Hoofdtekst
Oojevaars wet van te vorne, waor ne doojen kump. Bi’j eur in hoes was un klein kind zeek ewordene. Olde vrouw Wensink had ne oojevaar in de buurte rond zeen vlegen en zee zoog ut ton zwaor in. En ut kind is too ok warkeluk dood egaone.
Beschrijving
Ooievaars weten van te voren waar er iemand dood gaat. Bij hen in huis was een klein kind ziek geworden. Mevrouw Wensink had een ooievaar rond zien vliegen. Het kind is ook werkelijk doodgegaan.
Bron
Corpus Krosenbrink, verslag 6, verhaal 5 (archief Meertens Instituut)
Commentaar
Het waren pertinent ooievaars - geen uilen.
Naam Overig in Tekst
Wensink   
