Hoofdtekst
M: Theo Meder
G: "Nee... [lange stilte] Die kleine boerderijen, dat waren voor een deel ook nog wel... ik heb er een stuk of wat gekend, die als boerenknecht werkten, centjes sparen gingen en dan voor zichzelf met een paar koeien begonnen. Een koe of vier, vijf. Het volgend jaar er eentje bij. Ze konden er een weggetje bij huren, een weggetje of een dijk om te maaien en zo hooi te winnen. Dan konden ze weer een paar koeien meer houden. Zulke boeren zaten er ook verschillende. Kleine boeren die betrekkelijk weinig land hadden, maar door het pachten van zeedijken, de IJsselmeerdijken, en de wegen - die werden vroeger ook met de zeis gemaaid en gehooid - daar wonnen ze hooi van. En dan wat los erbij werken, bij een grote boer. Ja. Maar, o, wat ik nou zei: vroeger wist je dus van a tot z wie er in ons dorp woonde. En een maand geleden sta ik hier op de brug, en er komt een man langs met een hond, en ik was ook met de hond, dus we hebben een praatje. Ik zeg tegen die meneer: 'U schijnt hier wel een beetje bekend te wezen. Woont u hier?' 'Ja,' zegt 'ie: 'Ik woon hier al zeventien jaar'. Ik kende de man niet. Vroeger was het meer een dorpsgeméenschap. Dat wil zeggen, gemeenschap, je kende mekaar. Als er iemand gestorven was, dan kwam de aanzegger rond, die van het overlijden kond deed, zoals men dat noemde. Iedereen kende iedereen. Iedereen wist van het wel en wee van de ander. Dat kon meeleven betekenen, maar dat zit meer in de aard van de mensen. Maar dat mis je nu in het dorp. Het is nu een dorp van mensen die hun werk elders hebben. De dorpsmensen bestonden dus uit een paar elite; dat waren mensen die meer als normaal geleerd hadden en een ambtelijke functie hadden: dokter of... De rest waren allemaal gewone mensen, lagere school mensen: òf een bedrijffie, òf een arbeider, noem maar op: al wat er maar bestaat. En nu... In de Gouden Eeuw, 1600-1700, toen waren er dus, nèt als nu, een bubs welgestelde koopvaarders, die de schepen op Indië had varen, of in de houthandel op de Oostzee. Daar waren d'r ook verschillende. Die gingen hier eigendommen kopen. Achter op mijn erf - de fundering zit er nog - heeft een pakhuis gestaan van een walvisvaarder. Dat is historisch! Deze boerderij is gebouwd door de familie Ditmars. Z'n graf ligt in de kerk. Eén van de bestuurderen - hoe noemde je dat toen? - de baljuwen (al zulke vreemde namen), die bestuurden het dorp, en dat waren rijke Amsterdammers, die hier een huis gingen bouwen. En da's gebeurd ook. Hier net over het bruggetje is ons kerkhof. Op dat kerkhof heeft een villa gestaan, die werd gebouwd door deze man, en naar verluidt - het is geen fabeltje - heeft 'ie er dertig jaar gewoond en toen heeft 'ie het laten slopen. Waarom, dat weet ik niet. De historie vertelt het niet. Maar hij heeft het gesloopt, en dat was juist in de tijd, dat er in onze kerk niet meer begraven mocht worden, in of om de kerk. En toen heeft de gemeente die grond gekocht en heeft er een kerkhof gemaakt. En dat ik op school liep - en dat was in de Eerste Wereldoorlog '14-'18 - toen was de gemeente zo voortvarend om een schuit aardappelen te kopen. En waar die villa gestaan heb, daar is de kelder blijven bestaan, naast het kerkhof, met een uitgang naar een paadje naar een stuk weiland. En dat paadje (wij als jongens komen overal): paadje langs, achter het kerkhof kijken, en door de heining die daar stond liep een trapje naar beneden naar die kelder van dat oude huis. En in de Eerste Wereldoorlog zat die kelder vol aardappelen. En toen zei mijn moeder: 'Jongen, daar moeten wij geen aardappelen houden, vlak bij die dooie mensen'. Dat vond ze maar niks! Ja, maar wat ik bedoel te zeggen is: toen waren er enkele welgestelde mensen, die hier ook met hun geld veel goed gedaan hebben. Want de kerk (daar ben ik nogal bekend mee) daar hangen hele mooie kronen, kaarsenkronen, geschonken door die mensen. Een preekstoel van ebbenhout, rozenhout en palisander - een pachtige preekstoel - een geschenk van Grietje Jans, die trouwde in zestienhonderd-zoveel, en die schonk de kerk die mooie preekstoel. En als ik dan in de oude boeken van Bruigom - heb u van Bruigom gehoord?"
M: "Ja."
G: "Dan ken je lezen dat er in de kerk gevraagd werd om geld - want d'r was armoed in 't dorp. En d'r was natuurlijk geen brood op tafel - niet armoed dat je... we kennen nou naar de bijstand van: ik moet een wasmachine hebben... nee, er was niet te eten. En dan waren het die mensen, die belangrijke giften gaven, waardoor ook de diaconie geld heeft gekregen, waar ze die arme mensen mee steunen konden. En d'r is een schitterend verhaaltje geweest, van 't diaconie-mannetje... En wat ook in zeker opzicht terecht was: dat de arme met de pet in de hand naar meneer de diaken moest om een gift te vragen. Maar wel moet ik zeggen, dat het toen, in die tijd, laten we dat maar zeggen, in Godsnaam nog de kerk was, die tenminste wat deed! De overheid deed niks. Drees was er nog niet. Maar de kerk deed tenminste nog wat. En je moest dan wel bij bepaalde mensen terecht kommen, want er moeten mensen zijn. Net zo goed als je nu geeft voor Artsen Zonder Grenzen. Dan zijn er mensen die over het geld gaan. En laatst had ik een gesprek met iemand, die zegt: 'Dat gaat onder de strijkstok hangen.' Ik zeg: 'Ja, maar als je zó praat, dan kennen we wel stoppen. Dan gebeurt er niks!' Dat er geld nodig is om dat uit te voeren, dat is logisch. Maar om daardoor te zeggen: ik geef niets, want het blijft toch aan de strijkstok hangen, dan ben je verkeerd bezig. Maar, dat over die rijke mensen die hier kwamen wonen. D'r heeft hier een familie Pater gewoond - van Neeltje Pater - en dat Neeltje Pater gestorven is... D'r kapitalen staan op de Bank van Engeland. Dat verhaal dat kent u wel."
M: "Ja."
G: "Of het waar is, weet niemand. Wat wèl waar was: dat Neeltje ook wel sociaalvoelend was, want die schonk een kapitaal van, laten we zeggen, een ton - wat nou bekeken een miljoenenkwestie is - aan onze gemeente, om van de rente van die gelden de behoeftige mensen van ons dorp te ondersteunen. En een familie Kooker, die heeft datzelfde gedaan, met een kleiner bedrag, maar ook vastgezet op de Nederlandse Bank: de rente van die gelden zijn verzekerd. En nu hebt u het twijfelachtige genoegen om kennis te maken met de laatste beheerder van die twee fondsen: want dat was ik!"
M: "Dat was u!"
G: "Dat die mensen gestorven zijn, toen is er door de notaris een beheerder aangesteld. Door de notaris aangesteld met voorschriften enzovoort, die moest zorgen dat dat geld terechtkwam waar de erflaatster het voor geschonken heeft. Zeg maar 40 jaar geleden toen is de bewindvoerder - noemde je dat officieel - de bewindvoerder was gestorven. Toen werd een ander benoemd, toen werd ik benoemd als bewindvoerder. En dat ben ik geweest en ik durf naar eer en geweten te zeggen dat ik eerlijk en getrouw getracht heb de gelden te besteden waar het nodig was. Zonder aanzien des persoons - wat dat zeggen wil: vriendjespolitiek enzovoorts, dat was er niet bij. Toen is Drees gekomen. Toen mocht er niemand wezen die van zo'n fondsie afhankelijk was, want er werd voor gezorgd. Toen kwam dus via Drees het recht dat iemand die in de penarie zit, geholpen werd, of het goed of genoeg of wat ook... Maar er werd ècht goed aan gewerkt, en dat was een recht voor de mensen die het nodig hadden. Toen ben ik naar B&W gestapt, en heb gezegd: 'Die twee fondsen, dat is eigenlijk een vijfde wiel aan de wagen.' En daar heb ik dus een paar keer over gepraat, en toen is er besloten om die fondsen over te hevelen in de sociale dienst van onze gemeente. Dat is gebeurd. En hoe het op dit ogenblik zit, dat weet ik niet. Want ik zit niet in de gemeenteraad, ik heb er nooit in gezeten. Ze hebben me ettelijke keren gevraagd, maar ik heb het nooit gedaan. Ik hield niet van politiek. Dus dat heb ik nooit gedaan. Maar dat geld was natuurlijk bestemd voor de behoeftige mensen. Ik hoop dat de gelden die van die fondsen betrokken worden voor dat doel nog gebruikt worden. Maar dat waren dus ook welgestelde mensen, die aan de minder bedeelden dachten."
M: "Broek is dus in de 17e eeuw heel rijk geweest, met veel rijke bewoners."
G: "Ja."
M: "Dat is in de 18e eeuw wat minder geworden. In de 19e eeuw komt dan de boerenbevolking..."
G: "En nu, na de oorlog..."
M: "Is het weer..."
G: "Eigenlijk ook na Drees. Daardoor is de hele toestand veranderd..."
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Gouden Eeuw   
Oostzee   
Ditmars   
Eerste Wereldoorlog   
Bruigom   
Artsen Zonder Grenzen   
Neeltje Pater   
Bank van Engeland   
Kooker   
B&W   
Naam Locatie in Tekst
IJsselmeerdijk   
Indië   
Drees   
