Hoofdtekst
’t Wos dor e kopman, e koeimarchand en je wilde in die herberge niet gon en je wilde dor niet kaarten. Mor t’langen latsten kaarten olgelijk. Die kopman ging voort en dien hoend ging mee. De Busschaerts vielen de kopman an. En ’t vocht een tegen den hoend en een tegen de kopman en ze riepen olle twee achter hulpe. Die andre kosten dat niet hoeden en ze zijn bluven liggen. En die kopman ging were nor huus en je kwam were één tegen van Bakelandts bende en den deen vroeg: "Worom gaaj zo trage?" "’k Zijn vermoeid gevochten", zeiten. Enne zei tegen die kerel: "Meuk e bitje up je schoere rusten?" Enne mochte. J’etten dor e klop gegeven en Bakelandt zei: "Bravo, voor zukke paascheiers" (voor zulk rake slagen). Enne vroeg: "Ejden gedodigd?" "Nink", zeiten. "Je mosten gedodigd èn", zeiten, "me gon hier moeten toezetten."
Onderwerp
SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   
Beschrijving
Een koeienhandelaar had zich laten overhalen om in een herberg te gaan kaarten. Toen de handelaar samen met zijn hond naar huis vertrok, werd hij onderweg aangevallen door rovers.De hond verdedigde zijn baas, zodat de twee rovers de handelaar moesten laten gaan. Wat verderop kwam de handelaar een andere rover van de bende van Bakelandt tegen, die hem vroeg: "Waarom ga je zo langzaam?" Daarop antwoordde de handelaar: "Ik ben moe door het vechten. Mag ik wat op je schouder rusten?" Daarna kreeg de man een oorveeg van de rover.
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (vrijbos)
127B
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Busschaert
Bakelandt
Bakelandt
Bakelandt (bende van)   
bende van Bakelandt   
Naam Locatie in Tekst
Merkem   
