Hoofdtekst
Kea:
Ik zat met een heel stel meiden hier uit de buurt op de Anthoniusschool, geen van allen konden leren en ik net zo min. Het interesseerde me niet. Het mooiste vond ik zangles, breiles en als we naar de kerk moesten. In de kerk hoefde je niet te leren en met zingen ook niet. Dan mocht ik van zuster Baptista het orgeltje wegbrengen. In de wintermaanden dan was het altijd:
(zingt) "Baanveger, baanveger kom met je bezem,
Veeg nu een ganse gladde baan."
Weet ik het allemaal... en dan begon je weer: "baanveger, baanveger..."
En dan vals zingen en dan zei ze: "D'r uit!" Al die namen weet ik nog. Ik heb de hele week zitten denken: zangzuster Baptista, hoofdzuster Machtilda, handwerkzuster Agatha en zuster Lidwina.
In de meimaand moesten we de speelplaats over en dan moesten we allemaal op de trap staan, aan beide kanten en de kleintjes ertussen in, dan stond hier midden in een grote boom met het Mariabeeld. Nou, dat was iets prachtigs, daar kon ik de hele dag wel staan. Dan zong je: "God groet u zuivere bloemen." En weesgegroetjes bidden. En het Heilig Hartfeest in de tuin van het klooster. Dan was op de woensdagavond: alles voor het kind, met de zusters van de Born, die woonden op de Leidseweg. We hadden daar een soort toneelgroep en dat werd dan hier in het parochiehuis gehouden.
Van 6 tot 7 voor de kleintjes en dan leerden we daar van Repelsteeltje, het toneelstukje van Repelsteeltje. Toneelspelen vond ik leuk. Dan werd je niet gedwongen. Dat leren was verschrikkelijk. Alles moest op tijd. Nou dat mot ik helemaal niet. Dus ik was geen beste leerling. Ja, dan is het toch spelen in de klas. Totdat de juffrouw het inktpotje gooide. Het inktpotje van de lessenaar! "Nou ben ik het zat!", zei ze en ze gooide, ik buk en Truus Veenhof krijgt het tegen d'r aan. Ja, en daar kwam moeder Veenhof aan: "Wat mot dat?"...
Wij waren altijd aan het donderstralen. Ik ben nog twee keer blijven zitten ook. De hele klas, er gingen d'r vier of vijf van over. Nou we waren echt een stel rotstralen. En die borstel daar... (wijst naar borstel) ik zit er iedere keer op te kijken, nou die is heel wat keren door de klas heengegooid. Mijn kinderen hebben diezelfde juffrouw ook nog gehad hier in de Malakkastraat toen dat een gemengde school werd.
Ik zei tegen haar: "Eén ding: je houdt je lineaal bij je!" Want ze sloeg zo keihard met dat ding op tafel. En je kreeg ook wel, tets, tets. Met een lineaal. En dat was nog die brede, die houten... zo groot. Machtsmisbruik. Maar goed, ik was ook geen lieffie. Wij deugden d'r echt niet voor. En dan werd je naar de hoofdzuster gestuurd. "Wat heb je gedaan?"
"Ja, ik ben lastig geweest."
"O. Ga maar staan, blijf maar staan in de hoek." Bij de grote potkachel. Met de handen op de rug. En dan stiekem omkijken, En als de school dan uit was, dan kon jij blijven.
Er werd thuis ook geen aandacht aan besteed. Moeder interesseerde het niet of je leerde. Ze zei altijd: "Doet je best!" Ze kon het zelf ook niet. Dus ik heb het van niemand vreemds. Mijn vader kon heel goed leren. Maar, ach, die was veel te laat thuis. Dan lag jij weer op bed. Hij was kleermaker bij Cohen. Die ging 's morgens vroeg de deur uit. En die kwam 's avonds om 7 uur weer binnen.
Kinderen die wél goed konden leren, dat vonden wij uitslovers! En je probeerde dan om erbij te komen en af te kijken. Maar dat had de juffrouw weer in de gaten en dan was het: "Ga jij maar weer achteraan zitten," of: "Maak jij het maar na 12 uur."
Thuis konden ze me niet helpen en op school hadden ze veertig, vijftig mensen in de klas, daar konden ze niet allemaal op letten! Die fotograaf moest altijd twee keer knippen om alle kinderen op de foto te krijgen. De slechten gingen achterin en de besten mochten altijd vooraan gaan zitten, want anders moesten ze het twee, drie keer uitleggen.
Toen heb ik nog een half jaar op de huishoudschool gezeten. Toen had ik geen zin meer. Maar wat zei mijn moeder? "Dan ga je maar werken!"
Toen ben ik bij de Lubro begonnen hier in de Abel Tasmanstraat. In 1954. Ik werd vrijdags veertien en vrijdagnacht begon ik. Om half vijf, tot zaterdagmiddag vier uur. Dat waren wel bijna twaalf uren, want je moest die bakkerskarren vullen. Ik was de eerste die achter de snijmachine stond van de Lubro. Die rondewitmachines. Die kwamen toen uit, toen kregen we rond witbrood.
Lubro was geen slechte baas. Dat was: brood inpakken en roggebrood snijden en zoete koek inpakken en dan die plaatjes van die vliegtuigen d'r bij doen. En dan die bakkerskarren allemaal. Dan had je die luiken en dan kreeg je bestellingen, dit en dat moeten ze hebben en dan deed je dat erin. Och, wat reden er daar veel vrachtwagens weg 's morgens. Maar die moesten wij dan helemaal laaien. Het was wel pezen, hoor in de Abel Tasmanstraat. Iedere morgen zes uur!
Mijn moeder zei altijd: "Lieverd, je neemt gewoon wat broden mee naar huis, anders steek je je vingers er maar in." Want als je vingers d'r in legde, dan mocht dat brood niet meer verkocht worden. Dus wat dee je dan? Je kreeg twee van die pikdoeken en dan moest je dat hete brood uit die oven halen. Nou, als je daar eens flink in kneep, kwamen die vingers d'r in.
Dat werd thuis gezegd, dus in het krentenbrood en in die bolletjes en in het brood, daar gingen mijn vingers in. En dan mocht je dat mee naar huis nemen.
Ik weet dat ik d'r wel heel goed verdiende. Toen had ik 35 gulden in de week. Nou, dat was toen een hoop geld, want ik had net zoveel als mijn vader. Toen heb ik één keer ruzie gehad met mijn moeder. Ik kwam voor de eerste keer thuis met me geld, zegt mijn moeder: "Dankjewel, lieffie." Ik zei: "Wat wil je hebben dan?" Zegt ze: "Ja, jouw centjes." Ik zeg: "Ja, maar daar heb ik voor gewerkt, jij niet."
Ik zeg: "Daar stap ik niet in."
Nou dan werd dat even netjes uitgelegen, dat als je werkte dat je dat geld gewoon aan je moeder moest geven en dan kreeg ik gewoon zakgeld. Maar ik dacht: "Ik heb gewerkt, dus dat geld was voor mij." Dat ze al die jaren voor jou hadden gewerkt, dat besefte ik toen niet. Dus ik was vreselijk boos, ik zeg: "Ik ga nooit meer werken." Maar toch de week daarop gewoon weer gegaan natuurlijk. Maar het was toch niet hetgeen wat ik zocht, hoor. Tussen die vier muren. D'r werd gezegd: dat moet je doen en dat dee je gewoon. Als ik naar de wc wilde bij de Lubro, moest je eerst zeggen: "Kan ik even de sleutel krijgen, ik moet naar de wc." Nou, dat is echt niks voor mij. Het is net wat ik vertelde van school: alles moest op tijd. Je kon niet vrij zijn. Daarom hou ik het ook nooit ergens uit op een fabriek. Je moet en alles dicht, nee, je moet vrij zijn. Je moet niet gedwongen zijn. En dan ging de fluit en dan mocht je om 12 uur gaan eten en half 1... Ik dacht, ja kom! Dag! Dat was niks voor mij. Ik heb het vier maanden volgehouden, toen zeg ik: "Ik heb m'n ontslag gekregen." Toen zei m'n moeder: "Slager Bergers, die weet iemand en die hebben een meisje in de huishouding nodig." Ik zeg: "En daar ga ik heen." Nou toen zei ik bij de Lubro: "Ik ben vandaag voor het laatst." Maar daar verdiende ik wel ƒ35,- en toen ging ik werken voor ƒ25,-. Maar ik had geen dwang meer, in de huishouding was ik vrij. Zodoende ben ik de huishouding ingegaan met kinderen. Dat trok mij. En het is nog me hobby.
("Als ik het vertel, zie ik het weer helemaal voor me" Verhalen uit Lombok. Deel 1. Utrecht 1998, p.24-35.)
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Cor   
Machtilda   
Agatha   
Lidwina   
Mariabeeld   
God   
Heilige Hartfeest   
Repelsteeltje   
Truus Veenhof   
Cohen   
Lubro   
Slager Bergers   
Naam Locatie in Tekst
Kea   
Anthoniusschool   
Baptista   
Born   
Leidseweg   
Malakkastraat   
Abel Tasmanstraat   
