Hoofdtekst
In de tijd van de Noormannen, toen alles hier nog bos was, spiegelde het schoon kasteelke zich in het water van de Gender. En dichtbij het kasteel lag een klooster bewoond door vrome vrouwen. En elke morgen als de kloosterklok het uur der prime klepte, dan kwam Eleonora, de dochter van Robrecht, de kasteelheer, uit het kasteel om mit de vrouwen te bidden. Dan bad ze veur de zieken en ongelukkigen, voor haar ouders, maar vooral voor Godevaert, de jonker van het Braambosch, die ze beminde me al de liefde van heur jonge meiskeshart. Ze vereerde hem me al de hoogachting welke men een edelman kan toedragen. Maar ook leed ze met de kracht welke slechts de liefde kan schenken. Want die liefde was een ware lijdensweg voor Eleonora, want tussen de heren van Braambosch en van Blaarthem bestond een jarenlange vete en meer dan eens was het reeds tot bloedige botsingen gekomen tussen de soldaten van heer Robrecht van het kasteel en de heer Herman van de Braambosch.
Op ‘ne schone zomerdag was Eleonora alleen gaon wandelen in de uitgestrekte bossen in de omgeving van het kasteel. Peinzend en vol bewondering voor de schoonheid van de natuur dwaalde de jonkvrouw al verder en verder weg. Plotseling krakten de takjes die op het bospad verspreid lagen en even later stond een jeugdige ridder voor haar. De goudblanke lokken omlijstten in weelderige pracht het voorhoofd en uit zijn ogen sprak fiere moed en openhartigheid. Beiden stonden enige ogenblikken sprakeloos. Maar me welgevallen liet Godevaert, want hij waar het, de jongen van ’t Braambosch, zijn blikken rusten op de slanke meisjesgestalte. Ze beminden elkaar zeer, ook al wist Eleonora dat Godevaert de zoon was van heer Herman, de vijand van haar vader. Maar deze beide jeugdigen konden geen haat en voelden zich gelukkig, onbewust van de strijd en de smart welke voor hen aanstaande waren. Want hoor wat er verder gebeurde.
Een slotknecht van het Blaarthems kasteel ontdekte het geheim van Eleonora en Godevaert en vertelde dit aan Eleonora’s vader. Een verschrikkelijke woede maakte zich van de vader meester en z’n toorn richtte zich naar z’n dochter Eleonora. En vanaf dieë dag kon Eleonora nog slechts zelden onbespied het kasteel verlaten om troost te zoeken aan het hart van die jeugdige ridder Godevaert. Doch kijk, daar breekt een oorlog uit en Godevaert, de ridder, die moet mee het zwaard aangorden ter verdediging van z’n geboortegrond. Zwaar was de scheiding de beproefde Eleonora gevallen en meerdere keren bette ze in de nacht haar kussen me tranen, beangst als ze was over het lot van d’r geliefde. Maar helaas, de lijdenskelk was nog nie geledigd. Want heer Robrecht was in de veronderstelling dat Eleonora’s liefde voor Godevaert wel bekoeld zou zijn en wilde haar uithuwelijken aan ‘ne jonker uit Zeelst met wie-ie bevriend was. Doch sterk en vastberaden was Eleonora in d’r liefde. Ze wilde van geen andere verbintenis weten dan alleen met Godevaert. Heer Robrecht echter, de woeste krijgsman, begreep de grootheid van zijn dochter nie en deed d’r opsluiten in het klooster op een steenworp afstand van het kasteel.
Het was een kouwe winternacht. Op de tinnen van het kasteel had de wachter juist het middernachtelijk uur geblazen en in het kasteel en in het klooster waren de lichten gedoofd. Slechts in het kleine kamertje waor de jonkvrouw zat als gevangene van heur eigen vader schemert een flauwe schijn. Alles rust, alles slaapt…nee, toch niet, want over de bevroren kloostergracht sluipt een gedaante met woest verwrongen gelaatstrekken terug naor ‘t kasteel. En daar klinkt in de verte hoefgetrap. Het komt nader en nader en op een snuivend krijgsros nadert een ridder. Het is Godevaert die, op de hoogte gebracht van Eleonora’s toestand, gekomen is om haar te verlossen. Reeds staat het ij…staat hij op het ijs van de gracht. Reeds is het afgesproken teken gegeven. Reeds heeft Eleonora zich aan het koord, dat ridder Godevaert haar heeft toegeworpen, neergelaten. Nog enkele ogenblikken en de gelieven zullen verenigd zijn. Maar wat gebeurt ’r? Daar scheurt met donderend geraas het ijs vaneen. Gesmoorde gillen klinken en even later sluit het water zich over de beide geliefden. En terwijl de lijk-uil akelig krast verlaat heer Robrecht met een grimmige vloek de plaats waar vanuit-ie zijn dubbele moord aanschouwde. Want hij was het, die op de hoogte gebracht van de plannen der geliefden, de scheur in het ijs geslagen had.
D’n anderen morgen werden de lijken der beide ongelukkigen opgehaald. Eleonora wier begraven in de kloostertuin en Godevaert aan de andere zijde van de muur, op het buitenhof. Maar, o wonder, op Godevaerts graf groeide ‘ne treurwilg. De boom boog zijn takken over de kloostermuur en strooide zijn bloesems op Eleonora’s rustplaats. En iedere morgen deed heer Robrecht de boom met wortel en al uitrukken, maar iedere nacht weer schoot-ie opnieuw uit en dekte beide graven met zijn bladeren en bloemen.
Dou, de dag van de vergelding die bleef niet lang uit. De vijand overviel het land, de burcht van heer Robrecht werd verwoest en het klooster verbrand. Slechts de graven van Eleonora en Godevaert bleven bespaard. En als in het voorjaar de treurwilg weer uitbot en opnieuw ‘ne mantel van gouden bloesem uitspreidt over de vergeten graven, dan komen in de stille lentenacht de vrome nonnen van voorheen en zingen de ridder en de jonkvrouw hun lijkzang. Maar ook de misdadiger keert regelmatig als ‘ne doolridder terug in de nacht naar de plek waar hij eens zo zwaar misdreef.
Onderwerp
SINSAG 0310 - Andere Erscheinungen von Weissen Frauen
  
SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.   
ATU 0970 - The Twining Branches.   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
het Dooie brugske of Dooienbrugske   
de Gender   
heer Robrecht   
jonkvrouw Eleonora   
heer Herman   
ridder Godevaert   
het Blaarthems kasteel   
Naam Locatie in Tekst
Zeelst   
De Kempen   
het Blaarthems kasteel   
Braambosch   
de Gender   
Plaats van Handelen
Zeelst   
kasteel Blaarthem   

