Hoofdtekst
Het sprookje van de betooverde bok en het glazen brugje
Er was eens een vader met drie dochters. Daar de vader rijk was, gaf hij alles aan zijne kinderen wat ze gaarne wilden hebben. Eens ging hij naar de naburige stad, en vroeg hij aan zijne dochters wat ze gaarne wilden dat hij voor hun meebragt. De oudste vroeg een viool die vanzelf spelen kon, de tweede een pop die vanzelf kon dansen en de jongste een roosje dat zingen kon. De vader zocht overal en vond wel een viool die vanzelf spelen kon, en ook een pop die vanzelf dansen kon, maar een zingend roosje kon hij maar niet vinden. Daar de jongste zijn lieveling was wilde hij het toch zoo gaarne voor haar hebben. Hij liep toen een eind de weg op buiten de stad, in de hoop van nog in een van de tuinen een zingende roos te vinden. Ja wezentlijk, daar kwam hij aan een tuin met prachtige rozen en een daarvan stond allerbeelderigst te zingen. Over de schutting geklommen de roos geplukt was het werk van een oogenblik. Nauwelijks had hij de roos in de hand, of daar stond naast hem een mooie groote bok, die zeide: "Waarom doet ge dat? Nu moet ge sterven." De vader zeide dat hij drie dochters had, die hem niet konden missen, en dat hij voor de jongste de roos had geplukt, niet vermoedende dat hij daar kwaad aan had gedaan. "Nu, ge moogt blijven leven", zei de bok, "als gij mij geeft wat u het eerst tegemoet komt op uw eigen grond." Daar het hondje gewoonlijk het eerste was wat hem tegemoet sprong, gaf hij zijn toestemming. Doch helaas! het was zijn lieve jongste dochter die hem het eerst tegemoet kwam huppelen. Thuis zijnde vertelde hij alles wat er gebeurd was, ook van zijne gelofte, maar liet er op volgen: "Hij krijgt u niet, mijn lieveling, dan wil ik liever zelf sterven." Maar zijn dochter wist hem te bepraten, dat het toch beter was, dat zij naar de bok ging als dat allen hun vader moesten missen, en toen bragt de vader zijn dochter naar de tuin waar hij de roos had geplukt en ging diep bedroefd naar huis. Het meisje liep de tuin door maar vond niemand. Eindelijk kwam ze bij een heel mooi huis. Daar de deur open was, liep ze naar binnen. De gang was aan weerszijden bezet met beelden en bloemen en daar tusschen af en toe een deur. Zij deed een van die deuren open en kwam in een prachtige kamer, met zulke mooie meubels als ze nog nooit gezien had. Het was of ieder[e] stoel een rustbed was. Ze dorst er niet op te gaan zitten en ging de kamer maar weer uit. Toen deed ze een andere deur open, ook daar was alles mooi en vond ze de tafel gedekt. Het eten dat er op stond zag er zoo lekker uit, de vruchten lachten haar zoo toe, dat ze er haast niet af kon blijven. Ze liep om de tafel heen en daar zag ze in eens in de opening van de deur de bok staan. Ze liep naar hem toe en zeide: "Dag mooie bok, hier ben ik, wat moet ik doen?" "Het eerst aan tafel gaan en het eten dat er op staat gebruiken", zei de bok. Ze had honger, dus maakte daar spoedig gebruik van. Toen liet de bok haar het huis zien en overal was het mooi doch nergens zoo mooi als de kamers die voor haar gebruik bestemd waren; daar was alles van fluweel en zijde. Door al dat bekijken was ze zoo moe geworden dat toen de bok haar alleen liet in haar slaapkamer, ze zich spoedig uitkleedde en den geheelen nacht doorsliep. De volgende morgen wakker wordende zag zij dat een heele boel mooie nieuwe kleeren voor haar klaar waren gelegd. Een beelderig rose jurkje, kousen van de zelfde kleur en wit zijden schoentjes. Toen ze zich aangekleed had, keek ze in de spiegel en dacht: "Ik wou dat ze mij thuis zoo eens zagen." In de tweede kamer stond een heerlijk ontbijt voor haar klaar en zag ze de bok in de gang op haar wachten. Ze streelde hem eerst over zijn lange witte haren, en ging daarna van al het klaargezette lekkers wat proeven. Toen ze genoeg had ging ze weer met de bok in de tuin, waar ze bloemen plukte, speelde, op de rug van de bok ging zitten die dan een eind met haar voort liep. Wanneer ze behoefte aan eten of drinken had, stond het lekkerste onmiddellijk voor haar klaar. Het meisje had het zoo prettig dat ze eenige dagen niet naar huis verlangde, maar de zesde dag kon ze het niet langer uithouden, maar verlangde naar haar vader. Nadat ze beloofd had dezelfde avond terug te zullen gaan, zei de bok: "Ga dan maar op mijn rug zitten, dan zal ik je naar huis dragen." Een klein eindje van de tuin af lag op de weg die de bok overging een glazen brugje, waar hij met een groote sprong over heen ging. Allen waren blijde haar weer thuis te hebben, en deden veel moeite haar over te halen om bij hen te blijven, maar ze wilde niet; ze deed wat ze beloofd had en ging 's avonds met de bok naar huis.
Eenige dagen later bragt de bok haar weer naar huis. De vader deed toen een slaapmiddel in een glaasje wijn en gaf het zijn dochtertje te drinken, die spoedig in slaap viel. Toen nam hij een stok en joeg de bok weg.
Het meisje sliep eenige uuren en vroeg toen ze wakker werd dadelijk naar de bok. Haar vader zeide dat de bok weg was en zij nu weer bij hen mogt blijven, maar daar wilde ze niet van horen. Schreijende liep ze de weg op, doch ze zag de bok niet meer. Ze liep door totdat ze bij het glazen brugje kwam. Om daar over te komen moest men voor iedere stap wat neerleggen, anders brak de brug. Ze zocht daarom eenige steentjes op, en lag telkens een steentje bij iedere stap. Zoo kwam ze tot bijna het einde van de brug, maar helaas! Ze had één steentje te kort. Terug kon ze niet gaan, want al de steentjes waren weg gegleden. Ze wilde toch naar de bok toe, en daarom beet ze haar kleine pink af, wat haar wel veel pijn deed, en lag die op de brug voor de laatste stap en was er gelukkig over. Ze zag de bok reeds van verre treurig heen en weer loopen, maar toen hij haar zag sprong hij van vreugde in de hoogte, liet haar op zijn rug zitten en bragt haar naar haar slaapkamertje.
Daarna gingen er weer eenige dagen prettig voorbij; wel zag de bok het meisje meer dan smeekend aan, doch het meisje wist niet wat hij daarmee meende en huppelde vrolijk verder, terwijl de bok haar gedwee volgde. Op een morgen aan het ontbijt komende, vond ze de bok niet als gewoonlijk in de gang. Ze zocht het geheele huis door, doch hij was nergens te vinden. Toen ging ze in de tuin en zocht ook daar overal, tot ze hem eindelijk zag liggen op de plek, waar het zingende roosje had gestaan. Vlug liep ze er heen, maar hoe schrikte zij, toen ze zag dat de bok dood was. Ze knielde huilende bij hem neer, sloeg haar armen om zijn hals en kuste hem op zijn kop. Dadelijk veranderde de bok in een schoone prins en sprong vlug overeind en nam het verbaasde meisje bij de hand.
Hij vertelde dat hij ongehoorzaam was geweest, daarom door een toovergodin in een bok was veranderd, die gezegd had, dat hij alleen door de kus van een schoon en deugdzaam jong meisje weer zijn vroegere gedaante aan kon nemen. Hij had haar daarom zoo dikwijls smeekend aangekeken, op hoop dat zij hem een kus zou geven, want hij had haar zeer lief.
Nu was alle leed vergeten, de prins huwde met het meisje en toonde aan iedereen, hoe zijn vrouwtje uit liefde voor hem haar kleine pink had afgebeten.
Er was eens een vader met drie dochters. Daar de vader rijk was, gaf hij alles aan zijne kinderen wat ze gaarne wilden hebben. Eens ging hij naar de naburige stad, en vroeg hij aan zijne dochters wat ze gaarne wilden dat hij voor hun meebragt. De oudste vroeg een viool die vanzelf spelen kon, de tweede een pop die vanzelf kon dansen en de jongste een roosje dat zingen kon. De vader zocht overal en vond wel een viool die vanzelf spelen kon, en ook een pop die vanzelf dansen kon, maar een zingend roosje kon hij maar niet vinden. Daar de jongste zijn lieveling was wilde hij het toch zoo gaarne voor haar hebben. Hij liep toen een eind de weg op buiten de stad, in de hoop van nog in een van de tuinen een zingende roos te vinden. Ja wezentlijk, daar kwam hij aan een tuin met prachtige rozen en een daarvan stond allerbeelderigst te zingen. Over de schutting geklommen de roos geplukt was het werk van een oogenblik. Nauwelijks had hij de roos in de hand, of daar stond naast hem een mooie groote bok, die zeide: "Waarom doet ge dat? Nu moet ge sterven." De vader zeide dat hij drie dochters had, die hem niet konden missen, en dat hij voor de jongste de roos had geplukt, niet vermoedende dat hij daar kwaad aan had gedaan. "Nu, ge moogt blijven leven", zei de bok, "als gij mij geeft wat u het eerst tegemoet komt op uw eigen grond." Daar het hondje gewoonlijk het eerste was wat hem tegemoet sprong, gaf hij zijn toestemming. Doch helaas! het was zijn lieve jongste dochter die hem het eerst tegemoet kwam huppelen. Thuis zijnde vertelde hij alles wat er gebeurd was, ook van zijne gelofte, maar liet er op volgen: "Hij krijgt u niet, mijn lieveling, dan wil ik liever zelf sterven." Maar zijn dochter wist hem te bepraten, dat het toch beter was, dat zij naar de bok ging als dat allen hun vader moesten missen, en toen bragt de vader zijn dochter naar de tuin waar hij de roos had geplukt en ging diep bedroefd naar huis. Het meisje liep de tuin door maar vond niemand. Eindelijk kwam ze bij een heel mooi huis. Daar de deur open was, liep ze naar binnen. De gang was aan weerszijden bezet met beelden en bloemen en daar tusschen af en toe een deur. Zij deed een van die deuren open en kwam in een prachtige kamer, met zulke mooie meubels als ze nog nooit gezien had. Het was of ieder[e] stoel een rustbed was. Ze dorst er niet op te gaan zitten en ging de kamer maar weer uit. Toen deed ze een andere deur open, ook daar was alles mooi en vond ze de tafel gedekt. Het eten dat er op stond zag er zoo lekker uit, de vruchten lachten haar zoo toe, dat ze er haast niet af kon blijven. Ze liep om de tafel heen en daar zag ze in eens in de opening van de deur de bok staan. Ze liep naar hem toe en zeide: "Dag mooie bok, hier ben ik, wat moet ik doen?" "Het eerst aan tafel gaan en het eten dat er op staat gebruiken", zei de bok. Ze had honger, dus maakte daar spoedig gebruik van. Toen liet de bok haar het huis zien en overal was het mooi doch nergens zoo mooi als de kamers die voor haar gebruik bestemd waren; daar was alles van fluweel en zijde. Door al dat bekijken was ze zoo moe geworden dat toen de bok haar alleen liet in haar slaapkamer, ze zich spoedig uitkleedde en den geheelen nacht doorsliep. De volgende morgen wakker wordende zag zij dat een heele boel mooie nieuwe kleeren voor haar klaar waren gelegd. Een beelderig rose jurkje, kousen van de zelfde kleur en wit zijden schoentjes. Toen ze zich aangekleed had, keek ze in de spiegel en dacht: "Ik wou dat ze mij thuis zoo eens zagen." In de tweede kamer stond een heerlijk ontbijt voor haar klaar en zag ze de bok in de gang op haar wachten. Ze streelde hem eerst over zijn lange witte haren, en ging daarna van al het klaargezette lekkers wat proeven. Toen ze genoeg had ging ze weer met de bok in de tuin, waar ze bloemen plukte, speelde, op de rug van de bok ging zitten die dan een eind met haar voort liep. Wanneer ze behoefte aan eten of drinken had, stond het lekkerste onmiddellijk voor haar klaar. Het meisje had het zoo prettig dat ze eenige dagen niet naar huis verlangde, maar de zesde dag kon ze het niet langer uithouden, maar verlangde naar haar vader. Nadat ze beloofd had dezelfde avond terug te zullen gaan, zei de bok: "Ga dan maar op mijn rug zitten, dan zal ik je naar huis dragen." Een klein eindje van de tuin af lag op de weg die de bok overging een glazen brugje, waar hij met een groote sprong over heen ging. Allen waren blijde haar weer thuis te hebben, en deden veel moeite haar over te halen om bij hen te blijven, maar ze wilde niet; ze deed wat ze beloofd had en ging 's avonds met de bok naar huis.
Eenige dagen later bragt de bok haar weer naar huis. De vader deed toen een slaapmiddel in een glaasje wijn en gaf het zijn dochtertje te drinken, die spoedig in slaap viel. Toen nam hij een stok en joeg de bok weg.
Het meisje sliep eenige uuren en vroeg toen ze wakker werd dadelijk naar de bok. Haar vader zeide dat de bok weg was en zij nu weer bij hen mogt blijven, maar daar wilde ze niet van horen. Schreijende liep ze de weg op, doch ze zag de bok niet meer. Ze liep door totdat ze bij het glazen brugje kwam. Om daar over te komen moest men voor iedere stap wat neerleggen, anders brak de brug. Ze zocht daarom eenige steentjes op, en lag telkens een steentje bij iedere stap. Zoo kwam ze tot bijna het einde van de brug, maar helaas! Ze had één steentje te kort. Terug kon ze niet gaan, want al de steentjes waren weg gegleden. Ze wilde toch naar de bok toe, en daarom beet ze haar kleine pink af, wat haar wel veel pijn deed, en lag die op de brug voor de laatste stap en was er gelukkig over. Ze zag de bok reeds van verre treurig heen en weer loopen, maar toen hij haar zag sprong hij van vreugde in de hoogte, liet haar op zijn rug zitten en bragt haar naar haar slaapkamertje.
Daarna gingen er weer eenige dagen prettig voorbij; wel zag de bok het meisje meer dan smeekend aan, doch het meisje wist niet wat hij daarmee meende en huppelde vrolijk verder, terwijl de bok haar gedwee volgde. Op een morgen aan het ontbijt komende, vond ze de bok niet als gewoonlijk in de gang. Ze zocht het geheele huis door, doch hij was nergens te vinden. Toen ging ze in de tuin en zocht ook daar overal, tot ze hem eindelijk zag liggen op de plek, waar het zingende roosje had gestaan. Vlug liep ze er heen, maar hoe schrikte zij, toen ze zag dat de bok dood was. Ze knielde huilende bij hem neer, sloeg haar armen om zijn hals en kuste hem op zijn kop. Dadelijk veranderde de bok in een schoone prins en sprong vlug overeind en nam het verbaasde meisje bij de hand.
Hij vertelde dat hij ongehoorzaam was geweest, daarom door een toovergodin in een bok was veranderd, die gezegd had, dat hij alleen door de kus van een schoon en deugdzaam jong meisje weer zijn vroegere gedaante aan kon nemen. Hij had haar daarom zoo dikwijls smeekend aangekeken, op hoop dat zij hem een kus zou geven, want hij had haar zeer lief.
Nu was alle leed vergeten, de prins huwde met het meisje en toonde aan iedereen, hoe zijn vrouwtje uit liefde voor hem haar kleine pink had afgebeten.
Onderwerp
AT 0425C - Beauty and the Beast   
ATU 0425C - Beauty and the Beast.   
Beschrijving
Als een vader een zingende roos plukt voor zijn jongste dochter, wordt hij betrapt door een bok. De bok dreigt hem te vermoorden, tenzij de man belooft hem datgene te sturen, wat hem bij thuiskomt het eerst tegemoet rent. Als de man naar huis gaat komt hij zijn jongste dochter het eerst tegen. Zij gaat naar het huis van de bok en wordt daar zeer gastvrij behandeld. Na zes dagen wil ze naar huis om haar familie te zien. De bok brengt haar weg op zijn rug en haalt haar ook weer op. De tweede keer dat het meisje naar huis gaat, stopt de vader een slaapmiddel in haar drank en jaagt de bok weg. Als het meisje wakker wordt gaat ze onmiddellijk op zoek naar de bok. Hierbij moet ze over een glazen bruggetje lopen dat alleen heel blijft als ze bij elke stap iets neerlegt. Ze komt een steentje tekort, en moet daarom haar pink afbijten en neerleggen om aan de overkant te komen. Als ze bij de bok aan komt ligt hij dood in de tuin. Het meisje huilt en kust de bok op zijn kop, waardoor de bok verandert in een prins. Hij vertelt dat hij ongehoorzaam is geweest en daarom door een toverheks is veranderd in een bok. De kus van een lief meisje zou de betovering weer ongedaan maken. De prins en het meisje gaan trouwen.
Bron
Collectie Boekenoogen (archief Meertens Instituut)
Commentaar
februari 1893
In een eerdere brief melden de dames: Wij kennen ook nog een sprookje van een betooverde bok en een glazen brugje, doch daar er een dergelijk sprookje bestaat in het Engelsch, weten wij niet of dit van uw gading is.
Beauty and The Beast
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
