Hoofdtekst
Onze Lieve Heer en de Schoenmaker.
Op 'ne(n) keer dat Onz' Heer een' wandeling deed, trok Hij voorbij 't huis van 'nen
schoenmaker, die aan 't zingen was, zingen, manlief, dat ge 't een half uur ver kost
hooren. Maar zijn venster stond open, moet ge weten. Als Onz' Heer dat zag, ging
Hij recht bij hem en zei: ‘Ge zijt zoo plezierig, schoenmaker. Er is tegenwoordig
zeker een schoon oordje te verdienen met uwen stiel?’
‘Jomme 't en duut, Onz' Hieër,’ antwoordde de schoenmaker, ‘as ekik ver men
vra en kinjeren, het duigelijksch broeëd ka verdienen, ben ekik ten ouëtersten
kontentj.’
‘Ewel, als het zoo is,’ zei Onz' Heer, ‘ga dan liever met mij mee; bij mij kunde
meer geld winnen. Maar, 'k heb u één' conditie te stellen: ge moet u schikken naar
mij; eten als ik eet, en slapen als ik slaap.’
De schoenmaker was seffens kontent en zijn' vrouw ook, en een beetje nadien
was hij met Onz' Heer op route.
Als ze 'nen langen tijd gegaan hadden, zonder nat of droog te proffenteeren, zei
de schoenmaker: ‘Onz' Hieër jongen, ik kroijg ekik honger, zelle.’
‘Eten als ik eet,’ zei Onz' Heer, ‘zijde mijn conditie al vergeten, misschien?’
‘Jomme, dat es allemou guud en wel,’ zei de schoenmaker, ‘mou flees muut ekik
mij luiten vallen van flate.’
‘Ewel,’ zei Onz'Heer, ‘in de naaste stad zullen wij eten, eer niet.’
Ten langen leste, kwamen ze in 't stad, en de schoenmaker kreeg geld om een
schaap gaan ie koopen en gereed te maken.
‘Binnen 'n uurken zal ik bij u zijn,’ zei Onz' Heer, ‘ik ga eerst nog 'n toerken doen’.
De schoenmaker kocht bij den beenhouwer een schaap en maakte't gereed. Maar
intusschentijd had de sukkelaar grooten, fameuzen grooten honger gekregen, - en
Onz' Heer bleef zoolang weg - dat hij niet meer wachten en kost van t'eten. En met
de grootste goeste van de wereld speelde hij 't hert van 't schaap binnen, en 't
smaakte hem toch zoo goed!
Nen pink daarna kwam Onz' Heer toe, en Hij zag seffens wat dat de schoenmaker
gedaan had. ‘Waar is 't hert van 't schaap?’ vroeg Hij.
‘'k En em 't nie gezien,’ zei de schoenmaker, ‘den bieënhaver hê-ge't mij azoeë
verkocht; hij za-d-er hij zelf 't het ouëtgoëldj (= hert uitgehaald) emmen.’
‘Vodden, vodden,’ zei Onz' Heer; ‘dat en doen de beenhouwers niet’
‘Tein es't e schuip geweest zonder het,’ zei de schoenmaker.
‘Flauwe praat,’ zei Onz' Heer, ‘alle schapen hebben een hert; zou “ik” dat niet
weten.’
Maar Hij en wou geen ruzie maken en zweeg. - Er wierd gegeten, een beetje
gerust, en daarmee waren ze weer op de been.
Eindelinge kwamen z(e) in 'n tweede stad. En als de schoenmaker sprak van eten, zei Onz' Heer, dat Hij al zijn geld kwijt was.
‘Wa zem-men tein beginnen, Onz' Heer jongen?’ vroeg de schoenmaker. ‘Kinje-gij
gieëne stiel? Ne maan gelijk goij kintj toch iet, zekes?’
‘Ha!’ zei Onz' Heer, ‘ik kan dooden doen levend worden’.
‘Es da wour!’ zei de schoenmaker met verwondering, ‘tein en riskeere-men niet;
wij zellen dat in 't stad duun ouëtbellen’.
Zoo gezeid, zoo gedaan. Nu, de koningsdochter was daar percies gestorven, en
seffens wierd Onz' Heer in den koning zijn paleis ontboden. - Als Hij daar toekwam,
vroeg Hij 'nen ketel, hout en vuur, en 'n kamer apaart. Zoogauw als Hij zijn gerief
had, ging Hij aan 't werk. De schoenmaker alleen mocht er bij zijn. - Onz' Heer lei
't lijk van de koningsdochter in den ketel, en begost er vuur onder te maken, om er
't vet af te smelten. Als dat gedaan was, pakte Hij de beenen uit den ketel, en zette
die weer goed ineen. En over dat geraamte goot Hij dan het afgesmolten vet. Daarna
sloeg Hij met zijnen stok op tafel, en op denzelfden moment wierd de koningsdochter
levendig.
Ge kunt pei(n)zen, hoe blij dat de ouders waren! Onz' Heer en de schoenmaker
kregen eten en drinken, zooveel als ze maar en wouën. En de koning prizenteerde
hun veel, veel geld, maar Onz' Heer en wou niets aanpakken. Dan vertrok hij met
zijnen kameraad. Deze zette 'n vieze lip. ‘Onz' Hieër jongen’, zegde hij, ‘azoeë
zem-men áttens eve roijk bloijven. En ik ben ekik mee-a meegeguin, om geldj te
verdienen, wetje dadde. Op doij manier en zem-men nie t'akkoot geruiken, en dorom, 't beste da'k kaan duun, es-t-er van deer trekken. Onz' Hieër jongen, goeijen dag, zelle, ik ben weg.’ En de schoenmaker sloeg 'n ander' baan in.
‘Ik kaan ekik na toch oeëk doeë lêveteg muiken’ pei(n)sde hij in zijn eigen, en
da's ne goeije stiel’. - En nu ging hij maar altijd voort, totdat hij ten langen leste weer
in 'n stad kwam. Daar deed hij overal uitbellen, dat hij dooden kost doen herleven.
En 't wou nu percies lukken, dat de keizer van die stad in een lijk lag. Seffens
wierd er de schoenmaker bijgeroepen. Juist gelijk zijn meester vroeg hij 'nen grooten
ketel, met hout en vuur, en 'n kamer apaart. - Als 't vet allemaal afgesmolten was,
paste hij de beenen weer in malkander, en goot den ketel over 't geraamte. Maar
als hij nu op tafel sloeg, en kwam er geen leven in 't geraamte.
‘Onz' Hieër sleeg masschien hetler’, peinsde hij in zijn eigen, en hij sloeg harder
op tafel, maar 't geraamte en verroerde hem niet. ‘Onz' Hieër sleeg masschien nog
hetter,’ peinsde de schoenmaker, maar hij had schoon bovenarms op tafel te
dorschen, zooveel als hij maar eeuwig en kost, de keizer was dood en bleef dood.
Ondertusschen stond de familie van verre af te luisteren, wat dat daar in de kamer
van den schoenmaker omging. Maar dat lang wachten en dat verduiveld lawijt begost
hun te verdrieten. ‘Die kerel is zot’, zei de een tegen den anderen, ‘willen wij gaan
zien, wat hij uitzet?’ En ze liepen naar zijn' kamer. Als ze daar dat geraamte zagen,
en dat vet in den vloer, schoten ze in 'n fransche colère, pakten den schoenmaker
bij zijn' schabbernak en veroordeelden hem, om seffens opgehangen ie worden.
En à la miniet sleepten ze hem naar de galg. En als de dompelaar nu op de leer
stond, zegde hij in zijn zelven: ‘Och God, dat Onz' Hieër hier na wour, Hij zoo mij helpen! Dat-en mij hier ne ker zuig stuin.’ En in éénen keer zag hij ginder, tusschen 't volk, Onz' Heer komen, die hem haastte om dáár te zijn, want Hij had den schoenmaker al herkend. Onz' Heer moest dremmen, om door te geraken, maar Hij kwam nog in tijds, om voor zijnen kameraad ten beste te spreken.
En als Hij nu hoorde wat dat er gebeurd was, beloofde Hij van den keizer te doen
levendig worden, in geval dat ze den schoenmaker loslieten. Dat wierd seffens
toegestaan. Onz' Heer trok toen mee naar 't paleis en vroeg daar 't geen dat Hij van
doen had. Dan sloot Hij hem met den schoenmaker - bij den doode, - in 'n kamer
op. En korts nadien stond de keizer weer gezond en frisch te midden van zijn' familie.
‘Tuu, Onz' Hieër jongen, vruig na ne ville(n) zak gaad ver a moeitje,’ vezelde de
schoenmaker Hem in zijn' ooren. - En als de keizer vroeg hoeveel dat hij schuldig
was, antwoordde Onz' Heer: ‘Ewel, geef mijnen kameraad zooveel geld, als hij
dragen kan.’ - De keizer deed 'ne zak met goud vullen, maar de schoenmaker en
kost hem van den grond niet lichten. Er wierd dan wederom 'nen deel uitgepakt,
totdat de schoenmaker eindelinge zei, dat hij den zak kost dragen, alhoewel hij hem
maar reszekens en kost opheffen. Nu vertrok Onz' Heer met zijnen kameraad, die
gedurig moest rusten, want het geld overwoog hem te nijg.
‘Tuu, Onz' Hieër jongen’, zegde hij van tijd tot tijd, ‘druig goij ne ker en betjen, 'k
ben zoeë moeij.’ Maar Onz' Heer en wou niet. ‘Ge weet, immers,’ zegde Hij, ‘wat ik
gezeid heb: neem zooveel geld, als ge dragen kunt. Is 't u te zwaar, smijt eenige
handvollen weg.’
‘Gaad op struit smoijten, da wour te veel gravelijk,’ zei de schoenmaker, die liever
voort te sukkelen had, en nog honderd keeren meer te rusten, dan zoo'n dingen te
doen.
'n Tijken daarna kwamen ze aan 'n rivier, waar dat z(e) over moesten. Onz' Heer
wandelde op 't water en de schoenmaker volgde hem op. Maar in éénen keer begost
kadee te zinken en om hulp te roepen. ‘Ewel,’ zei Onz' Heer, ‘ik zal er u uithelpen,
maar eerst moet ge mij zeggen, wie 't hert van 't schaap opgeëten heeft.’ - ‘Ik toch
niet,’ zei de schoenmaker, en met den anderen zonk hij tot onder zijn' armen in 't
water. Onz' Heer herhaalde zijn' vraag, maar kreeg hetzelfde antwoord. En de
schoenmaker zakte er in tot aan zijn' kinne. Onz' Heer vroeg het voor den derden
keer, en toch bleef de schoenmaker antwoorden: ‘ik toch niet.’ En hij zonk nog dieper
om dieper. Maar op den duur kreeg Onz' Heer kompasje met den sukkelaar, en liet
hem boven komen, want Hij pei(n)sde in zijn eigen ‘ge zultu straks wel rechtuit
biechten.’
Als ze nu nog 'nen g'heelen tijd gegaan hadden en al dicht tegen den schoenmaker
zijn huis waren, zei Onz' Heer, terwijl Hij bleef staan: ‘Laat ons hier nu ons geld
verdeelen,’ en Hij lei drij hoopen. ‘Jomme, Onz' Hieër jongen,’ ge zaitj mis,’ zei de
schoenmaker; ‘ge mokt droij hoeëpen, en w'en zijn mou sen twieën.’
‘Zij gerust,’ zei Onz' Heer, ‘'k weet genoeg wat ik doe. Zie, de eerste hoop is voor
u; de tweede voor mij, en de derde voor den diën, die 't hert van 't schaap opgeëten
heeft.’
‘Tein es-en ve(r) moij,’ riep de kerel seffens, ‘ik em 't opgeten, ikke.’
‘'k Wist het wel,’ zei Onz' Heer; ‘in alle geval, dan hebde gij twee hoopen.’
Als de schoenmaker met zijn geld thuis kwam, was 't er volle kermis; en zijn z' er
niet uitgescheiden van koeken bakken, dan zijn ze nog bezig.
Denderleeuw.
A. DE COCK.
Op 'ne(n) keer dat Onz' Heer een' wandeling deed, trok Hij voorbij 't huis van 'nen
schoenmaker, die aan 't zingen was, zingen, manlief, dat ge 't een half uur ver kost
hooren. Maar zijn venster stond open, moet ge weten. Als Onz' Heer dat zag, ging
Hij recht bij hem en zei: ‘Ge zijt zoo plezierig, schoenmaker. Er is tegenwoordig
zeker een schoon oordje te verdienen met uwen stiel?’
‘Jomme 't en duut, Onz' Hieër,’ antwoordde de schoenmaker, ‘as ekik ver men
vra en kinjeren, het duigelijksch broeëd ka verdienen, ben ekik ten ouëtersten
kontentj.’
‘Ewel, als het zoo is,’ zei Onz' Heer, ‘ga dan liever met mij mee; bij mij kunde
meer geld winnen. Maar, 'k heb u één' conditie te stellen: ge moet u schikken naar
mij; eten als ik eet, en slapen als ik slaap.’
De schoenmaker was seffens kontent en zijn' vrouw ook, en een beetje nadien
was hij met Onz' Heer op route.
Als ze 'nen langen tijd gegaan hadden, zonder nat of droog te proffenteeren, zei
de schoenmaker: ‘Onz' Hieër jongen, ik kroijg ekik honger, zelle.’
‘Eten als ik eet,’ zei Onz' Heer, ‘zijde mijn conditie al vergeten, misschien?’
‘Jomme, dat es allemou guud en wel,’ zei de schoenmaker, ‘mou flees muut ekik
mij luiten vallen van flate.’
‘Ewel,’ zei Onz'Heer, ‘in de naaste stad zullen wij eten, eer niet.’
Ten langen leste, kwamen ze in 't stad, en de schoenmaker kreeg geld om een
schaap gaan ie koopen en gereed te maken.
‘Binnen 'n uurken zal ik bij u zijn,’ zei Onz' Heer, ‘ik ga eerst nog 'n toerken doen’.
De schoenmaker kocht bij den beenhouwer een schaap en maakte't gereed. Maar
intusschentijd had de sukkelaar grooten, fameuzen grooten honger gekregen, - en
Onz' Heer bleef zoolang weg - dat hij niet meer wachten en kost van t'eten. En met
de grootste goeste van de wereld speelde hij 't hert van 't schaap binnen, en 't
smaakte hem toch zoo goed!
Nen pink daarna kwam Onz' Heer toe, en Hij zag seffens wat dat de schoenmaker
gedaan had. ‘Waar is 't hert van 't schaap?’ vroeg Hij.
‘'k En em 't nie gezien,’ zei de schoenmaker, ‘den bieënhaver hê-ge't mij azoeë
verkocht; hij za-d-er hij zelf 't het ouëtgoëldj (= hert uitgehaald) emmen.’
‘Vodden, vodden,’ zei Onz' Heer; ‘dat en doen de beenhouwers niet’
‘Tein es't e schuip geweest zonder het,’ zei de schoenmaker.
‘Flauwe praat,’ zei Onz' Heer, ‘alle schapen hebben een hert; zou “ik” dat niet
weten.’
Maar Hij en wou geen ruzie maken en zweeg. - Er wierd gegeten, een beetje
gerust, en daarmee waren ze weer op de been.
Eindelinge kwamen z(e) in 'n tweede stad. En als de schoenmaker sprak van eten, zei Onz' Heer, dat Hij al zijn geld kwijt was.
‘Wa zem-men tein beginnen, Onz' Heer jongen?’ vroeg de schoenmaker. ‘Kinje-gij
gieëne stiel? Ne maan gelijk goij kintj toch iet, zekes?’
‘Ha!’ zei Onz' Heer, ‘ik kan dooden doen levend worden’.
‘Es da wour!’ zei de schoenmaker met verwondering, ‘tein en riskeere-men niet;
wij zellen dat in 't stad duun ouëtbellen’.
Zoo gezeid, zoo gedaan. Nu, de koningsdochter was daar percies gestorven, en
seffens wierd Onz' Heer in den koning zijn paleis ontboden. - Als Hij daar toekwam,
vroeg Hij 'nen ketel, hout en vuur, en 'n kamer apaart. Zoogauw als Hij zijn gerief
had, ging Hij aan 't werk. De schoenmaker alleen mocht er bij zijn. - Onz' Heer lei
't lijk van de koningsdochter in den ketel, en begost er vuur onder te maken, om er
't vet af te smelten. Als dat gedaan was, pakte Hij de beenen uit den ketel, en zette
die weer goed ineen. En over dat geraamte goot Hij dan het afgesmolten vet. Daarna
sloeg Hij met zijnen stok op tafel, en op denzelfden moment wierd de koningsdochter
levendig.
Ge kunt pei(n)zen, hoe blij dat de ouders waren! Onz' Heer en de schoenmaker
kregen eten en drinken, zooveel als ze maar en wouën. En de koning prizenteerde
hun veel, veel geld, maar Onz' Heer en wou niets aanpakken. Dan vertrok hij met
zijnen kameraad. Deze zette 'n vieze lip. ‘Onz' Hieër jongen’, zegde hij, ‘azoeë
zem-men áttens eve roijk bloijven. En ik ben ekik mee-a meegeguin, om geldj te
verdienen, wetje dadde. Op doij manier en zem-men nie t'akkoot geruiken, en dorom, 't beste da'k kaan duun, es-t-er van deer trekken. Onz' Hieër jongen, goeijen dag, zelle, ik ben weg.’ En de schoenmaker sloeg 'n ander' baan in.
‘Ik kaan ekik na toch oeëk doeë lêveteg muiken’ pei(n)sde hij in zijn eigen, en
da's ne goeije stiel’. - En nu ging hij maar altijd voort, totdat hij ten langen leste weer
in 'n stad kwam. Daar deed hij overal uitbellen, dat hij dooden kost doen herleven.
En 't wou nu percies lukken, dat de keizer van die stad in een lijk lag. Seffens
wierd er de schoenmaker bijgeroepen. Juist gelijk zijn meester vroeg hij 'nen grooten
ketel, met hout en vuur, en 'n kamer apaart. - Als 't vet allemaal afgesmolten was,
paste hij de beenen weer in malkander, en goot den ketel over 't geraamte. Maar
als hij nu op tafel sloeg, en kwam er geen leven in 't geraamte.
‘Onz' Hieër sleeg masschien hetler’, peinsde hij in zijn eigen, en hij sloeg harder
op tafel, maar 't geraamte en verroerde hem niet. ‘Onz' Hieër sleeg masschien nog
hetter,’ peinsde de schoenmaker, maar hij had schoon bovenarms op tafel te
dorschen, zooveel als hij maar eeuwig en kost, de keizer was dood en bleef dood.
Ondertusschen stond de familie van verre af te luisteren, wat dat daar in de kamer
van den schoenmaker omging. Maar dat lang wachten en dat verduiveld lawijt begost
hun te verdrieten. ‘Die kerel is zot’, zei de een tegen den anderen, ‘willen wij gaan
zien, wat hij uitzet?’ En ze liepen naar zijn' kamer. Als ze daar dat geraamte zagen,
en dat vet in den vloer, schoten ze in 'n fransche colère, pakten den schoenmaker
bij zijn' schabbernak en veroordeelden hem, om seffens opgehangen ie worden.
En à la miniet sleepten ze hem naar de galg. En als de dompelaar nu op de leer
stond, zegde hij in zijn zelven: ‘Och God, dat Onz' Hieër hier na wour, Hij zoo mij helpen! Dat-en mij hier ne ker zuig stuin.’ En in éénen keer zag hij ginder, tusschen 't volk, Onz' Heer komen, die hem haastte om dáár te zijn, want Hij had den schoenmaker al herkend. Onz' Heer moest dremmen, om door te geraken, maar Hij kwam nog in tijds, om voor zijnen kameraad ten beste te spreken.
En als Hij nu hoorde wat dat er gebeurd was, beloofde Hij van den keizer te doen
levendig worden, in geval dat ze den schoenmaker loslieten. Dat wierd seffens
toegestaan. Onz' Heer trok toen mee naar 't paleis en vroeg daar 't geen dat Hij van
doen had. Dan sloot Hij hem met den schoenmaker - bij den doode, - in 'n kamer
op. En korts nadien stond de keizer weer gezond en frisch te midden van zijn' familie.
‘Tuu, Onz' Hieër jongen, vruig na ne ville(n) zak gaad ver a moeitje,’ vezelde de
schoenmaker Hem in zijn' ooren. - En als de keizer vroeg hoeveel dat hij schuldig
was, antwoordde Onz' Heer: ‘Ewel, geef mijnen kameraad zooveel geld, als hij
dragen kan.’ - De keizer deed 'ne zak met goud vullen, maar de schoenmaker en
kost hem van den grond niet lichten. Er wierd dan wederom 'nen deel uitgepakt,
totdat de schoenmaker eindelinge zei, dat hij den zak kost dragen, alhoewel hij hem
maar reszekens en kost opheffen. Nu vertrok Onz' Heer met zijnen kameraad, die
gedurig moest rusten, want het geld overwoog hem te nijg.
‘Tuu, Onz' Hieër jongen’, zegde hij van tijd tot tijd, ‘druig goij ne ker en betjen, 'k
ben zoeë moeij.’ Maar Onz' Heer en wou niet. ‘Ge weet, immers,’ zegde Hij, ‘wat ik
gezeid heb: neem zooveel geld, als ge dragen kunt. Is 't u te zwaar, smijt eenige
handvollen weg.’
‘Gaad op struit smoijten, da wour te veel gravelijk,’ zei de schoenmaker, die liever
voort te sukkelen had, en nog honderd keeren meer te rusten, dan zoo'n dingen te
doen.
'n Tijken daarna kwamen ze aan 'n rivier, waar dat z(e) over moesten. Onz' Heer
wandelde op 't water en de schoenmaker volgde hem op. Maar in éénen keer begost
kadee te zinken en om hulp te roepen. ‘Ewel,’ zei Onz' Heer, ‘ik zal er u uithelpen,
maar eerst moet ge mij zeggen, wie 't hert van 't schaap opgeëten heeft.’ - ‘Ik toch
niet,’ zei de schoenmaker, en met den anderen zonk hij tot onder zijn' armen in 't
water. Onz' Heer herhaalde zijn' vraag, maar kreeg hetzelfde antwoord. En de
schoenmaker zakte er in tot aan zijn' kinne. Onz' Heer vroeg het voor den derden
keer, en toch bleef de schoenmaker antwoorden: ‘ik toch niet.’ En hij zonk nog dieper
om dieper. Maar op den duur kreeg Onz' Heer kompasje met den sukkelaar, en liet
hem boven komen, want Hij pei(n)sde in zijn eigen ‘ge zultu straks wel rechtuit
biechten.’
Als ze nu nog 'nen g'heelen tijd gegaan hadden en al dicht tegen den schoenmaker
zijn huis waren, zei Onz' Heer, terwijl Hij bleef staan: ‘Laat ons hier nu ons geld
verdeelen,’ en Hij lei drij hoopen. ‘Jomme, Onz' Hieër jongen,’ ge zaitj mis,’ zei de
schoenmaker; ‘ge mokt droij hoeëpen, en w'en zijn mou sen twieën.’
‘Zij gerust,’ zei Onz' Heer, ‘'k weet genoeg wat ik doe. Zie, de eerste hoop is voor
u; de tweede voor mij, en de derde voor den diën, die 't hert van 't schaap opgeëten
heeft.’
‘Tein es-en ve(r) moij,’ riep de kerel seffens, ‘ik em 't opgeten, ikke.’
‘'k Wist het wel,’ zei Onz' Heer; ‘in alle geval, dan hebde gij twee hoopen.’
Als de schoenmaker met zijn geld thuis kwam, was 't er volle kermis; en zijn z' er
niet uitgescheiden van koeken bakken, dan zijn ze nog bezig.
Denderleeuw.
A. DE COCK.
Onderwerp
AT 0785 - Who Ate the Lamb's Heart?   
ATU 0785 - Lamb’s Heart   
Beschrijving
Een arme schoenmaker gaat op pad met Onze-Lieve-Heer om wat geld te verdienen. Voorwaarde die Jezus stelt: eten als ik eet, slapen als ik slaap. De hongerige schoenmaker eet toch stiekem een schapenhart, maar wil niet bekennen dat hij dat gedaan heeft. Later laat Jezus zien hoe hij een gestorven prinses weer tot leven kan wekken. Als later hun wegen scheiden denkt de schoenmaker dat hij ook de overleden keizer wel weer tot leven kan wekken door Jezus na te doen (lijk koken tot geraamte overblijft, dan vet over het geraamte uitgieten en met een stok op de tafel slaan), maar dit mislukt hopeloos. De schoenmaker wordt tot de galg veroordeeld, maar wordt juist op tijd gered door Jezus, die alsnog de keizer uit de dood kan opwekken. De schoenmaker krijgt zoveel goud als hij kan dragen maar hij is te hebberig en kan zijn last niet lang tillen. Dan verdeelt Jezus het goud in drie hopen: één voor hem, één voor de schoenmaker en één voor de eter van het schapenhart. Dan biecht de schoenmaker uiteindelijk zijn misdaad op en keert met veel rijkdom weer naar huis.
Bron
Nederlandsch Museum 1888. Derde reeks. Jaargang 2, pp.165-171. Online: https://www.dbnl.org/tekst/_ned005188801_01/_ned005188801_01_0043.phphttps://www.dbnl.org/tekst/_ned005188801_01/_ned005188801_01_0043.php
Naam Overig in Tekst
Denderleeuw   
