Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

LUILEK08 - De Figuere van het Luy-lecker Landt

Een sprookje (), 17e eeuw

162.jpg

Hoofdtekst

De Figuere van het Luy-lecker Landt
Myn Heere van Luyergem, Coninck van Luylecker-landt,
Doet ghebieden op den bant, Al die noode wercken,
En luy en lecker syn, dat sy van allen cant,
Sijn Feest nu voor de handt comen verstercken.
5 Daer loopt achter straten ghebraden het Vercken,
Voor Leecken en Clercken, om het versaeyen.
Het is daer seer goet sijn, soo men mach mercken.
Dus, sonder hercken, elck wilt hem daer in beraeyen.
's Coninckx Peert kackt Rozijnen, vijghen en daeyen,
10 De huysen zijn met vlaeyen ghedeckt aen alle hoecken,
Ende daer toe oock ghemetst met goey Peperkoecken.

Alle Jaer eens houden sy haer omme-ganck,
Ist kreupel oft manck, soo ghy siet op dees maniere,
Met spet in de handen, blijdelijck, vry en vranck.
15 De feeste duert lanck, daer in de roost steeckt van den viere,
Oft een hespe ghesoden oft Lams quartiere,
Om te maecken goey ciere op den Vasten-avondt dach
In haer Vaen voeren sy een Flesch met Wijn ondiere,
Niemandt en maeckt een siere van eenich gelach,
20 Maer elck eet en drinckt meer dan hy mach,
Voorwaer men noyt en sach sulcke gulsicheyt baren,
Sy toonen wel dat sy sijn Bacchus dienaren.

Wie soude dit Landt willen wederlegghen?
Van den boom vallen de wegghen in den malveseye,
25 't Welck daer Rivieren zijn, soo men hoort seggen,
Achter de heggen vint men menigh pasteye,
Men weet daer van gheen swaricheyt, het isser al cadeye.
Op pijp oft schalmeye en hoortmen daer spelen,
Dan schossen en brossen op bergh en in valleye,
30 In elcke contreye den wijn gieten door der kelen,
De spijse diesghelijckx niet om vervelen,
Voor slechten en elen, soo men siet, voor hoer allen
Hoenderen, capoenen uyt de locht op de tafel vallen.

Romeneye en bastaert is daer al ghereet,
35 Soo 't blijckt by bescheet aen de figuere,
Elck moet bescheet doen, weer 't hem lief is oft leet,
Hy vloeyt daer al heet wt de fonteyne pure,
Een yeghelijck brenghet zijnen naesten ghebuere,
Altijdt teghen natuere, sy en moghen niet vasten.
40 Men denckt daer op gheenen sterf-dagh noch op de leste ure,
Elck is sonder ghetreure als beesten die masten,
Sy drincken dat sy naer malkanderen tasten,
Alle dese luy gasten siet men soo versaeyen,
Oock met visschen, die sy metter handt vanghen ghebraeyen.

45 De boter comt hen daer toe oock teghen gheloopen,
Waer zy den visch in doopen, wel vet, onghemeten,
d' Eyeren lopen in 't velt met groote hoopen,
Die 't oock moeten becoopen, ghereet om eten,
De sneppen die vlieghen, dit moet ghi weten,
50 Ghebraden wt de speten den Luyaerts in den mondt.
In grooter luyaerdije wordt haer tijdt verseten,
En ligghen versmet, deur gulsicheydt onghesondt,
Gebraden Gansen, Eyntvoghelen, ver al in 't ront,
Weghende menich pont, wasschen in de boomen:
55 Dit volck heeft al dat sy willen, wenschen en droomen.

Maer qualijck can iemandt in dit landt gheraecken,
Hy en moet eerst ghenaecken het landt van Dongherijen,
En door eenen boeck-wey-bry-bergh breken,
Eer hy can smaecken alle dese melodijen.
60 Desen Berch moet hy deur bijten an alle sijen,
Met lanckheyt van tijen, al cost hem pijne,
Dry mijlen is den bergh dick, dat moet hy deurschrijen,
Wilt hy hem verblijen met spijs en Wijnen,
Als ander luyaerts daer in 't Lant doen ten fijne,
65 Die daer ligghen als een swijnen al sat in 't cot,
En maecken van haren buyck haren Godt.

FINIS

Imprimatur in recreationem hominum

E.S.P.A.

(W.L. Braekman: 'Zelfportret van een bewoner en de "Figuere" van het Luilekkerland (17de eeuw)', in: Volkskunde 94 (1993) 3, p.290-292)

Onderwerp

AT 1930 - Schlaraffenland    AT 1930 - Schlaraffenland   

ATU 1930 - Schlaraffenland.    ATU 1930 - Schlaraffenland.   

Beschrijving

Beschrijving van het Luilekkerland. De Heer van Luyergem, koning van Luilekkerland, nodigt iedere luiaard uit om de vastenavond bij hem te komen vieren. Om er te komen moet men zich door een berg van boekweitbrij heenwerken. Maar daarna kan men ook in overvloed eten en drinken en luieren. De gebraden varkens lopen er rond. Paarden kakken er rozijnen, vijgen e.d. De huizen zijn gemaakt van vlaai en peperkoek. Elk jaar maakt men er op vastenavond een ommegang met het braadspit in de hand en een vaandel met de afbeelding van een goedkope fles wijn erop. Het brood valt er van de bomen en de rivieren zijn gevuld met wijn. De kippen vallen uit de lucht op tafel. De gebraden snippen vliegen de luiaards zo in de mond. Eieren lopen volop rond in het veld. Aan verdriet en dood wordt niet gedacht.

Bron

W.L. Braekman: 'Zelfportret van een bewoner en de "Figuere" van het Luilekkerland (17de eeuw)', in: Volkskunde 94 (1993) 3, p.290-292. Oorspr. druk: Stadsbibliotheek te Antwerpen: Sign. C 101780 (1).

Commentaar

Deze tekst staat in een miniboekje met tien houtsneden en twee gedichten. Bovenstaand gedicht is het tweede en wordt voorafgegaan door Br. Luyaert, patroon van 't Luy-Leckerlandt. De ondertekening van het gedicht met E.S.P.A. kan volgens Braekman betekenen: E.S. Poeta Antwerpiae.
Zie ook onder Beeld.

Naam Overig in Tekst

Heere van Luyergem    Heere van Luyergem   

koning van Luylecker-landt    koning van Luylecker-landt   

Luiergem    Luiergem   

Luilekkerland    Luilekkerland   

Bacchus    Bacchus   

Hongerland    Hongerland   

Hongerije    Hongerije   

landt van Dongherijen    landt van Dongherijen   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20