Hoofdtekst
De wollef en de seve geitjes
Een Amsterdams volkssprookie
Der ware es seve geitjes en op een dag mos de ouwe geit naar de markt om de bonkaarte te ferpatse en toen see se tegen de geitjes: "Jongens, moe mot effe weg, geen rottigheidjes uithale en as de wollef komp, zeg dan as dat ie dood ken falle en niet ope doen."
"Das hartstikke krent", seeje de geitjes.
"Das dan voor ze ruige roodkopere", see de ouwe, "Nou, de mazzel hoor."
Toen de ouwe weg was, gonge de geitjes spelletjes doen en alles was kits tot er op de deur wies gerammeld.
"Daar heb ie het gedonder in de glase!", riepe de geitjes.
"Wat mot je?", vroeg er een.
"Maak de deur es effe ope, knapie", see de wollef, die buiten sting en de boel wou vernaggele.
"Je suster", seeje de geitjes, die hoorde dat het de wollef was. "We kijke wel uit hoor, laser maar op, hufter, neem je tante in de feiling."
Affijn, de wollef drukte se porem, want ie foelde wel, dat de geitjes in de smiese hadde dattet een fuil bakkie was. Effe later kwam ie terug en see ie met een vrouwestem dat ze de deur ope moste make, want de tent zat nog steeds op slot. De geitjes dachte dat alles jofel was, maar eentje was er toch zo link om de wollef te vrage se poot te late sien, dus drukte ie se snor. Nou mossie wat anders versinne en ie douwde se jatte in 't meel, om se wit te late schijne.
Toen de geitjes weer vroege om se grijpstuivers te late sien, doche se dat alles oke was en se seeje: "Goeje soep jongens, ope die tent".
De wollef kwam binne en see: "Nou heb ik jullie an je staart, vuile stinkers".
De geitjes schrokke sich 't laseres. De wollef sloeg se hallef lens en frat se op. Alleen 't sevende geitje was zo link om in de klok te duike en bleef daar sitte tot de wollef pleite was. 's Avonds kwam de ouwe geit in de lierum thuis en 't kleine geitje see dat die rottige wollef de andere ses in se muil hat gedouwd.
"Soon een stuk schorem", see de ouwe geit, die er meteen gloeiend de schurft in kreeg. "Die rottigheid sal ik die goser es effe aflere!"
De ouwe nam een end hout en gong met het geitje naar 't hol van de wollef, die met se folle pens voor pampus op se flooienbunker lei te snurken.
"Heb jij me kindere opgevrete, loeder?"
De wollef wier wakker en schrok se eige een rotje.
"Be je belaserd", see die gauw: "Ik heb geen poot buite de deur geset."
"Hij liegt dat ie barst", riep het geitje, "Ik heb het sellef gesien".
De ouwe sprong naar de wollef toe en sloeg um met een opdonder se harsens in. De wollef lag meteen kassie weine en was in een mum van tijd de laan uit. De ouwe nam een neifie en snee de pens van de wollef ope.
De ses geitjes spronge er meteen uit en songe: "Daar benne we weer!"
"Jullie kenne van geluk spreke", see de ouwe: "Daar wasse jullie sowat de pieneut geweest."
Om kort te gaan, se douwde de bast van de wollef vol met keie en se laserde um de majum in. De geitjes leefde nog lang en gelukkig.
Een Amsterdams volkssprookie
Der ware es seve geitjes en op een dag mos de ouwe geit naar de markt om de bonkaarte te ferpatse en toen see se tegen de geitjes: "Jongens, moe mot effe weg, geen rottigheidjes uithale en as de wollef komp, zeg dan as dat ie dood ken falle en niet ope doen."
"Das hartstikke krent", seeje de geitjes.
"Das dan voor ze ruige roodkopere", see de ouwe, "Nou, de mazzel hoor."
Toen de ouwe weg was, gonge de geitjes spelletjes doen en alles was kits tot er op de deur wies gerammeld.
"Daar heb ie het gedonder in de glase!", riepe de geitjes.
"Wat mot je?", vroeg er een.
"Maak de deur es effe ope, knapie", see de wollef, die buiten sting en de boel wou vernaggele.
"Je suster", seeje de geitjes, die hoorde dat het de wollef was. "We kijke wel uit hoor, laser maar op, hufter, neem je tante in de feiling."
Affijn, de wollef drukte se porem, want ie foelde wel, dat de geitjes in de smiese hadde dattet een fuil bakkie was. Effe later kwam ie terug en see ie met een vrouwestem dat ze de deur ope moste make, want de tent zat nog steeds op slot. De geitjes dachte dat alles jofel was, maar eentje was er toch zo link om de wollef te vrage se poot te late sien, dus drukte ie se snor. Nou mossie wat anders versinne en ie douwde se jatte in 't meel, om se wit te late schijne.
Toen de geitjes weer vroege om se grijpstuivers te late sien, doche se dat alles oke was en se seeje: "Goeje soep jongens, ope die tent".
De wollef kwam binne en see: "Nou heb ik jullie an je staart, vuile stinkers".
De geitjes schrokke sich 't laseres. De wollef sloeg se hallef lens en frat se op. Alleen 't sevende geitje was zo link om in de klok te duike en bleef daar sitte tot de wollef pleite was. 's Avonds kwam de ouwe geit in de lierum thuis en 't kleine geitje see dat die rottige wollef de andere ses in se muil hat gedouwd.
"Soon een stuk schorem", see de ouwe geit, die er meteen gloeiend de schurft in kreeg. "Die rottigheid sal ik die goser es effe aflere!"
De ouwe nam een end hout en gong met het geitje naar 't hol van de wollef, die met se folle pens voor pampus op se flooienbunker lei te snurken.
"Heb jij me kindere opgevrete, loeder?"
De wollef wier wakker en schrok se eige een rotje.
"Be je belaserd", see die gauw: "Ik heb geen poot buite de deur geset."
"Hij liegt dat ie barst", riep het geitje, "Ik heb het sellef gesien".
De ouwe sprong naar de wollef toe en sloeg um met een opdonder se harsens in. De wollef lag meteen kassie weine en was in een mum van tijd de laan uit. De ouwe nam een neifie en snee de pens van de wollef ope.
De ses geitjes spronge er meteen uit en songe: "Daar benne we weer!"
"Jullie kenne van geluk spreke", see de ouwe: "Daar wasse jullie sowat de pieneut geweest."
Om kort te gaan, se douwde de bast van de wollef vol met keie en se laserde um de majum in. De geitjes leefde nog lang en gelukkig.
Onderwerp
AT 0123 - The Wolf and the Kids   
ATU 0123 - The Wolf and the Kids.   
Beschrijving
Een variatie op "De Wolf en de zeven Geitjes" in plat Amsterdams: Een moedergeit heeft zeven geitjes. Als ze op een dag naar de markt gaat, waarschuwt ze haar kinderen niet open te doen voor de wolf. Als de wolf aan de deur komt, hebben de geitjes in de gaten dat ze de deur niet mogen open doen. De wolf druipt af. Even later probeert de wolf het nog een keer. Hij zet een vrouwestem op en probeert de geitjes weer over te halen de deur open te doen. Een van de geitjes is zo slim om te vragen of de wolf zijn poot wil laten zien. Omdat de bruine poot meteen zal verraden dat hij de wolf is, drukt de wolf zijn poot in wat meel, en steekt vervolgens die witte poot door de deuropening. De geitjes zijn gerustgesteld en laten hem binnen. Als de wolf binnen is eet hij slechts 6 van de 7 geitjes op. Een geitje is namelijk zo slim geweest om zich in de klok te verstoppen. Wanneer de moedergeit thuiskomt vertelt het zevende geitje wat er is gebeurd met de andere geitjes. De moedergeit gaat naar de wolf toe, slaat hem om zijn oren en snijdt zijn buik open., waardoor de 6 geitjes er levend en wel weer uit kunnen springen.
Bron
Tilt jaargang 13, nummer 3, februari 1997 (blad voor HES-studenten)
Commentaar
februari 1997
Het sprookje werd op verzoek van Theo Meder in plat Amsterdams voorgedragen door prof. dr. Piet Schrijvers (classicus), een geboren Amsterdammer, in het radioprogramma Opium van de Avro (Radio 1, 17 november 1997, 20.00-22.00 uur). Zie onder de knop Geluid. Op 18 november meldde zich telefonisch een man die wist dat deze sprookjes-versie ouder is: hij kon zich herinneren dat hij zo'n 30 jaar geleden deze tekst uit zijn hoofd had geleerd en voorgedragen toen hij op de HBS zat. De beller was niet de auteur van de tekst, en wist ook niet wie de auteur wel was.
The Wolf and the Kids
Naam Overig in Tekst
[Bargoens   
Amsterdams]   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20

