Hoofdtekst
Verteld door mijn grootmoeder.
Er was eens een rijk koning, die eene hele mooie dochter had (beschrijving hoe mooi zij wel was). Een arme Prins raakte verliefd op de Prinses en zij niet minder op den armen Prins, zoo dat zij van een andere of rijkere Prins [n]iets wilde weten, alhoewel er velen om hare hand dongen. Doch de Koning, haar vader, had het anders beschikt, deze had liever een schoonzoon met veel geld en goed en of de Prinses al klaagde of weende, het hielp niet, zij werd tegen wil en dank verloofd met een rijke Prins alhoewel deze op verre na niet zoo deugdzaam was als den armen Prins. Nu had de Prinses een hofdame die erg veel medelijden met haar had en die bewerkte dat den armen Prins de Prinses nog wel eens in 't geheim kon spreken [beschrijving hoe], dan troostte de Prins haar wel door te zeggen dat alles nog niet verloren was en er nog veel gebeuren kon eer zij met den anderen zou trouwen, enz., maar ondertusschen was hij toch wanhopig en zoo bedroefd mogelijk, hetgeen hij evenwel voor de Prinses verborgen hield. Nu was dan de tijd bepaald waarop de Prinses in het huwelijk zou treden, veel tijd was er niet meer te verliezen.
Op een goeden dag wandelde onze arme Prins in droef gepeins, ja hij wist zelf niet waarheen, al door tot hij aan een groot bosch kwam, toen hij daar was herinnerde hij zich eensklaps dat dit het spookbosch was waar zich niemand gaarne in waagde, want nog nooit was er iemand ingegaan die er levend weer uit was gekomen, daar woonde[n] spooken en heksen, maar wat gaf de Prins om zijn leven, dan maar liever dood, hij had niets meer te verliezen nu hij de Prinses niet mocht bezitten, hij stapte dus maar door.
Toen hij zoo eenigen tijd gewandeld had met neerhangend hoofd en in gepeins verzonken, kwam opeens als uit den grond, een heel oud leelijk vrouwtje voor hem staan en vroeg: "Wat zoekt ge hier? Weet ge wel dat hier alleen spoken en heksen wonen?"
De Prins was wel een weinig onthutst maar wat kon hem de hele wereld met spoken en heksen ook schelen. Toen hij zoo stond, dacht hij: "Misschien zou zij mij kunnen helpen."
Zij scheen zijne gedachten te raden en sprak: "Gij ziet er zeer bedroefd en terneergeslagen uit. Zeg maar oprecht wat er hapert, misschien kan ik U in iets helpen, ik heb ook verdriet en zoude[n] wij elkander van dienst kunnen zijn."
Onder het spreken kwam er een blijde trek om haar mond; hierdoor aangemoedigd en het lelijke niet zoo zeer meer in haar ziende vertelde hij haar zijne geschiedenis; hoe meer hij vertelde hoe vrolijker het vrouwtje werd en hoe jonger zij scheen te worden.
"Ik zal U helpen," sprak zij toen hij eindigde, "maar gij moet mij een wederdienst bewijzen, gij moet zweren dat gij ook mij zult behulpzaam zijn."
Hij beloofde dit.
"Kom mee, dan zal ik U mijne geschiedenis vertellen."
Zij trok hem bij de hand voort al dieper in het bosch tot zij op een heel donkere plek gekomen waren. Daar was een opening in den grond waar zij hem in trok en zoo ging het voort al dieper en dieper tot een onderaardsche gang, waar alles duister was, zonder te spreken aldoor, wel een uur lang. Toen kwamen zij aan een open heel verlicht plein; dat staken zij over en in de verte zag hij een prachtig kasteel dat blonk als de zon, zoodat hij bijna niet meer zag, zoo schitterend was alles, het was dan ook van louter goud, diamant en edelgesteente. Het kasteel had vele zalen met kostbaarheden, goud en zilver lag er opgestapeld.
"Ha," dacht de Prins, "dat alles zal zij mij geven en dan zal ik naar den Koning gaan en het hem aanbieden in ruil voor zijn dochter," maar dat had hij mis.
"Dit is," sprak het vrouwtje, "het kasteel mijner voorvaderen, die onderaardschen koningen waren, en ik ben de Prinses van het groot Damasko; al wat gij hier ziet en nog veel meer is mijn eigendom en toch heb ik verdriet en dit alles wat gij hier ziet zou ik willen geven als ik mijne Dochter nog had of terug konde krijgen, mijn eenig kind dat van mij is weg gegaan of door de duivel ontvoerd, want een menschelijk wezen is nooit op deze plaats geweest, gij zijt den eerste die zich hier waagt, want allen, die het wagen zouden ons eigendom te betreden, zouden een kind des doods zijn geweest, maar u heb ik nodig om mijn kind terug te kunnen krijgen, anders kwaamt gij ook niet levend hier vandaan, want ik heb vele onderaardsche slaven tot mijn dienst die op mijne wenken gehoorzamen. Nu ik door u weet waar mijn kind zich bevind zult gij de bewerker zijn dat ik haar terug krijg, ja, kijkt maar niet zoo verwondert mij aan, gij hebt mij verteld van de hofdame die bij de Prinses is en gij hebt mij gezegd dat die hofdame een sterretje op haar voorhoofd draagt. Die hofdame is mijn verloren kind. Het sterretje is het teken van ons geslacht. Zie hier." Zij streek met de hand over haar eigen voorhoofd, en zie, de rimpels verdwenen en een sterretje zoo als haar dochter droeg kwam te voorschein.
"Een eeuwige wet is het voor ons dit bosch nooit te verlaten, daarom heb ik mijn kind niet kunnen zoeken, maar dat zij aan het hof is weet ik nu, maar hoe zij er gekomen is blijft mij een raadsel. Jaren heb ik aan den ingang van het bosch gewacht of er soms een menschelijk wezen zich waagde, om naar mijn kind te vragen maar geen ridder of Prins hoe onversaagt hij ook wezen mogt heeft zich nog ooit hier vertoond. Nu heeft de droefheid de droefheid verdreven en de bedroefde zal de droeve troost brengen, zoo zal het zijn! Kom mee."
Zij trok hem voort naar den tuin, het leek wel alles kristal, zoo schitteren de watervallen en fonteinen sprongen hoog op met alderhande kleuren. Alle vruchten groeiden daar en alles stond weelderig te bloeien, een geur van bloemen stroomde hem tegen, de vogels in bonte kleuren vlogen af en aan en zongen hun schoonste lied. En toch was het moedertje niet gelukkig omdat zij haar kind miste, en de Prins was tusschen al die pracht en rijkdom alleen bedacht, hoe hij zijn uitverkorene zou krijgen en hoe het vrouwtje het wel zou aan leggen om hem van dienst te zijn, want nog begreep hij niet hoe dat ooit tot een goed einde zou kunnen geraken. Onder het wandelen strekte zij de hand uit en wees hem twee nevens elkander staande appelboomen. Prachtige vruchten hingen aan die boomen.
"Plukt daar," sprak zij, "zeven appelen van iederen boom, houdt die goed apart en breng ze niet met elkander in aanraking. Ik haal u twee zakjes; daar doet gij ze in; op den eenen zak staat met goud geborduurt Hokes, op den anderen Pokes, van dezen boom doet gij in de zak van Hokes, van dezen in de zak van Pokes."
Zoo gezegt, zoo gedaan.
Toen de appelen in de zakjes waren, zeide zij: "Hokes geeft aan die er van eet jeugt en schoonheid weer, Pokes geeft aan die er van eet horens die zoo hoog groeien dat ze met geen ladder te bereiken zijn. Neemt nu de zakjes op en volgt mij, op den terugweg zal ik u zeggen wat gij met deze appelen te doen hebt."
Zij gingen.
Nu zeide het vrouwtje: "Het is overmorgen in de koningstad markdag en kermis, het heele hof komt daar - volgens gewoonte van dien tijd. Gij maakt u onkenbaar door deze zalf" - zij gaf hem een gouden doosje - "en met deze zalf" - zij gaf hem een tweede - "krijgt gij uwe ouden vorigen gedaante weder. Gij gaat op de markt staan met de appelen en roept de voorbijgangers toe: 'Appelen van Damasko, wie ze koop[t] en eet krijgt jeugd, kracht en schoonheid weer, al was men ook hondert jaar. Ze kosten vijf kopkens per stuk.' Al gaauw zullen oude jonge juffers en ook oude heeren de appels koopen en de uitwerking zal iedereen verwonderen, want ge moet de eerste koopers zeggen dat zij de appels dadelijk gebruiken moeten, dat zal daar een toeloop van volk zijn en ook de hofstoet zullen appels koopen als ze zien dat het geen bedrog is, dus ge bewaard eenige appels voor hen. De Prinses en mijne dochter zullen ook de appels willen hebben, want hoe mooi een vrouw ook is, altijd wil zij nog mooier wezen. Komt nu de Prinses en mijne dochter dan geeft gij hun de appels uit het zakje waar Pokes op staat, dus die twee krijgen horens, maar niet dadelijk, want ge moet hun zeggen dat de appels pas een dag of wat later moeten gegeten worden, zoodoende hebt ge niets te vrezen. Zoodra dit geschied is, maakt ge dat ge van de markt af komt, ge maakt u weer een andere gedaante door bestrijking met de zalf. Nu zal de Prinses horens krijgen en ook mijne dochter, dan zal de Koning al de artsen van heel het land oproepen om de horens van zijne dochter te verwijderen, maar niemand zal dit kunnen. Zaagt men ze af, in een oogenblik zijn ze weer groot. Dan zal de rijke Prins de vlucht nemen en zal van geen trouwen willen weten. Dan zal de Koning laten omroepen, die zijn dochter van de horens kan verlossen zal haar tot vrouw krijgen. Gij laat dit eenigen tijd zoo loopen. Velen zullen het beproeven maar niemand zal het kunnen. Dan wordt de zaak hopeloos, dan is het uw tijd om naar het hof te gaan, gij maakt u weer onkenbaar op een andere manier, met deze zalf."
Zij gaf hem een derde doosje.
"Gij bied de Koning aan om zijne dochter te genezen, maar zeg er bij dat gij met de Prinses alleen moet zijn en niemand, wie ook, getuige mag zijn van uwe behandeling. De Koning zal dit in 't begin niet willen, maar gij drijft door en dan zal hij toegeven, en de Prinses zal alles welgevallig zijn indien zij maar van de horens genezen kan worden. Zijt gij nu met de Prinses alleen, dan bestrijkt gij u met de zalf waar gij uwe gewoone gedaante mede terug krijgt. Zij zal u dan herkennen, nu vertelt gij haar alles en geeft haar een appel Hokes. Zoodra zij die heeft opgegeten zijn de horens verdwenen. Zij zal natuurlijk wel niets zeggen aan de Koning. Nu bestrijkt gij u weer met de zalf waar gij onkenbaar mede zijt. Nu gaat gij tot den Koning met de Prinses, die nu geen horens meer heeft. Nu komt de beurt aan mijne dochter die dan geroepen zal worden. Nu zegt gij: 'Ik kan haar niet genezen of zij moet met mij naar zekere stad, wat zij gaarne zal doen, want zij ziet de goede uitwerking bij de Prinses. Gij brengt dan mijne dochter hier, na haar onderweg den appel gegeven te hebben, op deze plek" - zij wees met de hand - "stel ik dit teken, hier zal ik [op] haar wachten."
Of onze Prins blij was! Zoo gezegt zoo gedaan, hij volgde juist het voorschrift van het vrouwtje en alles liep af zoo als zij voorspeld had. De moeder heeft haar kind weder en de Prins zijne Prinses, hoe blijde allen waren kan ik u niet zeggen en wie het blijdste was zeker niet, want het dochtertje van de Boschkoningin was ook tegen haar zin en wil aan het hof, die was op zekeren dag, toen zij nog een klein meisje was, aan den ingang van het bos bloemptjes gaan plukken. Toen de Koning ter jacht was en ver van de anderen afgedwaald, had hij dat schoone kind daar ontdekt en mede genomen en hoe zij al om haar moeder geroepen en geweend had, niets hielp, de Koning nam haar mede en liet haar niet meer gaan. Niemand wist waar zij van gekomen was en hoe zij aan het sterretje op haar voorhoofd kwam. Als men haar ondervroeg zeide zij dat zij het niet wist, want zij begreep dat, als zij het vertelde, dat zij de dochter van de Boschkoningin was, men haar dan als heks verbranden zou, even als men in dien tijd alle heksen en tovenaaren verbrandde of ombracht. Eindelijk was zij in haren toestand gaan berusten, alhoewel zij nog iederen dag aan haren moeder dacht, en nu was de blijdschap des te grooter toen zij haar moeder weer terug had. De Prins trouwde met de Prinses en werd een tijd naderhand Koning, want de oude Koning had niet lang meer geleefd, en nu waren ze alle gelukkig en tevreden en de Prins was een goede Koning.
Er was eens een rijk koning, die eene hele mooie dochter had (beschrijving hoe mooi zij wel was). Een arme Prins raakte verliefd op de Prinses en zij niet minder op den armen Prins, zoo dat zij van een andere of rijkere Prins [n]iets wilde weten, alhoewel er velen om hare hand dongen. Doch de Koning, haar vader, had het anders beschikt, deze had liever een schoonzoon met veel geld en goed en of de Prinses al klaagde of weende, het hielp niet, zij werd tegen wil en dank verloofd met een rijke Prins alhoewel deze op verre na niet zoo deugdzaam was als den armen Prins. Nu had de Prinses een hofdame die erg veel medelijden met haar had en die bewerkte dat den armen Prins de Prinses nog wel eens in 't geheim kon spreken [beschrijving hoe], dan troostte de Prins haar wel door te zeggen dat alles nog niet verloren was en er nog veel gebeuren kon eer zij met den anderen zou trouwen, enz., maar ondertusschen was hij toch wanhopig en zoo bedroefd mogelijk, hetgeen hij evenwel voor de Prinses verborgen hield. Nu was dan de tijd bepaald waarop de Prinses in het huwelijk zou treden, veel tijd was er niet meer te verliezen.
Op een goeden dag wandelde onze arme Prins in droef gepeins, ja hij wist zelf niet waarheen, al door tot hij aan een groot bosch kwam, toen hij daar was herinnerde hij zich eensklaps dat dit het spookbosch was waar zich niemand gaarne in waagde, want nog nooit was er iemand ingegaan die er levend weer uit was gekomen, daar woonde[n] spooken en heksen, maar wat gaf de Prins om zijn leven, dan maar liever dood, hij had niets meer te verliezen nu hij de Prinses niet mocht bezitten, hij stapte dus maar door.
Toen hij zoo eenigen tijd gewandeld had met neerhangend hoofd en in gepeins verzonken, kwam opeens als uit den grond, een heel oud leelijk vrouwtje voor hem staan en vroeg: "Wat zoekt ge hier? Weet ge wel dat hier alleen spoken en heksen wonen?"
De Prins was wel een weinig onthutst maar wat kon hem de hele wereld met spoken en heksen ook schelen. Toen hij zoo stond, dacht hij: "Misschien zou zij mij kunnen helpen."
Zij scheen zijne gedachten te raden en sprak: "Gij ziet er zeer bedroefd en terneergeslagen uit. Zeg maar oprecht wat er hapert, misschien kan ik U in iets helpen, ik heb ook verdriet en zoude[n] wij elkander van dienst kunnen zijn."
Onder het spreken kwam er een blijde trek om haar mond; hierdoor aangemoedigd en het lelijke niet zoo zeer meer in haar ziende vertelde hij haar zijne geschiedenis; hoe meer hij vertelde hoe vrolijker het vrouwtje werd en hoe jonger zij scheen te worden.
"Ik zal U helpen," sprak zij toen hij eindigde, "maar gij moet mij een wederdienst bewijzen, gij moet zweren dat gij ook mij zult behulpzaam zijn."
Hij beloofde dit.
"Kom mee, dan zal ik U mijne geschiedenis vertellen."
Zij trok hem bij de hand voort al dieper in het bosch tot zij op een heel donkere plek gekomen waren. Daar was een opening in den grond waar zij hem in trok en zoo ging het voort al dieper en dieper tot een onderaardsche gang, waar alles duister was, zonder te spreken aldoor, wel een uur lang. Toen kwamen zij aan een open heel verlicht plein; dat staken zij over en in de verte zag hij een prachtig kasteel dat blonk als de zon, zoodat hij bijna niet meer zag, zoo schitterend was alles, het was dan ook van louter goud, diamant en edelgesteente. Het kasteel had vele zalen met kostbaarheden, goud en zilver lag er opgestapeld.
"Ha," dacht de Prins, "dat alles zal zij mij geven en dan zal ik naar den Koning gaan en het hem aanbieden in ruil voor zijn dochter," maar dat had hij mis.
"Dit is," sprak het vrouwtje, "het kasteel mijner voorvaderen, die onderaardschen koningen waren, en ik ben de Prinses van het groot Damasko; al wat gij hier ziet en nog veel meer is mijn eigendom en toch heb ik verdriet en dit alles wat gij hier ziet zou ik willen geven als ik mijne Dochter nog had of terug konde krijgen, mijn eenig kind dat van mij is weg gegaan of door de duivel ontvoerd, want een menschelijk wezen is nooit op deze plaats geweest, gij zijt den eerste die zich hier waagt, want allen, die het wagen zouden ons eigendom te betreden, zouden een kind des doods zijn geweest, maar u heb ik nodig om mijn kind terug te kunnen krijgen, anders kwaamt gij ook niet levend hier vandaan, want ik heb vele onderaardsche slaven tot mijn dienst die op mijne wenken gehoorzamen. Nu ik door u weet waar mijn kind zich bevind zult gij de bewerker zijn dat ik haar terug krijg, ja, kijkt maar niet zoo verwondert mij aan, gij hebt mij verteld van de hofdame die bij de Prinses is en gij hebt mij gezegd dat die hofdame een sterretje op haar voorhoofd draagt. Die hofdame is mijn verloren kind. Het sterretje is het teken van ons geslacht. Zie hier." Zij streek met de hand over haar eigen voorhoofd, en zie, de rimpels verdwenen en een sterretje zoo als haar dochter droeg kwam te voorschein.
"Een eeuwige wet is het voor ons dit bosch nooit te verlaten, daarom heb ik mijn kind niet kunnen zoeken, maar dat zij aan het hof is weet ik nu, maar hoe zij er gekomen is blijft mij een raadsel. Jaren heb ik aan den ingang van het bosch gewacht of er soms een menschelijk wezen zich waagde, om naar mijn kind te vragen maar geen ridder of Prins hoe onversaagt hij ook wezen mogt heeft zich nog ooit hier vertoond. Nu heeft de droefheid de droefheid verdreven en de bedroefde zal de droeve troost brengen, zoo zal het zijn! Kom mee."
Zij trok hem voort naar den tuin, het leek wel alles kristal, zoo schitteren de watervallen en fonteinen sprongen hoog op met alderhande kleuren. Alle vruchten groeiden daar en alles stond weelderig te bloeien, een geur van bloemen stroomde hem tegen, de vogels in bonte kleuren vlogen af en aan en zongen hun schoonste lied. En toch was het moedertje niet gelukkig omdat zij haar kind miste, en de Prins was tusschen al die pracht en rijkdom alleen bedacht, hoe hij zijn uitverkorene zou krijgen en hoe het vrouwtje het wel zou aan leggen om hem van dienst te zijn, want nog begreep hij niet hoe dat ooit tot een goed einde zou kunnen geraken. Onder het wandelen strekte zij de hand uit en wees hem twee nevens elkander staande appelboomen. Prachtige vruchten hingen aan die boomen.
"Plukt daar," sprak zij, "zeven appelen van iederen boom, houdt die goed apart en breng ze niet met elkander in aanraking. Ik haal u twee zakjes; daar doet gij ze in; op den eenen zak staat met goud geborduurt Hokes, op den anderen Pokes, van dezen boom doet gij in de zak van Hokes, van dezen in de zak van Pokes."
Zoo gezegt, zoo gedaan.
Toen de appelen in de zakjes waren, zeide zij: "Hokes geeft aan die er van eet jeugt en schoonheid weer, Pokes geeft aan die er van eet horens die zoo hoog groeien dat ze met geen ladder te bereiken zijn. Neemt nu de zakjes op en volgt mij, op den terugweg zal ik u zeggen wat gij met deze appelen te doen hebt."
Zij gingen.
Nu zeide het vrouwtje: "Het is overmorgen in de koningstad markdag en kermis, het heele hof komt daar - volgens gewoonte van dien tijd. Gij maakt u onkenbaar door deze zalf" - zij gaf hem een gouden doosje - "en met deze zalf" - zij gaf hem een tweede - "krijgt gij uwe ouden vorigen gedaante weder. Gij gaat op de markt staan met de appelen en roept de voorbijgangers toe: 'Appelen van Damasko, wie ze koop[t] en eet krijgt jeugd, kracht en schoonheid weer, al was men ook hondert jaar. Ze kosten vijf kopkens per stuk.' Al gaauw zullen oude jonge juffers en ook oude heeren de appels koopen en de uitwerking zal iedereen verwonderen, want ge moet de eerste koopers zeggen dat zij de appels dadelijk gebruiken moeten, dat zal daar een toeloop van volk zijn en ook de hofstoet zullen appels koopen als ze zien dat het geen bedrog is, dus ge bewaard eenige appels voor hen. De Prinses en mijne dochter zullen ook de appels willen hebben, want hoe mooi een vrouw ook is, altijd wil zij nog mooier wezen. Komt nu de Prinses en mijne dochter dan geeft gij hun de appels uit het zakje waar Pokes op staat, dus die twee krijgen horens, maar niet dadelijk, want ge moet hun zeggen dat de appels pas een dag of wat later moeten gegeten worden, zoodoende hebt ge niets te vrezen. Zoodra dit geschied is, maakt ge dat ge van de markt af komt, ge maakt u weer een andere gedaante door bestrijking met de zalf. Nu zal de Prinses horens krijgen en ook mijne dochter, dan zal de Koning al de artsen van heel het land oproepen om de horens van zijne dochter te verwijderen, maar niemand zal dit kunnen. Zaagt men ze af, in een oogenblik zijn ze weer groot. Dan zal de rijke Prins de vlucht nemen en zal van geen trouwen willen weten. Dan zal de Koning laten omroepen, die zijn dochter van de horens kan verlossen zal haar tot vrouw krijgen. Gij laat dit eenigen tijd zoo loopen. Velen zullen het beproeven maar niemand zal het kunnen. Dan wordt de zaak hopeloos, dan is het uw tijd om naar het hof te gaan, gij maakt u weer onkenbaar op een andere manier, met deze zalf."
Zij gaf hem een derde doosje.
"Gij bied de Koning aan om zijne dochter te genezen, maar zeg er bij dat gij met de Prinses alleen moet zijn en niemand, wie ook, getuige mag zijn van uwe behandeling. De Koning zal dit in 't begin niet willen, maar gij drijft door en dan zal hij toegeven, en de Prinses zal alles welgevallig zijn indien zij maar van de horens genezen kan worden. Zijt gij nu met de Prinses alleen, dan bestrijkt gij u met de zalf waar gij uwe gewoone gedaante mede terug krijgt. Zij zal u dan herkennen, nu vertelt gij haar alles en geeft haar een appel Hokes. Zoodra zij die heeft opgegeten zijn de horens verdwenen. Zij zal natuurlijk wel niets zeggen aan de Koning. Nu bestrijkt gij u weer met de zalf waar gij onkenbaar mede zijt. Nu gaat gij tot den Koning met de Prinses, die nu geen horens meer heeft. Nu komt de beurt aan mijne dochter die dan geroepen zal worden. Nu zegt gij: 'Ik kan haar niet genezen of zij moet met mij naar zekere stad, wat zij gaarne zal doen, want zij ziet de goede uitwerking bij de Prinses. Gij brengt dan mijne dochter hier, na haar onderweg den appel gegeven te hebben, op deze plek" - zij wees met de hand - "stel ik dit teken, hier zal ik [op] haar wachten."
Of onze Prins blij was! Zoo gezegt zoo gedaan, hij volgde juist het voorschrift van het vrouwtje en alles liep af zoo als zij voorspeld had. De moeder heeft haar kind weder en de Prins zijne Prinses, hoe blijde allen waren kan ik u niet zeggen en wie het blijdste was zeker niet, want het dochtertje van de Boschkoningin was ook tegen haar zin en wil aan het hof, die was op zekeren dag, toen zij nog een klein meisje was, aan den ingang van het bos bloemptjes gaan plukken. Toen de Koning ter jacht was en ver van de anderen afgedwaald, had hij dat schoone kind daar ontdekt en mede genomen en hoe zij al om haar moeder geroepen en geweend had, niets hielp, de Koning nam haar mede en liet haar niet meer gaan. Niemand wist waar zij van gekomen was en hoe zij aan het sterretje op haar voorhoofd kwam. Als men haar ondervroeg zeide zij dat zij het niet wist, want zij begreep dat, als zij het vertelde, dat zij de dochter van de Boschkoningin was, men haar dan als heks verbranden zou, even als men in dien tijd alle heksen en tovenaaren verbrandde of ombracht. Eindelijk was zij in haren toestand gaan berusten, alhoewel zij nog iederen dag aan haren moeder dacht, en nu was de blijdschap des te grooter toen zij haar moeder weer terug had. De Prins trouwde met de Prinses en werd een tijd naderhand Koning, want de oude Koning had niet lang meer geleefd, en nu waren ze alle gelukkig en tevreden en de Prins was een goede Koning.
Onderwerp
AT 0566 - The Three Magic Objects and the Wonderful Fruits (Fortunatus)   
ATU 0566 - The Three Magic Objects and the Wonderful Fruits.   
Beschrijving
Een prinses is verliefd op een arme prins, maar zij mag niet met hem trouwen van haar vader. De prins loopt verdrietig in het spookbos, wanneer hij een oud vrouwtje tegenkomt. Dit oude vrouwtje neemt hem mee naar haar onderaardse kasteel. Zij vertelt hem hoe hij de prinses toch kan trouwen. Hij moet echter beloven haar dochter, die jaren geleden is verdwenen, ook te redden. De prins moet vermomd op de markt gaan staan en daar appels van Damasko verkopen. Deze appels geven jeugd en schoonheid terug. Hij krijgt van de vrouw twee zakjes met appelen. Op het ene staat Hokes en op het anderen Pokes. Aan iedereen moet hij appels uit het zakje Hokes geven, behalve aan de prinses en de dochter van de vrouw, hen moet hij appels geven uit het zakje Pokes. Zij krijgen allebei twee horens op hun hoofd. De koning belooft zijn dochter aan degene die haar zal verlossen van de hoorns. De arme prins kan dit en bevrijdt ook nog het dochtertje van de vrouw uit het bos. De prins en prinses trouwen en leven nog lang en gelukkig.
Bron
Collectie Boekenoogen (archief Meertens Instituut)
Commentaar
1894
Verteld door grootmoeder in Helvoirt (Noord-Brabant).
The Three Magic Objects and the Wonderful Fruits (Fortunatus)
Naam Overig in Tekst
Hokes   
Pokes   
Naam Locatie in Tekst
Damasko   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
