Hoofdtekst
Hoe Ulenspiegel een man antwoordde die naar de weg vroeg
Toen Ulenspiegel nog een kind was, waren zijn ouders eens uitgegaan en ze hadden hem alleen thuisgelaten. Er kwam een man langs het huis gereden om naar de weg te vragen. Maar omdat hij niemand zag, riep hij: "Is er iemand thuis?"
Toen antwoordde de kleine Ulenspiegel: "Jawel, anderhalve man en een paardenkop, want jij bent met je halve lijf in het huis, samen met de kop van het paard, en ik ben een hele man."
Toen vroeg de man: "Waar zijn je vader en moeder?"
Toen zei het kind: "Mijn vader is van kwaad erger gaan maken en mijn moeder zorgt voor schade en schande."
De man zei: "Wat wil je daarmee zeggen?"
En Ulenspiegel zei: "Mijn vader maakt een slechte weg nog slechter, want hij maakt putten in het ingezaaide land zodat men er niet overheen kan rijden. En mijn moeder leent brood. Als ze minder teruggeeft, is dat schande; geeft ze teveel terug, dan is het schade."
Toen vroeg de man: "Welke kant moet ik uitrijden?"
Het kind antwoordde: "Waar de ganzen lopen."
En toen de man erheen reed, vlogen de ganzen in het water.
De man twijfelde, reed weer terug en zei: "De ganzen zijn in 't water gevlogen. Hoe moet ik nu rijden?"
Ulenspiegel zei: "Je moest rijden waar de ganzen liepen, niet waar ze zwommen."
De man reed weg en was zeer verbaasd over de wijze antwoorden van het kind. Later zal het een wijs en verstandig man worden, dacht hij. En dat is ook zo, zoals ieder in dit boek kan lezen.
Toen Ulenspiegel nog een kind was, waren zijn ouders eens uitgegaan en ze hadden hem alleen thuisgelaten. Er kwam een man langs het huis gereden om naar de weg te vragen. Maar omdat hij niemand zag, riep hij: "Is er iemand thuis?"
Toen antwoordde de kleine Ulenspiegel: "Jawel, anderhalve man en een paardenkop, want jij bent met je halve lijf in het huis, samen met de kop van het paard, en ik ben een hele man."
Toen vroeg de man: "Waar zijn je vader en moeder?"
Toen zei het kind: "Mijn vader is van kwaad erger gaan maken en mijn moeder zorgt voor schade en schande."
De man zei: "Wat wil je daarmee zeggen?"
En Ulenspiegel zei: "Mijn vader maakt een slechte weg nog slechter, want hij maakt putten in het ingezaaide land zodat men er niet overheen kan rijden. En mijn moeder leent brood. Als ze minder teruggeeft, is dat schande; geeft ze teveel terug, dan is het schade."
Toen vroeg de man: "Welke kant moet ik uitrijden?"
Het kind antwoordde: "Waar de ganzen lopen."
En toen de man erheen reed, vlogen de ganzen in het water.
De man twijfelde, reed weer terug en zei: "De ganzen zijn in 't water gevlogen. Hoe moet ik nu rijden?"
Ulenspiegel zei: "Je moest rijden waar de ganzen liepen, niet waar ze zwommen."
De man reed weg en was zeer verbaasd over de wijze antwoorden van het kind. Later zal het een wijs en verstandig man worden, dacht hij. En dat is ook zo, zoals ieder in dit boek kan lezen.
Onderwerp
AT 0921 - The king and the peasant's son   
ATU 0921 - The King and the Farmer’s Son.   
AT 1635* - Eulenspiegel's Tricks   
ATU 1635* - Eulenspiegel’s Tricks   
VDK 1635* - Eulenspiegel's Tricks   
Beschrijving
Een man te paard kijkt het huis van Uilenspiegel in en vraagt wie er thuis is. De jonge Uilenspiegel antwoordt: anderhalve man en een paardenkop. Hierna vraagt de man naar zijn ouders, en hij vraagt de weg. Uilenspiegel laat hem de ganzen volgen.
Bron
Wonderbaarlijke en zeldzame Historie van Thyl Ulenspiegel. Hertaald en ingeleid door Guy Segers en Patricia Visscher. Tweede druk. Leuven 1996, pp. 29-30.
Commentaar
Dit verhaal komt uit een complete hertaling van een volksboekje uit 1790, gedrukt in Deventer.
Naam Overig in Tekst
Tijl Uilenspiegel   
Plaats van Handelen
Kneitlingen   
