Hoofdtekst
PIETJE DE WAGENSPRINGER
Omstreeks 1800 zag men bij feestelijke gelegenheden voor de geopende vensters van een der kamers boven de Waag, op de Nieuwmarkt te Amsterdam, vier geklede geraamten staan, waarvan er drie met een pruik waren getooid, terwijl er een opgezette hond op de vensterbank stond. Dat was het werk van de jongere leden van het chirurgijnsgilde, die op deze wijze de feestvreugde wilden verhogen. Het waren, zei men, de geraamten van de Achtkante Boer, van Doortje Donker, van Jaco met zijn hondje en van Pietje de Wagenspringer.
Pietje was een aalvlugge schelm die nog wist te ontkomen als de rakkers (de politie) hem dicht op de hielen zaten. Eens renden ze achter hem aan door de stegen en sloppen van de Jordaan. Op de smalle wallekant van een gracht was hij hen nog maar een handlengte voor, want ook de broodmagere, onderbetaalde rakkers konden hard sprinten en daar stond, als een onwrikbaar obstakel over de hele breedte van de gracht, een koets die bij het nemen van een bocht was blijven steken. Pietje bedacht zich geen ogenblik. Hij nam een sprong, dwars door de portieren van de koets, en midden in die sprong nam bij beleefd zijn hoed af voor de dikke heer die daar met zijn liefie zat. De rakkers volgden hem niet, want ze hadden in die welgedane heer hun meester, de schout, herkend! Pietje de Wagenspringer was weer eens ontkomen.
Omstreeks 1800 zag men bij feestelijke gelegenheden voor de geopende vensters van een der kamers boven de Waag, op de Nieuwmarkt te Amsterdam, vier geklede geraamten staan, waarvan er drie met een pruik waren getooid, terwijl er een opgezette hond op de vensterbank stond. Dat was het werk van de jongere leden van het chirurgijnsgilde, die op deze wijze de feestvreugde wilden verhogen. Het waren, zei men, de geraamten van de Achtkante Boer, van Doortje Donker, van Jaco met zijn hondje en van Pietje de Wagenspringer.
Pietje was een aalvlugge schelm die nog wist te ontkomen als de rakkers (de politie) hem dicht op de hielen zaten. Eens renden ze achter hem aan door de stegen en sloppen van de Jordaan. Op de smalle wallekant van een gracht was hij hen nog maar een handlengte voor, want ook de broodmagere, onderbetaalde rakkers konden hard sprinten en daar stond, als een onwrikbaar obstakel over de hele breedte van de gracht, een koets die bij het nemen van een bocht was blijven steken. Pietje bedacht zich geen ogenblik. Hij nam een sprong, dwars door de portieren van de koets, en midden in die sprong nam bij beleefd zijn hoed af voor de dikke heer die daar met zijn liefie zat. De rakkers volgden hem niet, want ze hadden in die welgedane heer hun meester, de schout, herkend! Pietje de Wagenspringer was weer eens ontkomen.
Beschrijving
Streken van een schelm die steeds ontkomt.
Bron
J.R.W. Sinninghe: Spokerijen in Amsterdam en Amstelland. Zaltbommel 1975. p. 42-44
Naam Overig in Tekst
Achtkante Boer   
Doortje Donker   
Jaco   
Pietje de Wagenspringer   
Naam Locatie in Tekst
Waag   
Nieuwmarkt   
Amsterdam   
Jordaan   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
