Hoofdtekst
Ne neajster hadde ovverdag bi’j ne boer ewarkt en den boer brach eur ’s aovends naor hoes hen. Ton ze zo onderweg wazze zea de neajster: Noo mo’j is effen wachten, dan kö’j wat moojs zeen. En opins kwammen der un tröpken katten an, dee allemaole netkes in de riehe lepen. De dearne zea der dit riemken bi’j op:
“Jan Prul, Jan Pral,
Die sprak tot mij,
Schoon jong poesje,
Waar zijt gij?
“Jan Prul, Jan Pral,
Die sprak tot mij,
Schoon jong poesje,
Waar zijt gij?
Beschrijving
Een naaister werkt overdag bij de boer. Hij brengt haar 's avonds naar huis. Onderweg zegt de naaister: 'Wacht hier even, dan kun je iets moois zien.' Opeens komt er een groep katten tevoorschijn, die netjes in een rij lopen. De naaister zegt er een versje bij op.
Bron
Corpus Krosenbrink, verslag 1, verhaal 2 (archief Meertens Instituut)
Naam Overig in Tekst
Jan Prul, Jan Pral   
