Hoofdtekst
Celestien van den dikken hé was overgoten van den brand, zo zes-zeven maand hé; en er vraagt een vrouw aan Lina: “Lina, hoe is ’t mee uw kind?” “Hoe zou’t ermee zijn, gij en kunt ’t niet kennen van den brand”, zei ze, “’t is al den derden keer.” En ze ging naar dat kind zien hé, “ik ging naar Affligem in uw plaats”, zei ze. En ze gingen ermee bij de paters van Affligem, en de paters overleesdegen haar en de negesten dag en koste geen naald zetten hé dat er genen brand en was! Maar den tienden dag en zagde niemendale nimmer, hé. En dat is echt zelle!
Beschrijving
Een moeder wiens kind al voor de derde keer aan huiduitslag leed, ging naar de paters van Affligem. De paters overlazen het kind. Negen dagen later was de onsteking nog erger geworden, maar op de tiende dag was het kind genezen.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
oost-vlaams (denderstreek)
325
fabulaat
Naam Overig in Tekst
paters van Affligem   
Affligem (paters van)   
Naam Locatie in Tekst
Appelterre-Eichem   
Plaats van Handelen
Affligem   
