Hoofdtekst
Een bejaarde zegsman uit Kloetinge, die ik Z zal noemen weet allerlei over een reeds lang overleden inwoner van Klaetinge, die weerwolven kon (Ik zal deze weerwolf A noemen). Z is bijzonder goed in staat o inlichtingen te geven, want hij heeft er, toen hij nog in 't gezin van zijn vader woonde, náást gewoond. Z deelt het volgende mee:
A heeft een tijdlang vodden opgehaald. Hij reed dan met een kruiwagen met 4 wielen om z'n vodden. Soms hield hij zich, als hij tenslotte onderweg naar huis was, alsof hij te moe was om verder te rijden. Kwam er nu iemand langs, die bereid was zelf eens te kruien, dan was die persoon nog niet goed af. Want als hij eenmaal met dat werkje begonnen was, moest hij door blijven rijden net zo lang als A dat wilde.
De familie Z. hield in de tuin (in een hokje uiteraard) bonte konijnen. Op een gegeven avond zegt Z Sr. tegen Z Jr.: "Nu moet je toch eens kijken, nu lopen al de konijnen op 't bleekveld." Je zag ze duidelijk lopen, doch even daarna waren ze weg. Het bleek dan dat ze rustig in het hok zaten, en ... dat hok was gewoon dicht. Zonder enige twjfel was dat alles het werk van buurman A geweest, die over weerwolfskrachten beschikte.
De families A en Z hadden in zoverre een gemeenschappelijke zolder, dat tussen ieders zolderruimte een afzetting van latwerk was, zodat men toch op het gedeelte van de ander kon kijken. Nu placht men op de zolder van A een blauw lichtje te zien branden. Als A er nu "op uit ging" (weerwolfskunsten ging doen), dan ging automatisch dat vlammetje uit. Zo bijv. toen hij die konijnen betoverde, zal stellig tijdelijk dat lichtje zijn uitgedoofd. Men zei (doch Z durft hiervoor niet borgstaan) dat, wanner dat lichtje door mensen zou worden uitgedoofd, men daardoor A zou doodmaken. Men zei eveneens, dat wanneer men A (speciaal waneer deze er als weerwolf op uit was??) iets over z'n gezicht zou werpen (een zak of zoiets), hij wellicht dood zou gaan (of alleen z'n macht kwijtraken?) want (aldus Z weer) dan on 't er immers niet meer is.
(Z legt een verband, zij het dat dit mij, v. L., wel wat verward voorkomt, tussen het lichtje dat dan de geest zou zijn, wanneer deze buiten het lichaam van A is, en andere wijzen van lichaam en geest, zoals met een zak over 't hoofd).
Een van de kinderen van een weerwolf placht de kunst van zijn vader te leren. Zo heeft A het ook aan één van zijn zoontjes geleerd (Deze is echter vroeg gestorven, wel vóór zijn twintigste jaar). Het bleek heel goed, dat deze jonge A er ook verstand van had, want het gebeurde wel, dat deze gewoon met zijn kameraadjes (als kind) aan 't spelen was, en dan ineens ... verdwenen bleek. Dan was hij er wel hoor, alleen hij had zich onzichtbaar gemaakt.
Als A 's nachts tevoren "uit" geweest was (d.w.z. als hij was gaan weerwolven) zag hij er de volgende dag suf en raar uit. Dat was dus goed te merken. In zo'n geval zag zijn gezicht er soms erg gehavend uit. Dan was hij in de strijd geweest. Ja, ja, ze komen hun mannetje ook wel eens tegen. Als namelijk een weerwolf iemand ontmoet, die de kunsten ook kan, en die machtiger is dan hij zelf, dan kan die zwakkere weerwolf niets doen.
Men zei wel eens, dat weerwolven ook niets doen konden,, als men iets vasthield, dat van zilver was (bv. dubbeltje of kwartje).
A heeft een tijdlang vodden opgehaald. Hij reed dan met een kruiwagen met 4 wielen om z'n vodden. Soms hield hij zich, als hij tenslotte onderweg naar huis was, alsof hij te moe was om verder te rijden. Kwam er nu iemand langs, die bereid was zelf eens te kruien, dan was die persoon nog niet goed af. Want als hij eenmaal met dat werkje begonnen was, moest hij door blijven rijden net zo lang als A dat wilde.
De familie Z. hield in de tuin (in een hokje uiteraard) bonte konijnen. Op een gegeven avond zegt Z Sr. tegen Z Jr.: "Nu moet je toch eens kijken, nu lopen al de konijnen op 't bleekveld." Je zag ze duidelijk lopen, doch even daarna waren ze weg. Het bleek dan dat ze rustig in het hok zaten, en ... dat hok was gewoon dicht. Zonder enige twjfel was dat alles het werk van buurman A geweest, die over weerwolfskrachten beschikte.
De families A en Z hadden in zoverre een gemeenschappelijke zolder, dat tussen ieders zolderruimte een afzetting van latwerk was, zodat men toch op het gedeelte van de ander kon kijken. Nu placht men op de zolder van A een blauw lichtje te zien branden. Als A er nu "op uit ging" (weerwolfskunsten ging doen), dan ging automatisch dat vlammetje uit. Zo bijv. toen hij die konijnen betoverde, zal stellig tijdelijk dat lichtje zijn uitgedoofd. Men zei (doch Z durft hiervoor niet borgstaan) dat, wanner dat lichtje door mensen zou worden uitgedoofd, men daardoor A zou doodmaken. Men zei eveneens, dat wanneer men A (speciaal waneer deze er als weerwolf op uit was??) iets over z'n gezicht zou werpen (een zak of zoiets), hij wellicht dood zou gaan (of alleen z'n macht kwijtraken?) want (aldus Z weer) dan on 't er immers niet meer is.
(Z legt een verband, zij het dat dit mij, v. L., wel wat verward voorkomt, tussen het lichtje dat dan de geest zou zijn, wanneer deze buiten het lichaam van A is, en andere wijzen van lichaam en geest, zoals met een zak over 't hoofd).
Een van de kinderen van een weerwolf placht de kunst van zijn vader te leren. Zo heeft A het ook aan één van zijn zoontjes geleerd (Deze is echter vroeg gestorven, wel vóór zijn twintigste jaar). Het bleek heel goed, dat deze jonge A er ook verstand van had, want het gebeurde wel, dat deze gewoon met zijn kameraadjes (als kind) aan 't spelen was, en dan ineens ... verdwenen bleek. Dan was hij er wel hoor, alleen hij had zich onzichtbaar gemaakt.
Als A 's nachts tevoren "uit" geweest was (d.w.z. als hij was gaan weerwolven) zag hij er de volgende dag suf en raar uit. Dat was dus goed te merken. In zo'n geval zag zijn gezicht er soms erg gehavend uit. Dan was hij in de strijd geweest. Ja, ja, ze komen hun mannetje ook wel eens tegen. Als namelijk een weerwolf iemand ontmoet, die de kunsten ook kan, en die machtiger is dan hij zelf, dan kan die zwakkere weerwolf niets doen.
Men zei wel eens, dat weerwolven ook niets doen konden,, als men iets vasthield, dat van zilver was (bv. dubbeltje of kwartje).
Beschrijving
De verteller heeft een weerwolf als buurman gehad. Deze man kende veel toverkunsten. Hij liet mensen voor zich werken of ze dat nu wilden of niet. Hij kon konijnen uit een hok toveren en er weer in. Op zolder brandde een blauw vlammetje dat uitging zodra hij zijn kunsten uitoefende. Een manier om hem te pakken nemen, was een zak over zijn hoofd gooien of iets van zilver vast te houden. Ook zijn zoon was een weerwolf of tovenaar. Deze kon zich ook onzichtbaar maken. De dag nadat een van hen was gaan weerwolven kon je dat zien. Ze waren dan namelijk suf en hadden soms wonden van het vechten met andere weerwolven.
Bron
Volkskundevragenlijst 17 (1953), formulier I.70, archief Meertens Instituut
Commentaar
1953
anonieme verteller
Naam Overig in Tekst
A.   
Z.   
Naam Locatie in Tekst
Kloetinge   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
