Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VODA_025_07

Een sage (mondeling), oktober 1977

Hoofdtekst

En daar in Lommel stond vroeger een rode boerderij. Hoewel de boer veel vee had, en grote stukken land, had die toch maar één knecht in dienst. Toch kon de boer al het vele werk met die ene knecht aan. Sterker nog, het gewas op zijn land was het beste van zijn hele omtrek, en zijn vee het vetste en het sterkste. Hoe hij dit klaarspeelde was voor iedereen een raadsel. Bovendien was zijn knecht, die Driek heette, nog mank ook. En toch was hij het, die dit allemaal in zijn eentje klaarspeelde. Hoe was zelfs de boer een raadsel. Maar Manke Driek wist het wel, maar doch die hield het geheim zorgvuldig voor zich. Wat was dan het geheim? Wel, manke Driek was zeer bevriend met de kaboutertkes, die in het nabijgelegen Molenberg woonde en in de nacht eropuit trokken om al het werk klaar te maken – het werk dat Driek overdag niet klaar had kunnen krijgen. Als de boer en zijn knecht het werk overdag niet af hadden kunnen maken, zei Driek tegen zijn baas: ‘boer, laat het verder maar liggen, het komt wel in orde.’ En altijd kwam het in orde, dankzij zoals gezegd, de kaboutermannekes, die van Driek als loon iedere avond een flink stuk vlees kregen. Driek deed dat vlees in een ijzer keteltje en zette dit in de paardenstal waar de kaboutermannekes makkelijk in en uit konden door het gootgat. De kaboutermannekes bewerkten het land met een speciaal soort mest. Vandaar, dat de oogst altijd zo rijkelijk was. En als ze de paardenstal ingingen, brachten ze speciale haver mee voor de paarden. Die haver was zo krachtig, dat de paarden van de boer steeds tot de beste van heel de omtrek hoorde.
Nou had de boer een zoon, die niet recht van aard was. Die zoon geloofde nergens in en deed aan God nog gebod. Toen de boer op hoge leeftijd kwam te sterven deed die de boerderij aan die zoon over. Op zekere dag zei de boerenzoon tegen Driek: ‘nou wil ik wel eens weten, hoe jij dat altijd klaargespeeld hebt.’ Toen Driek dit niet wilde vertellen, dreigde de jonge boer hem te ontslaan. Ja, toen moest Driek het wel zeggen. De jonge boer lachte Driek uit en zei dat die al dat bijgeloof maar eens afgelopen moest zijn. En de daad bij het woord voerend, zette hij nog diezelfde avond in plaats van een keteltje met vlees, een keteltje met een stuk gebraden schoenleer voor het gootgat in de paardenstal. Toen de kaboutermannekes die avond kwamen om aan het werk te gaan, wilden ze eerst eten en schaarden zich rond het keteltje. En Driek, die de slaap maar niet kon vatten, hoorde op zeker moment een van de kaboutertjes zeggen: ‘nou nou, zo’n taai stuk vlees hebben we nog nooit gegeten.’ Den volgenden dag zagen de boer en zijn knecht dat er die nacht niet veel werk gedaan was. Driek vertelde nu aan de boer wat die gehoord had. ‘Dat klopt’, zei de jonge boer lachend, ‘want in plaats van vlees heb ik een stuk gebakken schoenleer in het keteltje gedaan.’ Driek verweet zijn jonge baas zijn onvriendelijkheid en zei: ‘baas, daar krijgt jij nog eens spijt van.’ ‘Wat spijt’ gramde de baas boos. ‘Dat nooit. Ik metsel gewoon het gootgat dicht. Dan kunnen ze er niet meer in.’ En de baas deed alzo. Zo konden de kaboutermannekes niet meer in de paardenstal geraken, en konden ze ook de paarden niet meer voeren met hun wonderlijke haver. Ze vermagerden aanzienlijk. En wat nog erger was: de boer kon niets meer op het land met de paarden aanvangen. Ze luisterden niet eens meer naar hem. Dat was de wraak van de kabouterkes. Want iedere dag als de boer op het land ging werken en de paarden voor de ploeg spande, kroop een kaboutermanneke in het oor van zo’n paard. En als de boer zei ‘halt’, dan fluisterde het kabouterke in het paard z’n oor: ‘vooruit’. En als de boer zei ‘vooruit’, dan fluisterde het kabouterke in het paard z’n oor: ‘stop’. Soms hoorde de paarden zeggen de boer zeggen ‘stop’, en het kaboutertje ‘vooruit’. En dan wist zo’n beest helemaal niet meer wat te doen, en bleef dan maar stilstaan. Het eens zo machtige geboerengedoente ging steeds verder achteruit. Het ging helemaal niet meer. Velden, weiden, stallen en de boerderij zelf raakten zodanig in verval, dat de boer tenslotte genoodzaakt was om Driek te ontslaan.
Wat er van Driek geworden is, is niet bekend. Van de jonge boer, weet men nog te vertellen dat hij op een dag voor zijn schuldeisers gevlucht is ergens in Duitsland. Van de boerderij is niks meer overgebleven. Zo namen de kaboutermannekes wraak. Want ze zijn wel goed, en altijd bereid om te helpen, maar ze laten niet met zich sollen.

Onderwerp

SINSAG 0063 - Die hilfsbereiten Zwerge arbeiten in der Nacht für die Menschen für Nahrungsmittel (Tabak, Geld)    SINSAG 0063 - Die hilfsbereiten Zwerge arbeiten in der Nacht für die Menschen für Nahrungsmittel (Tabak, Geld)   

Beschrijving

Een boer en zijn manke knecht Driek kunnen samen al het werk op een grote boerderij aan. Het blijkt dat Driek elke avond een ketel vlees geeft aan de kabouters, waarna die 's nachts het boerderijwerk doen. Nadat de boer is overleden, geeft zijn zoon in plaats van vlees een gebakken schoen aan de kabouters. Deze nemen wraak door de paarden bevelen in hun oor te fluisteren waardoor deze niet meer kunnen ploegen. De boerderij raakt in verval. Driek wordt ontslagen en de jonge boer vlucht voor schuldeisers naar Duitsland.

Bron

Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)

Naam Overig in Tekst

Driek    Driek   

Naam Locatie in Tekst

Lommel    Lommel   

Duitsland    Duitsland   

Molenberg    Molenberg   

Plaats van Handelen

Lommel    Lommel