Hoofdtekst
De Gouden Bal
Er stond eertijds in Zwaben, een vorstendom van Duitschland, een groot en prachtig kasteel [met] aan de vier kanten hooge torens. Dit slot stond temidden van uitgestrekte parken, landerijen en bosschen en [was] omgeven door een diepe gracht. Het werd bewoond door den vorst van Zwaben, zijn jonge schoone echtgenoote en hunne twee lieve kinderen. De jongste prins, Eduard geheete[n], was een aardigen, zesjarigen, zwarten krullebol, en de jonge prinses, Ada genaamd, een aanvallig zevenjarig meisje met blonde lokken en vriendelijke blauwe oogen.
Het was een mooien zomerdag; de kinderen maakten een wandeling door 't park met hunne gouvernante. De kleine Eduard plukte bloempjes en was daardoor een eindje vooruitgeloopen. Daar zag hij een veelkleurigen vlinder op een bloem zitten, toch eer hij hem pakken kon, vloog de vlinder al verder het bosch in en Eduard hem achterna. De gouvernante en Ada, die zagen dat de knaap te ver vooruitliep, riepen hem terug daar hij toch nooit den vlinder zou kunnen vangen. Maar Eduard hoorde niet en volgde den vlinder zelfs in 't bosch toe. Toen de gouvernante en Ada in 't bosch kwamen, zagen zij Eduard niet meer, zelfs hun roepen bleef onbeantwoord. Nu verkeerden zij in grooten angst en O schrik!... Daar zagen zij op den vijver in 't bosch het hoedje van 't prinsje drijven. Ongetwijfeld was deze erin verdronken.
Onmiddellijk snelden zij naar huis om 't treurige bericht den ouders mede te deelen. Dadelijk werd er gedregd in den vijver, toch men vond van 't lijkje geen spoor. De ouders waren radeloos van droefheid. Zij bewaarden Eduards hoedje tot aandenken en er werd vier maanden rouw gedragen. Na vier en een halve maand was 't de achtste geboortedag van 't prinsesje Ada; deze kreeg van haar dierbare ouders een grooten gouden bal ten geschenke. Zij kreeg verlof met den bal in 't park te spelen, maar mogt niet te veraf gaan. Ada amuseerde zich goed ermede en gooide hem op eens een eind ver. Zij wilde hem gaan halen, toch erbij komende bleef hij maar steeds aan't voortrollen. Ada, aan geen waarschuwing meer denken[de], liep den bal steeds achterna tot in 't bosch; hier raakte ze hem uit het oog. Daar zag ze een leelijke vrouw; zij vroeg aan deze of zij den gouden bal gezien had.
"Jawel," antwoordde de vrouw, "ga met mij mede, dan zal ik hem U wijzen."
Doch nauwelijks kwamen ze buiten het gebied van 't kasteel of ze wierp de verschrikte Ada op een gereedstaande kar, bond haar erin vast en reed met haar in een draf heel ver weg tot aan het huis van 't wijf. Hier bracht ze Ada, die wanhopig om hulp riep en bitter weende. In haar woonkamer maakte ze de koorden los waarmeê zij gebonden was, gaf haar eenige spijs en drank en liet haar een poosje aan haar lot over. Toen de vrouw weer binnenkwam vroeg zij aan 't meisje hoe zij heette en hoe oud ze was.
Deze antwoordde al wenende: "Ik heet Ada en ben pas acht jaar oud geworden."
Het wijf zeide toen: "Ada, gij moet nu altijd bij mij blijven en als gij goed gehoorzaam en vlijtig wilt zijn, dan zult gij het hier goed hebben."
Dit zeggende bracht zij het meisje in een groote zaal; hier hingen 30 kooien met even zooveel vogels erin, van allerlei soorten van zangvogels.
De vrouw zeidde nu: "Ada, dit is nu je taak hier voor elken dag: 's morgens, 's middags en 's avonds moet gij al deze vogels voederen en te drinken geven en op tijd ook de kooien reinigen, maar pas op, dat gij ook maar één enkel woord tegen hen durft te spreken, dan zal ik U streng laten straffen."
Ada beloofde goed haar best te zullen doen. Die vrouw wees haar den eersten tijd hoe zij 't doen moest. Daar Ada een vlug meisje was, gewende zij zich spoedig aan 't werken en had de vrouw niet nodig haar meer te helpen. Doch deze bespiedde Ada steeds als zij de vogels voerde. Ada werd zeer benieuwd om te weten waarom zij niet met de vogels mocht spreken.
Na een week moest de vrouw op reis voor levensmiddelen te koopen. Nadat ze Ada haar taak van werken had opgegeven en de deur goed op slot had gedaan, ging ze weg. Ada maakte van den gelegenheid gebruik om naar de vogels te gaan en ermede te praten. Toen zij binnentrad hief juist een nachtegaal een heerlijk maar treurig gezang aan.
Ada ging er naar toe en sprak, nadat de vogel zijn lied uitgezongen had: "De leelijke vrouw is op reis en kan ons dus niet hooren; vertel mij, nachtegaal, waarom gij zoo treurig zingt?"
De vogel antwoordde: "Ada, gij zult verwonderd zijn en niet kunnen gelooven dat ik uw verloren broeder Eduard ben."
Ada was blijde haar broertje weêrgevonden te hebben, maar in welke gedaante!
"Arme broeder", zeide zij, "vertel mij hoe gij in zoo'n vogel zijt veranderd en is er dan geen middel om u weer in mensch te doen worden?"
De nachtegaal begon: "Lieve zuster, gij weet nog hoe ik den vlinder achterna liep en ongehoorzaam zijnde het bosch inging. De vlinder zag ik niet meer maar wel een vrouw, dezelfde van dit huis. Zij vroeg mij om mede te gaan en beloofde mij veel speelgoed en lekkers en gaf mij om het te toonen, al reeds een zakje vol suikergoed, en ik liet mij daardoor verleiden en volgde de vrouw. Doch nauwelijks buiten het bosch gekomen of ze wierp mij stevig vastgebonden op een gereedstaande wagen en reed zoo, hier naar toe, of ik al schreide en om hulp riep, niets hielp. Ik moest bij haar blijven. Ook had zij met opzet mijn hoedje in den vijver van het bosch gegooid opdat gij allen zoudt meenen, dat ik verdronken was. Ik kreeg voor taak, om rede ik nog te jong was, op om dagelijks in 't bosch hout te rapen, om het vuur in den haard tot brandstof te dienen. Mij ook verbood ze tegen de vogels te spreken, maar ik dacht meer na, hoe ik zou kunnen wegloopen. De vrouw bespiedde mij ook eveneens als ik hout raapte. Doch op een keer kroop ik stilletjes onder het struikgewas door, om zoo verder, als zij mij niet meer kon zien, op te staan en weg te loopen. Maar jawel! Het wijf had mij zonder, dat ik het gemerkt had, achtervolgd en riep mij opeens bij mijn naam. Zij was woedend op mij, gaf mij een flink pak slaag en daar ze meende dat dat alleen niet helpen zou, veranderde de wreede vrouw mij in een nachtegaal. Ik gevoelde toen duidelijk hoe mijn hoofd kleiner en spitser werd, mijn armen in twee vleugels samenkrompen en mijn beenen verhardden tot twee pooten. Zij pakte mij nu op en zette mij eveneens in een leege kooi tusschen de andere vogels in. O, hoe treurig was ik. Gij moet weten, Ada, dat ik later vernam dat al deze vogels gewezen princessen en prinsen zijn van onze leeftijd. Zij had ons verboden te spreken, doch 's nachts als het wijf sliep, praatten wij toch met elkander en vertelden elkander onze lotgevallen. Van een roodborstje vernamen wij het middel voor onze redding; deze had het in 't geheim vernomen. Doch het alvorens mede te delen wil ik toch eerst gaarne weten, lieve Ada, hoe gij hierheen zijt gedwaald!"
Ada had alles met medelijden aangehoord en verhaalde aan haar broeder de groote droefenis der ouders en haar ontvoering: "En nu, lieve Eduard, ik brand van verlangen het middel te weten tot uw aller redding."
De nachtegaal antwoordde: "Het wijf zelve wil ons nooit meer redden, en weet, zooals ik u verhaalde, niets ervan, dat wij, indien zij ons niet meer veranderen wil, achter een ander geheim gekomen zijn, namentlijk: een uur hier vandaan staat, wanneer gij de groote weg gevolgd zijt door het bosch, aan uw rechterkant een dwergenhuis (gij moet weten, dat deze dwergen de vijanden zijn van de tooverheks). Langs het dwergenhuis voert een weg eveneens door 't bosch op een kwartier afstands, naar een grooten vijver. Aan dezen vijver groeit een wonderbare, witte bloem. Deze moet men zien machtig te worden, dat zeer moeielijk en met gevaren gepaard gaat, omrede een grooten draak met zeven koppen erbij wacht houdt. Kan men het beest onschadelijk maken, dan plukt men den bloem en door de aanraking met de wonderbare bloem kunnen wij allen weer menschen worden."
Ada, [na] alles met belangstelling aangehoord te hebben, zeide toen: "Lieve Eduard, ik zal beproeven die witte bloem machtig te worden, hoe moeielijk het ook gaan zal. Als gij mij dus een dag niet zult zien, dan behoeft gij u niet ongerust te maken. Pas maar op dat het wijf niets van ons gesprek verneemt. En nu vaarwel, tot een anderen keer, en hou goeden moed!"
Een paar dagen erna op een avond nam Ada het besluit haar plan ten uitvoer te brengen. Dien dag was de tooverheks erg vermoeid van 't werken, en begaf zij zich evenals Ada vroeg te ruste. Deze laatste, wachtende tot de heks goed sliep, trad op haar teenen in de kamer van het wijf, nam er den sleutel van de voordeur en sloop stilletjes het huis uit. De maan scheen helder en zij kon zoo gemakkelijk den aangeduide weg vinden. Bij den wegwijzer gekomen zijnde sloeg zij rechts af naar 't dwergenhuis. Vóór het huis stond een levensgroot steenen beeld, de boschgod voorstellende. Ada verschrikte ervoor, daar het haar voor kwam [dat] het beeld dreigend naar haar keek. Zij klopte aan 't huis aan. Een dwerg kwam opendoen en vroeg wat zij wilde. Zij verhaalde daarop haar wedervaren met de tooverheks en vroeg om hulp bij het uitvoerbrengen van haar plan.
De dwerg antwoordde vriendelijk: "Ik ben het opperhoofd van al de goede dwergen hier. Wij allen zijn vijanden van de tooverheks en ook van alle booze menschen, doch de brave menschen trachten wij steeds met onze raad en daad in alles bij te staan. Maar komt naar binnen en gebruikt wat, daarna zal ik u een slaapkamertje aanwijzen, want het is al zeer laat en gij zult wel vermoeid zijn."
Ada nam het met vreugde aan, gebruikte wat spijs en drank en ging te ruste. Den anderen morgen stond zij versterkt op, en in de eetkamer komende stond het ontbijt al gereed op tafel voor haar. Toen het afgeloopen was, begaf zij zich wat naar buiten. Hier kwam het opperhoofd der dwergen weer bij haar en was blijde te hooren, dat zij zoo goed geslapen had. Daarop vertelde de dwerg van het steenen beeld, dat dit hun steeds van groote dienst was daar het altijd waarschuwde als hun gevaar bedreigde. Juist had hij dit gezegd of beiden zagen op naar 't beeld, dat plotseling grooter en grooter werd. Het lichaam veranderde in een reusachtigen berg, de mond en oogen werden diepe holen, de neus werd een kleinere berg en de haren van 't beeld werd[en] een groot bosch. De dwerg nam de verwonderde Ada bij de hand en [ze] bestegen de twee bergen tot in 't groote bosch boven. Hier bemerkten ze in de verte het huis van de tooverheks. Deze zelfs kwam juist eruit en zooals zij zagen zocht zij Ada. Ze liep driftig voort en riep uit: "Dat ondankbare meisje, ik zal haar opzoeken en als ik Ada vind, zal ik haar eveneens in een vogel veranderen."
Ada verschrok hevig en wilde wegloopen, doch de dwerg stelde haar gerust zeggende: "De heks kan ons volstrekt niet zien, daar het beeld ons onttrekt aan haar blikken. Wij zullen nu den berg afgaan, ik zal mijn dwergen verzamelen en we zullen zoo stilletjes de tooverheks tegemoet gaan en gevangen nemen."
Den berg afzijnde, hernam het beeld weer zijn vorige gedaante. De dwergen maakten zich voor den strijd gereed. Ada moest met eenige jongere dwergen in huis de uitkomst afwachten. Na eenige uren kwamen zij zegevierend met het gevangen wijf binnen. Deze was buiten zich zelve van woede toen zij Ada bemerkte en wilde zich losrukken doch kon niet. Intusschen maakten de dwergen de brandstapel gereed, bonden vervolgens de tooverheks erop, die toen onder groot gejuich levendig verbrand werd.
Toen dit afgeloopen was gingen allen strijdvaardig naar den vijver om den draak te dooden. Ada volgde hen op afstand. Het gedrocht was woedend toen de dwergen met de pijlen op hem afschoten en opende de zeven bekken om hen allen te verslinden. Doch daar trof een grooten pijl hem midden in 't hart, hij sprong op van pijn en viel stuiptrekkend neer. Nu sprong het opperhoofd op den draak toe en hakte hem de zeven koppen af en Ada plukte nu de wonderbare witte bloem. Ada bedankte de dwergen hartelijk voor de groote diensten aan haar bewezen en beloofde hen vorstelijk te beloonen, als zij bij haar ouders zou zijn weergekeerd. Doch van belooning wilden de goede dwergen niets hooren en zeide[n] dat ze volstrekt geen gebrek aan iets hadden en alleen op de wereld waren om boozen te straffen en brave menschen te beschermen en te helpen.
Ada nam recht hartelijk afscheid van hen en na nogmaals voor al 't goede bedankt te hebben, keerde zij weerom naar het huis van de heks. Dadelijk ging zij naar de vogels, veranderde alle 30 weer door aanraking met de wonderbare witte bloem in menschen. Nu vertelde Ada aan de dankbare, blijde prinsjes en princesjes het gebeurde met de dwergen. Daarna gingen allen in triomf naar 't slot van Eduards en Ada's ouders. De lang treurende ouders snelden op het hooren van het blijde nieuws na[ar] hen toe, omhelsden hartstochtelijk hun dierbare kinderen, waarna Ada hen alles moest verhalen, van af hun ontvoering te beginnen tot nu toe, en toonde bij 't einde ervan de wonderbare bloem. Deze werd daarop in een glazen kast tot aandenken aan hun redding bewaard. Ook de gouden bal welke na Ada's verdwijning in 't bosch gevonden was, en door welks oorzaak de kinderen zijn wedergekomen, werd tot versiering in den troonzaal voor altijd gebruikt. Nu werd er bericht verzonden naar de vorstelijke ouders der overige 29 prinsjes en princesjes. Deze kwamen terstond over, vol blijdschap hun kinderen weergevonden te hebben. Er werd nu op 't kasteel, onder algemeene vreugde een groot en luisterrijk feest gevierd waarna een groot kinderbal plaats had. Toen het feest was afgeloopen, keerden de ouders vol vreugde met hunne lieve kinderen huiswaarts. Sedert leefden allen gerust na den dood van de tooverheks, en onder voortdurende bescherming der goede dwergen.
Er stond eertijds in Zwaben, een vorstendom van Duitschland, een groot en prachtig kasteel [met] aan de vier kanten hooge torens. Dit slot stond temidden van uitgestrekte parken, landerijen en bosschen en [was] omgeven door een diepe gracht. Het werd bewoond door den vorst van Zwaben, zijn jonge schoone echtgenoote en hunne twee lieve kinderen. De jongste prins, Eduard geheete[n], was een aardigen, zesjarigen, zwarten krullebol, en de jonge prinses, Ada genaamd, een aanvallig zevenjarig meisje met blonde lokken en vriendelijke blauwe oogen.
Het was een mooien zomerdag; de kinderen maakten een wandeling door 't park met hunne gouvernante. De kleine Eduard plukte bloempjes en was daardoor een eindje vooruitgeloopen. Daar zag hij een veelkleurigen vlinder op een bloem zitten, toch eer hij hem pakken kon, vloog de vlinder al verder het bosch in en Eduard hem achterna. De gouvernante en Ada, die zagen dat de knaap te ver vooruitliep, riepen hem terug daar hij toch nooit den vlinder zou kunnen vangen. Maar Eduard hoorde niet en volgde den vlinder zelfs in 't bosch toe. Toen de gouvernante en Ada in 't bosch kwamen, zagen zij Eduard niet meer, zelfs hun roepen bleef onbeantwoord. Nu verkeerden zij in grooten angst en O schrik!... Daar zagen zij op den vijver in 't bosch het hoedje van 't prinsje drijven. Ongetwijfeld was deze erin verdronken.
Onmiddellijk snelden zij naar huis om 't treurige bericht den ouders mede te deelen. Dadelijk werd er gedregd in den vijver, toch men vond van 't lijkje geen spoor. De ouders waren radeloos van droefheid. Zij bewaarden Eduards hoedje tot aandenken en er werd vier maanden rouw gedragen. Na vier en een halve maand was 't de achtste geboortedag van 't prinsesje Ada; deze kreeg van haar dierbare ouders een grooten gouden bal ten geschenke. Zij kreeg verlof met den bal in 't park te spelen, maar mogt niet te veraf gaan. Ada amuseerde zich goed ermede en gooide hem op eens een eind ver. Zij wilde hem gaan halen, toch erbij komende bleef hij maar steeds aan't voortrollen. Ada, aan geen waarschuwing meer denken[de], liep den bal steeds achterna tot in 't bosch; hier raakte ze hem uit het oog. Daar zag ze een leelijke vrouw; zij vroeg aan deze of zij den gouden bal gezien had.
"Jawel," antwoordde de vrouw, "ga met mij mede, dan zal ik hem U wijzen."
Doch nauwelijks kwamen ze buiten het gebied van 't kasteel of ze wierp de verschrikte Ada op een gereedstaande kar, bond haar erin vast en reed met haar in een draf heel ver weg tot aan het huis van 't wijf. Hier bracht ze Ada, die wanhopig om hulp riep en bitter weende. In haar woonkamer maakte ze de koorden los waarmeê zij gebonden was, gaf haar eenige spijs en drank en liet haar een poosje aan haar lot over. Toen de vrouw weer binnenkwam vroeg zij aan 't meisje hoe zij heette en hoe oud ze was.
Deze antwoordde al wenende: "Ik heet Ada en ben pas acht jaar oud geworden."
Het wijf zeide toen: "Ada, gij moet nu altijd bij mij blijven en als gij goed gehoorzaam en vlijtig wilt zijn, dan zult gij het hier goed hebben."
Dit zeggende bracht zij het meisje in een groote zaal; hier hingen 30 kooien met even zooveel vogels erin, van allerlei soorten van zangvogels.
De vrouw zeidde nu: "Ada, dit is nu je taak hier voor elken dag: 's morgens, 's middags en 's avonds moet gij al deze vogels voederen en te drinken geven en op tijd ook de kooien reinigen, maar pas op, dat gij ook maar één enkel woord tegen hen durft te spreken, dan zal ik U streng laten straffen."
Ada beloofde goed haar best te zullen doen. Die vrouw wees haar den eersten tijd hoe zij 't doen moest. Daar Ada een vlug meisje was, gewende zij zich spoedig aan 't werken en had de vrouw niet nodig haar meer te helpen. Doch deze bespiedde Ada steeds als zij de vogels voerde. Ada werd zeer benieuwd om te weten waarom zij niet met de vogels mocht spreken.
Na een week moest de vrouw op reis voor levensmiddelen te koopen. Nadat ze Ada haar taak van werken had opgegeven en de deur goed op slot had gedaan, ging ze weg. Ada maakte van den gelegenheid gebruik om naar de vogels te gaan en ermede te praten. Toen zij binnentrad hief juist een nachtegaal een heerlijk maar treurig gezang aan.
Ada ging er naar toe en sprak, nadat de vogel zijn lied uitgezongen had: "De leelijke vrouw is op reis en kan ons dus niet hooren; vertel mij, nachtegaal, waarom gij zoo treurig zingt?"
De vogel antwoordde: "Ada, gij zult verwonderd zijn en niet kunnen gelooven dat ik uw verloren broeder Eduard ben."
Ada was blijde haar broertje weêrgevonden te hebben, maar in welke gedaante!
"Arme broeder", zeide zij, "vertel mij hoe gij in zoo'n vogel zijt veranderd en is er dan geen middel om u weer in mensch te doen worden?"
De nachtegaal begon: "Lieve zuster, gij weet nog hoe ik den vlinder achterna liep en ongehoorzaam zijnde het bosch inging. De vlinder zag ik niet meer maar wel een vrouw, dezelfde van dit huis. Zij vroeg mij om mede te gaan en beloofde mij veel speelgoed en lekkers en gaf mij om het te toonen, al reeds een zakje vol suikergoed, en ik liet mij daardoor verleiden en volgde de vrouw. Doch nauwelijks buiten het bosch gekomen of ze wierp mij stevig vastgebonden op een gereedstaande wagen en reed zoo, hier naar toe, of ik al schreide en om hulp riep, niets hielp. Ik moest bij haar blijven. Ook had zij met opzet mijn hoedje in den vijver van het bosch gegooid opdat gij allen zoudt meenen, dat ik verdronken was. Ik kreeg voor taak, om rede ik nog te jong was, op om dagelijks in 't bosch hout te rapen, om het vuur in den haard tot brandstof te dienen. Mij ook verbood ze tegen de vogels te spreken, maar ik dacht meer na, hoe ik zou kunnen wegloopen. De vrouw bespiedde mij ook eveneens als ik hout raapte. Doch op een keer kroop ik stilletjes onder het struikgewas door, om zoo verder, als zij mij niet meer kon zien, op te staan en weg te loopen. Maar jawel! Het wijf had mij zonder, dat ik het gemerkt had, achtervolgd en riep mij opeens bij mijn naam. Zij was woedend op mij, gaf mij een flink pak slaag en daar ze meende dat dat alleen niet helpen zou, veranderde de wreede vrouw mij in een nachtegaal. Ik gevoelde toen duidelijk hoe mijn hoofd kleiner en spitser werd, mijn armen in twee vleugels samenkrompen en mijn beenen verhardden tot twee pooten. Zij pakte mij nu op en zette mij eveneens in een leege kooi tusschen de andere vogels in. O, hoe treurig was ik. Gij moet weten, Ada, dat ik later vernam dat al deze vogels gewezen princessen en prinsen zijn van onze leeftijd. Zij had ons verboden te spreken, doch 's nachts als het wijf sliep, praatten wij toch met elkander en vertelden elkander onze lotgevallen. Van een roodborstje vernamen wij het middel voor onze redding; deze had het in 't geheim vernomen. Doch het alvorens mede te delen wil ik toch eerst gaarne weten, lieve Ada, hoe gij hierheen zijt gedwaald!"
Ada had alles met medelijden aangehoord en verhaalde aan haar broeder de groote droefenis der ouders en haar ontvoering: "En nu, lieve Eduard, ik brand van verlangen het middel te weten tot uw aller redding."
De nachtegaal antwoordde: "Het wijf zelve wil ons nooit meer redden, en weet, zooals ik u verhaalde, niets ervan, dat wij, indien zij ons niet meer veranderen wil, achter een ander geheim gekomen zijn, namentlijk: een uur hier vandaan staat, wanneer gij de groote weg gevolgd zijt door het bosch, aan uw rechterkant een dwergenhuis (gij moet weten, dat deze dwergen de vijanden zijn van de tooverheks). Langs het dwergenhuis voert een weg eveneens door 't bosch op een kwartier afstands, naar een grooten vijver. Aan dezen vijver groeit een wonderbare, witte bloem. Deze moet men zien machtig te worden, dat zeer moeielijk en met gevaren gepaard gaat, omrede een grooten draak met zeven koppen erbij wacht houdt. Kan men het beest onschadelijk maken, dan plukt men den bloem en door de aanraking met de wonderbare bloem kunnen wij allen weer menschen worden."
Ada, [na] alles met belangstelling aangehoord te hebben, zeide toen: "Lieve Eduard, ik zal beproeven die witte bloem machtig te worden, hoe moeielijk het ook gaan zal. Als gij mij dus een dag niet zult zien, dan behoeft gij u niet ongerust te maken. Pas maar op dat het wijf niets van ons gesprek verneemt. En nu vaarwel, tot een anderen keer, en hou goeden moed!"
Een paar dagen erna op een avond nam Ada het besluit haar plan ten uitvoer te brengen. Dien dag was de tooverheks erg vermoeid van 't werken, en begaf zij zich evenals Ada vroeg te ruste. Deze laatste, wachtende tot de heks goed sliep, trad op haar teenen in de kamer van het wijf, nam er den sleutel van de voordeur en sloop stilletjes het huis uit. De maan scheen helder en zij kon zoo gemakkelijk den aangeduide weg vinden. Bij den wegwijzer gekomen zijnde sloeg zij rechts af naar 't dwergenhuis. Vóór het huis stond een levensgroot steenen beeld, de boschgod voorstellende. Ada verschrikte ervoor, daar het haar voor kwam [dat] het beeld dreigend naar haar keek. Zij klopte aan 't huis aan. Een dwerg kwam opendoen en vroeg wat zij wilde. Zij verhaalde daarop haar wedervaren met de tooverheks en vroeg om hulp bij het uitvoerbrengen van haar plan.
De dwerg antwoordde vriendelijk: "Ik ben het opperhoofd van al de goede dwergen hier. Wij allen zijn vijanden van de tooverheks en ook van alle booze menschen, doch de brave menschen trachten wij steeds met onze raad en daad in alles bij te staan. Maar komt naar binnen en gebruikt wat, daarna zal ik u een slaapkamertje aanwijzen, want het is al zeer laat en gij zult wel vermoeid zijn."
Ada nam het met vreugde aan, gebruikte wat spijs en drank en ging te ruste. Den anderen morgen stond zij versterkt op, en in de eetkamer komende stond het ontbijt al gereed op tafel voor haar. Toen het afgeloopen was, begaf zij zich wat naar buiten. Hier kwam het opperhoofd der dwergen weer bij haar en was blijde te hooren, dat zij zoo goed geslapen had. Daarop vertelde de dwerg van het steenen beeld, dat dit hun steeds van groote dienst was daar het altijd waarschuwde als hun gevaar bedreigde. Juist had hij dit gezegd of beiden zagen op naar 't beeld, dat plotseling grooter en grooter werd. Het lichaam veranderde in een reusachtigen berg, de mond en oogen werden diepe holen, de neus werd een kleinere berg en de haren van 't beeld werd[en] een groot bosch. De dwerg nam de verwonderde Ada bij de hand en [ze] bestegen de twee bergen tot in 't groote bosch boven. Hier bemerkten ze in de verte het huis van de tooverheks. Deze zelfs kwam juist eruit en zooals zij zagen zocht zij Ada. Ze liep driftig voort en riep uit: "Dat ondankbare meisje, ik zal haar opzoeken en als ik Ada vind, zal ik haar eveneens in een vogel veranderen."
Ada verschrok hevig en wilde wegloopen, doch de dwerg stelde haar gerust zeggende: "De heks kan ons volstrekt niet zien, daar het beeld ons onttrekt aan haar blikken. Wij zullen nu den berg afgaan, ik zal mijn dwergen verzamelen en we zullen zoo stilletjes de tooverheks tegemoet gaan en gevangen nemen."
Den berg afzijnde, hernam het beeld weer zijn vorige gedaante. De dwergen maakten zich voor den strijd gereed. Ada moest met eenige jongere dwergen in huis de uitkomst afwachten. Na eenige uren kwamen zij zegevierend met het gevangen wijf binnen. Deze was buiten zich zelve van woede toen zij Ada bemerkte en wilde zich losrukken doch kon niet. Intusschen maakten de dwergen de brandstapel gereed, bonden vervolgens de tooverheks erop, die toen onder groot gejuich levendig verbrand werd.
Toen dit afgeloopen was gingen allen strijdvaardig naar den vijver om den draak te dooden. Ada volgde hen op afstand. Het gedrocht was woedend toen de dwergen met de pijlen op hem afschoten en opende de zeven bekken om hen allen te verslinden. Doch daar trof een grooten pijl hem midden in 't hart, hij sprong op van pijn en viel stuiptrekkend neer. Nu sprong het opperhoofd op den draak toe en hakte hem de zeven koppen af en Ada plukte nu de wonderbare witte bloem. Ada bedankte de dwergen hartelijk voor de groote diensten aan haar bewezen en beloofde hen vorstelijk te beloonen, als zij bij haar ouders zou zijn weergekeerd. Doch van belooning wilden de goede dwergen niets hooren en zeide[n] dat ze volstrekt geen gebrek aan iets hadden en alleen op de wereld waren om boozen te straffen en brave menschen te beschermen en te helpen.
Ada nam recht hartelijk afscheid van hen en na nogmaals voor al 't goede bedankt te hebben, keerde zij weerom naar het huis van de heks. Dadelijk ging zij naar de vogels, veranderde alle 30 weer door aanraking met de wonderbare witte bloem in menschen. Nu vertelde Ada aan de dankbare, blijde prinsjes en princesjes het gebeurde met de dwergen. Daarna gingen allen in triomf naar 't slot van Eduards en Ada's ouders. De lang treurende ouders snelden op het hooren van het blijde nieuws na[ar] hen toe, omhelsden hartstochtelijk hun dierbare kinderen, waarna Ada hen alles moest verhalen, van af hun ontvoering te beginnen tot nu toe, en toonde bij 't einde ervan de wonderbare bloem. Deze werd daarop in een glazen kast tot aandenken aan hun redding bewaard. Ook de gouden bal welke na Ada's verdwijning in 't bosch gevonden was, en door welks oorzaak de kinderen zijn wedergekomen, werd tot versiering in den troonzaal voor altijd gebruikt. Nu werd er bericht verzonden naar de vorstelijke ouders der overige 29 prinsjes en princesjes. Deze kwamen terstond over, vol blijdschap hun kinderen weergevonden te hebben. Er werd nu op 't kasteel, onder algemeene vreugde een groot en luisterrijk feest gevierd waarna een groot kinderbal plaats had. Toen het feest was afgeloopen, keerden de ouders vol vreugde met hunne lieve kinderen huiswaarts. Sedert leefden allen gerust na den dood van de tooverheks, en onder voortdurende bescherming der goede dwergen.
Onderwerp
AT 0405 - Jorinde and Joringel   
ATU 0405 - Jorinde and Joringel.   
Beschrijving
Een prinsje rent in het bos een vlinder achterna en verdwaalt. Hij wordt door een heks gevangengezet, en als hij niet doet wat ze wil, verandert zij hem in een nachtegaal. Zijn zusje is na zijn verdwijning met een gouden bal aan het spelen. Wanneer de bal wegrolt, rent ze er achter aan en verdwaalt ook. Zij wordt door dezelfde heks gevangen genomen. Het prinsesje krijgt de taak alle vogels te voeren. Zij mag daarbij echter beslist niet praten. Als de heks op reis gaat en het prinsesje aan de nachtegaal vraagt waarom hij zulke treurige liedjes zingt, ontdekt ze dat het haar betoverde broertje is. Hij vertelt haar dat ze met hulp van goede dwergen een witte bloem kan vinden, die door zijn aanraking de betovering kan opheffen. Het meisje weet de dwergen te vinden, samen verslaan ze de draak met zeven koppen die de bloem bewaakt, en het meisje kan de witte bloem plukken. De heks wordt door de dwergen gevangen en op de brandstapel verbrand. Het prinsesje kan dan naar het huis van de heks gaan om haar broer te bevrijden. Ze strijkt met de bloem over hem heen, en hij wordt weer mens. De andere vogels die er zijn, zijn ook prinsen en prinsessen die door de heks betoverd zijn. Ook deze kinderen worden weer in mensen veranderd.
Bron
Collectie Boekenoogen (archief Meertens Instituut)
Commentaar
20 juni 1892
Jorinde and Joringel
Naam Overig in Tekst
Zwaben   
Eduard   
Ada   
Naam Locatie in Tekst
Duitsland   
Plaats van Handelen
Zwaben (Duitsland)   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
