Hoofdtekst
Er was eens een graaf die een afgelegen kasteel bewoonde met zijn vrouw en drie dochtertjes. Het waren alledrie mooie meisjes maar het jongste was het bevalligste omdat het ook een goed karakter had. Zij was dan ook de lieveling der ouders en van alle[n] die haar kende[n]. De oudste had een zeer slecht karakter en was zeer jaloers op haar jongste zusje. Nu was het de dag vóór den verjaardag van hun vader, en hun moeder zeide tegen de meisjes: "Morgen verjaart uw vader, ge moet nu vele mooie bloempjes gaan plukken in de weide, dan zullen wij een mooien krans maken en uw vader een verrassing bereiden, en die het meeste bloempjes thuis brengt en de mooiste die is mijn hartedief en die zal ik nog liever hebben dan thans." De kinderen huppelden vrolijk heen ieder met een korfje. Toen zij in de weide kwamen gaf de oudste voor dat zij niet wel was en wat in het gras wilde uitrusten. "Ga jelui maar plukken, ik kom aanstonds bij je," zeide zij. Maar zij was niet ziek, zij wilde alleen zijn om te kunnen overleggen hoe zij wel van hare gehaate jonger zuster ontslagen zou kunnen worden, want met den dag werd haar haat en jaloezie heviger. "En morgen," dacht zij, "zal mijn jongste zuster meer gekoester[d] worden door vader en moeder terwijl ik loop voor een te meer en niemand notitie van mij neemt." Dit was echter het geval niet want de ouders hielden van alle drie even veel alhoewel zij bemerkten dat de oudste lui was en geen goed karakter bezat; de ouders bestraften haar dan wel, maar altijd met zachtheid en stelden het jongste meisje tot voorbeeld. Dit was juist wat bij de oudste den haat nog heviger deed worden, zoo dat zij gedurig peinsde om van haar ontslagen te worden. Zij besloot dan ook om haar zusje te vermoorden en in de weide te begraven dan wist toch niemand waar zij gebleven was, de ouders zouden dan meer van haar gaan houden als ze de jongste niet koesteren konden. Zij liep naar huis, haalde een schopje en maakte een kuil in het gras terwijl de twee jongere zusters ver van haar afgedwaald waren. Toen de twee haar korfjes vol bloemen hadden, kwamen zij naar de oudste terug die hun al tegemoed liep en tegen de jongste zeide: "Kom met mij nog wat bloempjes plukken want ik heb nog niets in mijn korfje, help mij wat, want ik wil niet met ledige handen thuis komen." De jongste nam dit aan en begon ijverig naar bloempjes te zoeken, terwel de middelste naar huis ging. Nu ze zoo alleen met haar zusje was, zeide zij: "Ik weet zeer mooie bloemen staan aan ginsche slootkant, kom maar mee dan hebben wij spoedig het korfje vol." Zij nam haar bij de hand en ging een heel eind met haar alleen tot aan een grooten sloot. Toen nu haar zusje druk aan het plukken was aan de slootkant, stiet zij het kind in het water en daar de sloot zeer diep was, zonk het kind spoedig naar beneden. Zij bleef op den kant staan, ongevoelig voor het angstgeschrei van den kleine. Toen alles stil bleef haalde zij haar met een hark naar boven en droeg haar naar de kuil die zij gegraven had, stopten haar daarin en maakten het kuiltje weer dicht. Toen nam zij het korfje met bloemen van de jongste en kwam welgemoed thuis, liet haar moeder de bloemen zien en vroeg of zij niet goed had opgepast en ijverig was geweest. De moeder niet beters wetende prees haar dat zij zoo ijverig was geweest. Toen men naar haar zusje vroeg vertelde zij dat die niet mee wilde komen en nog in de weide was. Toen het al later en later werd, werden de ouders ongerust en zonden de bedienden om te gaan zoeken, maar toen die niets gevonden hadden gingen de ouders ook zoeken maar vonden hun kind niet. Zoo gingen dagen voorbij en het kind werd niet gevonden. De ouders waren zeer bedroefd en baden God om hun toch hun verloren kind terug te schenken. Zoo bleef het tot dat het gras gemaaid zou worden. De knecht zou het gras maaien waar de kinderen de bloemen hadden geplukt. Toen hij op een zekere plek kwam, zag hij in het gras een hele mooie bloem staan zoo als hij er nog nooit een gezien had. Hij bekeek haar eens goed en hem dacht dat de bloem hoe langer, hoe mooier werd. Hij besloot de bloem te plukken en naar zijn heer te brengen, die veel van bloemen hield. De knecht bracht de bloem bij de graaf die ook zeer verwondert was over de schoonheid en heerlijke geur van de bloem. Hij gaf ze aan zijn vrouw om te bezien, en o wonder, de bloem begon te spreken:
"Ach moedertje lief, ach moedertje lief,
mijn oudste zuster heeft mij vermoord,
in 't groene gras begraven."
Alle[n] stonden van schrik verstijft. Toen nam de vader de bloem in de hand en nu sprak de bloem:
"Ach vadertje lief, ach vadertje lief,
mijn oudste zuster heeft mij vermoord,
in 't groene gras begraven."
Toen nam de middelste zuster de bloem in de hand, de bloem sprak:
"Ach zusje lief, ach zusje lief,
mijn oudste zuster heeft mij vermoord,
in 't groene gras begraven."
Toen moest de oudste de bloem in de hand nemen. Zij had hier veel tegen en stond nu zoo wit als een doek toe te kijken, maar er was niets aan te doen. De graaf dwong haar om de bloem in de hand te nemen. Toen sprak de bloem: "Slechte zuster, slechte zuster,
gij hebt mij vermoord,
in 't groene gras begraven, wijst het kuiltje!"
Toen gingen zij naar de plek waar de bloem gevonden was en daar onder de aarde vond men het lijkje van het kind. Het werd naar huis gedragen en in den tuin begraven. Men plantte de gevonden bloem op het grafje, die daar welig groeide. De oudste zuster moest boete doen die haar door de graaf was opgelegd en alle dagen gingen de ouders naar het grafje van hun kind. Zij namen dan de oudste mee, maar als zij de bloem aanraakt, verschrompelen alle blaadjes en beven en trillen juist of zij huiveren. Als de ouders of de middelste zuster de bloem aanraaken dan fleurde zij weer op.
"Ach moedertje lief, ach moedertje lief,
mijn oudste zuster heeft mij vermoord,
in 't groene gras begraven."
Alle[n] stonden van schrik verstijft. Toen nam de vader de bloem in de hand en nu sprak de bloem:
"Ach vadertje lief, ach vadertje lief,
mijn oudste zuster heeft mij vermoord,
in 't groene gras begraven."
Toen nam de middelste zuster de bloem in de hand, de bloem sprak:
"Ach zusje lief, ach zusje lief,
mijn oudste zuster heeft mij vermoord,
in 't groene gras begraven."
Toen moest de oudste de bloem in de hand nemen. Zij had hier veel tegen en stond nu zoo wit als een doek toe te kijken, maar er was niets aan te doen. De graaf dwong haar om de bloem in de hand te nemen. Toen sprak de bloem: "Slechte zuster, slechte zuster,
gij hebt mij vermoord,
in 't groene gras begraven, wijst het kuiltje!"
Toen gingen zij naar de plek waar de bloem gevonden was en daar onder de aarde vond men het lijkje van het kind. Het werd naar huis gedragen en in den tuin begraven. Men plantte de gevonden bloem op het grafje, die daar welig groeide. De oudste zuster moest boete doen die haar door de graaf was opgelegd en alle dagen gingen de ouders naar het grafje van hun kind. Zij namen dan de oudste mee, maar als zij de bloem aanraakt, verschrompelen alle blaadjes en beven en trillen juist of zij huiveren. Als de ouders of de middelste zuster de bloem aanraaken dan fleurde zij weer op.
Onderwerp
AT 0780 - The Singing Bone   
ATU 0780 - The Singing Bone.   
Beschrijving
Een graaf heeft drie dochters. Het jongste zusje is het liefste, het oudste zusje heeft een slecht karakter. Zij besluit uit jaloezie haar jongste zusje te vermoorden tijdens het bloemen plukken. Eerst duwt ze haar in de sloot en wanneer het kind verdronken is, begraaft ze haar op de weide. De ouders zijn radeloos en zoeken dag en nacht, maar vinden niets. Op een dag maait een knecht het gras op de weide en vindt daar een heel mooie bloem. Hij brengt deze bloem naar de graaf. Zodra deze hem in handen neemt spreekt de bloem dat haar oudste zuster haar vermoord heeft. De oudste zuster moet nu het grafje aanwijzen en boete doen. Het lijkje van het jongste dochtertje wordt in de tuin begraven met de bloem erboven geplant.
Bron
Collectie Boekenoogen (archief Meertens Instituut)
Commentaar
1894
Gehoord in Helvoirt (Noord-Brabant).
The Singing Bone
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
