Hoofdtekst
Er was doa ne keer nen joengen die geerne had gejoagd, mo je mochte niet van zien voadre. Je bleef zoagen en zien voader makte hem dul (kwaad) en zei: “Joag toet in de eeuwigheid”. En hij dei’t. Vroeger han de oeders de macht om hun joengens te verwinsen. Mien voader hèt dikkens, ’s oavends, oet skoon were was, hem horen fluten achter zien honden, ip een heel skoon kloar skuffelingske (= fluitje). Nu joagt ne nog oltijd voort tot in de eeuwigheid.
Beschrijving
Een jongen die graag wilde gaan jagen, mocht niet van zijn vader. Omdat de zoon maar bleef aandringen, werd de vader uiteindelijk zo boos dat hij zei: "Jaag tot in de eeuwigheid". Een man uit Wielsbeke heeft de eeuwige jager 's avonds bij mooi weer vaak horen fluiten naar zijn honden.
Bron
R. Callens, Leuven, 1968
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (tielt en izegem)
38
Vader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Wielsbeke   
