Hoofdtekst
Hannah was een pront en pittig ding, dat op weg ging naar familie van de Hof-bewoners om daar bij de slacht te helpen. Ze liep om de schuur heen en stapte in de richting van de Blankenberg, daar waar later de zandafgraving was en nog heel veel later de barakken zouden staan van de Nederlandse militairen die het Maas-Waalkanaal moesten verdedigen. Bovenop de heuvel stonden hoge dennenbomen; de wind ruiste zacht door de toppen. Op de grond lagen dennenappels die in het rulle zand verdwenen als je erop trapte.
De grote hofhond dartelde uitgelaten rond het meisje, blij dat hij weer eens van de ketting was bevrijd. Op de heuvel gekomen sloeg Hannah het bospad in dat naar rechts boog in de richting van de Looistraat. Met haar stok drukte ze de droge varens en de takken opzij die over het pad hingen. Ze stak de Looistraat over en nam het pad naar het Zwanenbroek. Terwijl Hannah daar liep, gingen haar gedachten naar haar moeder, die enkele maanden daarvoor gestorven was. Hannah had haar dag en nacht verzorgd in de laatste dagen van haar ziek zijn.
Ze overwoog bij zichzelf dat ze nog nooit zo innig met haar moeder verbonden was geweest als op die momenten. Ze dacht aan het moment waarop de kist zachtjes werd neergelaten in het graf op het kerkhof. Ze had toen gemompeld: ‘Moeke, wat blijf je toch alleen…’ Bij de uitgang van het kerkhof had ze zacht gezegd toen ze door de ijzeren poort stapte: ‘Wat ben ik toch alleen…’. Daar had de boerin van de Hof haar arm genomen en eenvoudig gezegd: ‘Jij komt bij ons wonen’. Het waren gedachten die allemaal in Hannah op kwamen, toen ze door het bos liep. De bomen en het kreupelhout kraakten, zo nu en dan sprong er een dier over het pad.
Het Zwanenbroek met zijn weilanden lag links van haar. Het land, door een lichte laaghangende nevel bedekt, was in het voorjaar altijd het broedgebied van kievieten. Later zouden de boswachters er eieren rapen voor Heer Luden van Heumen. Hannah sloeg aan het einde van de weg rechtsaf en bereikte de brug over de Leigraaf, waar vroeger de burcht had gestaan: een beschermde plaats die de mensen bescherming moest bieden in woelige tijden. Ze was nu in de Kemp, een laaggelegen strook grond waar vroeger een zijtak van de Maas gestroomd had. In het moerassige gebied groeiden biezen, hard gras, riet, wilgen en berken struiken. De mensen uit de omgeving maaiden alles wat bruikbaar was, als strooisel voor de potstallen. Meteen na de brug liep langs de Leigraaf een smal pad richting Oude Boterdijk, waar de boerderij stond waar Hannah die avond met de slacht zou helpen. Aan het eind van de Kemp lag een vlondertje waar ze overheen moest om in de weilanden te komen. Langs de Leigraaf stonden knotwilgen waarin nachtuilen huisden die ’s nachts hun zwaarmoedige roep lieten horen. De knoestige misvormingen van de bomen staken boven de nevel uit alsof ze de naderende winter wilden tegenhouden.
Plotseling zag Hannah een witte schim die geluidloos naar haar toe zweefde. De hond bleef stokstijf staan, zijn nekharen gingen overeind en hij gromde zacht. Hannah voelde het hart in haar keel kloppen en pakte haar stok steviger in haar hand. Toen bedacht ze dat er op een van de boerderijen in de buurt een grote St. Bernardshond huisde. Hij zou het wel zijn en ze haalde opgelucht adem. Toch versnelde ze haar pas, want haar eigen hofhond bleef zacht brommen. Toen stond ze ineens bij het hek van het erf. Intussen volgden haar ogen het witte ding, dat al die tijd in een kring om haar heen had gezweefd: nu eens dichtbij, dan weer verder weg. Net toen ze het hek geopend had, gleed het witte voorwerp zacht naar haar toe. Hannah hief de stok op en sloeg. Er bleef een wit kleed aan hangen. Ze herkend het als het doodskleed van haar moeder, maar het zat vol zwarte vlekken en strepen. Onwillekeurig probeerde Hannah het af te vegen, maar het vuil leek wel ingebrand. Toen ze het kleed dichterbij haar ogen bracht om het beter te bekijken, waren haar handen ineens leeg.
Hannah besloot niets van haar ervaringen te vertellen. Maar toen ze eenmaal binnen was, kon ze toch niet zwijgen: als een stortvloed kwamen de woorden uit haar mond. Enkele aanwezigen grinnikten verstolen; anderen daarentegen keken peinzend voor zich uit. Hannah was blij dat de boer later op de avond een van zijn zoons opdracht gaf haar naar huis te brengen. Terwijl ze in de gang haar jas aantrok, kwam de vrouw naar haar toe en adviseerde haar dringend om het hele verhaal aan de pastoor te vertellen.
De priester luisterde zwijgend en ernstig en sprak toen vriendelijk met Hannah. ‘Misschien heeft je moeder nog niet de vrede en de rust gevonden die ze verwacht had. Bid voor haar en denk dikwijls aan haar. Mensen, levend of gestorven, hebben elkaar nodig’, zo zei hij. Hannah volgde de raad en voelde zich daarna veel rustiger en kalmer
Enkele maanden later ging ze in de avond weer dezelfde weg: door het bos, voorbij het Zwanenbroek, langs de burcht en door de Kemp. Juist toen ze de vlonder overstapte naar het weiland, zag ze weer de witte schim. Hoewel de hofhond gromde, voelde het meisje deze keer geen angst; ze bleef staan en wachtte op de dingen die zouden gaan gebeuren. Het wit zweefde direct op haar af. Hannah greep toe: het was het doodskleed. In één oogopslag zag ze dat de zwarte vlekken verdwenen waren en dat het kleed schitterend helder was. Even plotseling als de vorige keer glipte het weer uit haar hand. De gedachten van het meisje gleden terug naar die tocht in het najaar. Ze begreep nu dat een mens nooit alleen is, nooit. Het is de liefde die de mensen verbindt. Altijd, in leven en dood.
Onderwerp
SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Goosens   
De Heumense Hof   
Blankenberg   
Hannah   
Maas-Waalkanaal   
Nederlands   
Looistraat   
Zwanenbroek   
Heer Luden van Heumen   
Leigraaf   
Kemp   
Oude Boterdijk   
Maas   
St. Bernardshond   
Plaats van Handelen
Heumen   
