Hoofdtekst
Sprookje van den boozen stiefmoeder
Vader had aan Jan en Betje een stiefmoeder gegeven. Ze was [er] nog niet of men merkte dat het een booze vrouw was. Ze was ruw tegen vader, schold op Betje, en sloeg de kleine Jantje en sloot hem op de zolder op, zoo dat hij erg bang voor haar was en haar zoo veel mogelijk uit de weg ging. Op een goeden dag kocht zij een mand met appelen. Om Jan te plagen, die veel van een appel hield, gaf ze Betje nu en dan een, maar ze moest hem dadelijk opeten, uit vrees [dat] ze er Jan een stukje van zou geven.
Op een vrijdag dat vader en Betje niet thuis waren, zei ze tegen Jan: "Wil je een mooie roode appel hebben?"
"Heel graag moeder," zei Jan verwonderd.
"Gaan dan naar de zolder en zoek er maar een uit, ze liggen in de groote kist."
Jan ging erheen en riep al spoedig: "Moeder, ik kan de kist niet open krijgen."
"Wacht," zei ze, "ik zal je helpen", en deed de deksel open.
Toen Jan zich nu voorover boog om een appel te krijgen, liet ze de zware deksel vallen en de kleine Jan was dood. Zijn hoofdje lag bij de appelen in de kist, zijn lichaam er buiten. Toen nam de moeder het lichaam, sneed het aan stukjes en kookte er een soepje van.
Toen vader en Betje thuis kwamen riep ze hun toe: "Ik heb een lekker soepje klaar, kom maar gaauw!"
"Waar is Jan?" vroeg vader, "het die weer straf?"
"[Hij zit] in zijn vel, als hij niet gestropen is," was het ruwe antwoord.
Toen het eten gedaan was, moest Betje de botjes weggooijen. Ze bragt ze onder de lindeboom, omdat ze van daar het zoldervenster kon zien, want ze dacht dat Jan er zat, maar ze zag niets. Al wie terug kwam, Jantje niet, waar vader en Betje zeer bedroefd om waren. De volgende vrijdag kwam er van uit de lindeboom een vogeltje vliegen en zette zich op de vensterbank en zong:
"Rikkikkik hier ben ik,
Rikkikkik, hier ben ik."
"Het is de stem van Jantje," zeiden vader en Betje en liepen naar het venster.
Het vogeltje vloog toen op de vensterbank en zong met een bedroefd stemmetje:
"Mijn moeder heeft mij gedood,
Mijn vader heeft mij gegeten,
Mijn zusje heeft de botjes onder de lindeboom gesmeten,
En rikkikkik, en hier ben ik."
Daarna riep dezelfde stem:
"Vader, vader, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
"Vader, vader, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
"Vader, vader, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
Toen ging de vader onder de schoorsteen staan en kreeg hij een nieuwe hoed op zijn hoofd.
Toen het weer vrijdag was, kwam de vogel weer uit de boom, ging eerst op de vensterbank zitten en vloog daarna weer op de schoorsteen zingende:
"Mijn moeder heeft mij gedood,
Mijn vader heeft mij gegeten,
Mijn zuster heeft mij onder de lindeboom gesmeten,
En rikkikkik en hier ben ik."
Daarna riep hij:
"Betje, Betje, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
"Betje, Betje, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
"Betje, Betje, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
Toen ging Betje onder de schoorsteen staan en kreeg een gouden oorijzer op haar hoofd.
En zie, de volgende vrijdag kwam de vogel weer, eerst pikte hij tegen de ruiten en vloog toen weer naar de schoorsteen en zong weer:
"Mijn moeder heeft mij gedood,
Mijn vader heeft mij gegeten,
Mijn zuster heeft mij onder de lindeboom gesmeten,
En rikkikkik en hier ben ik."
Nu riep hij ook weer:
"Moeder, moeder, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
"Moeder, moeder, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
"Moeder, moeder, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
Moeder ging onder de schoorsteen staan, dacht ook wat moois te krijgen, maar kreeg een molensteen op haar hoofd en was zoo dood als een pier.
De vogel vloog weg en kwam toen nooit weerom. Vader en Betje waren blij, dat de booze stiefmoeder dood was. Ze bleven altoos bij elkaar en waren regt gelukkig.
Vader had aan Jan en Betje een stiefmoeder gegeven. Ze was [er] nog niet of men merkte dat het een booze vrouw was. Ze was ruw tegen vader, schold op Betje, en sloeg de kleine Jantje en sloot hem op de zolder op, zoo dat hij erg bang voor haar was en haar zoo veel mogelijk uit de weg ging. Op een goeden dag kocht zij een mand met appelen. Om Jan te plagen, die veel van een appel hield, gaf ze Betje nu en dan een, maar ze moest hem dadelijk opeten, uit vrees [dat] ze er Jan een stukje van zou geven.
Op een vrijdag dat vader en Betje niet thuis waren, zei ze tegen Jan: "Wil je een mooie roode appel hebben?"
"Heel graag moeder," zei Jan verwonderd.
"Gaan dan naar de zolder en zoek er maar een uit, ze liggen in de groote kist."
Jan ging erheen en riep al spoedig: "Moeder, ik kan de kist niet open krijgen."
"Wacht," zei ze, "ik zal je helpen", en deed de deksel open.
Toen Jan zich nu voorover boog om een appel te krijgen, liet ze de zware deksel vallen en de kleine Jan was dood. Zijn hoofdje lag bij de appelen in de kist, zijn lichaam er buiten. Toen nam de moeder het lichaam, sneed het aan stukjes en kookte er een soepje van.
Toen vader en Betje thuis kwamen riep ze hun toe: "Ik heb een lekker soepje klaar, kom maar gaauw!"
"Waar is Jan?" vroeg vader, "het die weer straf?"
"[Hij zit] in zijn vel, als hij niet gestropen is," was het ruwe antwoord.
Toen het eten gedaan was, moest Betje de botjes weggooijen. Ze bragt ze onder de lindeboom, omdat ze van daar het zoldervenster kon zien, want ze dacht dat Jan er zat, maar ze zag niets. Al wie terug kwam, Jantje niet, waar vader en Betje zeer bedroefd om waren. De volgende vrijdag kwam er van uit de lindeboom een vogeltje vliegen en zette zich op de vensterbank en zong:
"Rikkikkik hier ben ik,
Rikkikkik, hier ben ik."
"Het is de stem van Jantje," zeiden vader en Betje en liepen naar het venster.
Het vogeltje vloog toen op de vensterbank en zong met een bedroefd stemmetje:
"Mijn moeder heeft mij gedood,
Mijn vader heeft mij gegeten,
Mijn zusje heeft de botjes onder de lindeboom gesmeten,
En rikkikkik, en hier ben ik."
Daarna riep dezelfde stem:
"Vader, vader, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
"Vader, vader, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
"Vader, vader, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
Toen ging de vader onder de schoorsteen staan en kreeg hij een nieuwe hoed op zijn hoofd.
Toen het weer vrijdag was, kwam de vogel weer uit de boom, ging eerst op de vensterbank zitten en vloog daarna weer op de schoorsteen zingende:
"Mijn moeder heeft mij gedood,
Mijn vader heeft mij gegeten,
Mijn zuster heeft mij onder de lindeboom gesmeten,
En rikkikkik en hier ben ik."
Daarna riep hij:
"Betje, Betje, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
"Betje, Betje, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
"Betje, Betje, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
Toen ging Betje onder de schoorsteen staan en kreeg een gouden oorijzer op haar hoofd.
En zie, de volgende vrijdag kwam de vogel weer, eerst pikte hij tegen de ruiten en vloog toen weer naar de schoorsteen en zong weer:
"Mijn moeder heeft mij gedood,
Mijn vader heeft mij gegeten,
Mijn zuster heeft mij onder de lindeboom gesmeten,
En rikkikkik en hier ben ik."
Nu riep hij ook weer:
"Moeder, moeder, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
"Moeder, moeder, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
"Moeder, moeder, kom hier is,"
"Jan, Jan, wat moet ik?"
Moeder ging onder de schoorsteen staan, dacht ook wat moois te krijgen, maar kreeg een molensteen op haar hoofd en was zoo dood als een pier.
De vogel vloog weg en kwam toen nooit weerom. Vader en Betje waren blij, dat de booze stiefmoeder dood was. Ze bleven altoos bij elkaar en waren regt gelukkig.
Onderwerp
AT 0720 - My Mother Slew Me; My Father Ate Me. The Juniper Tree   
ATU 0720 - The Juniper Tree   
Beschrijving
Een broertje en een zusje krijgen een gemene stiefmoeder. Wanneer het broertje op een dag een appel uit de appelkist wil pakken, laat de stiefmoeder de zware deksel op zijn nek vallen zodat de jongen onthoofd wordt. Van de botten kookt de stiefmoeder een pan soep. Het zusje begraaft de botten onder de lindeboom. Uit die lindeboom komt de volgende dag een vogel vliegen die op de schoorsteen neerstrijkt. In zijn lied vertelt het vogeltje met de stem van de vermoorde jongen dat zijn moeder hem heeft vermoord, dat zijn vader hem heeft gegeten en dat zijn zusje hem onder de lindeboom begraven heeft. De eerste dag krijgt de vader een mooie hoed en de tweede dag krijgt het zusje een gouden oorijzer. De stiefmoeder wil ook een kado en gaat op de derde dag onder de schoorsteen staan. Zij krijgt echter een molensteen op haar hoofd en is op slag dood.
Bron
Collectie Boekenoogen (archief Meertens Instituut)
Commentaar
juni 1892
My Mother Slew Me, My Father Ate Me, The Juniper Tree
Naam Overig in Tekst
Jantje   
Betje   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
