athenaeum, 1998.
- Schippers, A., Middelnederlandse fabels. Studie van het genre, beschrijving van collecties, catalogus van afzonderlijke fabels. Nijmegen, 1995.
- Uther, H-J., The types of international folktales. Drie delen. Helsinki: Academia Scientarium Fennica, 2004.
- Te Winkel, J. (ed.), Esopet. Groningen: Wolters, 1881.