Hoofdtekst
Toen ik nog melkknecht was bij Jan de Geus mos ik mit z’n zoon koeie gaan melleke in de Kilpolder. Op een morrege ware d’r acht van de nege koeie al leeggemolleke, alleen de negende had nog melk, die was altijd erg moeilijk te vange. Mense van de Mookhoek zeie toen tege ons: Kaarnt die melk maar en dan mot je d’r een heet voetijzer ingooie, dan zel-ie wel ’s zien, wie of-t-er een verbrande kop heit. Nou, Jan de Geus wou d’r niet van hore, maar wij zeie, dat we-n-et gedaan hadde en toen de vrouw van Albert van Prooien mit een verband om d’r hôofd liep omdat ze d’r eige had gestote an ’t kippehok, zeie de mense, dat zij ’t gedaan had. Later is oitgekomme, dat een vent in de buurt de koeie gewoon in de wei gemolleke had, behalve die ene, die was ommers zo moeilijk te krijge.
Onderwerp
SINSAG 0640 - Hexentier verwundet: Frau zeigt am folgenden Tag Malzeichen.
  
Beschrijving
Bepaalde koe wordt altijd als laatste gemolken, want laat zich moeilijk vangen. Mensen raden aan een gloeiend hoefijzer in de melk te werpen, om te zien wie een verbrand hoofd heeft. Als dat wordt gedaan, en een vrouw de volgende dag een verband om haar hoofd heeft, wordt gezegd dat zij die koe is. Later blijkt dat een man de koeien heeft gemolken, behalve de ene die zich moeilijk laat vangen.
Bron
Collectie Verhoeff, verslag 8, verhaal 8 (Archief Meertens Instituut)
Naam Overig in Tekst
Jan de Geus   
Kilpolder   
Albert van Prooien   
Naam Locatie in Tekst
Mookhoek   
Plaats van Handelen
's-Gravendeel
