Hoofdtekst
Zeker, ja, dat was een holle boom. - Martha, die lacht maar, maar wat ik u vertel is allemaal waar geweest -. Maar een meisje, hè, die kwam van 't dorp van de kermis en het had een jongen bij. Ja, die jongen, die ging naar dat meisje en die vroeg of hij mocht meegaan om het thuis te doen. Dat meisje zei: ja. Krek aan de dorpbruggen, aan deze kant de Demer, waren ze krek af gegaan, en toen zei die jongen: 'Ge moet hier tien minuten staan blijven, dan kom ik terug bij u.' Maar hij zei niet dat of dat ga ik doen, dat was 't meisje al maar aardig, wor. En het moest stillekens staan blijven en het wou doorgaan. Het dacht: 'God weet, wat een jongen dat dat is, of komt hij terug naar mij toe?' En daar kwam dat meisje haar vader tegen, dat het al een beetje laat werd, dat hij dacht dat het alleen niet meer durfde thuis komen. En de weerwolf, die werd een schone struise jongen, maar die man houwde met de rode moaslat, voor zijn muil door. En 's anderendaags 's avonds kwam hij bij dat meisje weer binnen en zijn hele tanden hingen vol van de vetsemen van die rooie moaslat.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een jongen die met zijn vriendin terugkwam van de kermis, zei onderweg: "Blijf hier tien minuten staan, en dan kom ik terug bij je". Omdat het meisje ongerust werd, was ze erg opgelucht toen ze haar vader zag aankomen. De vader sloeg met een rode zakdoek naar een weerwolf die plots opdook. De volgende avond kwam de jongen bij het meisje op bezoek. Tot haar grote ontsteltenis zag het meisje dat de rode vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden hingen.
Bron
W. Achten, Leuven, 1971
Commentaar
1.6 Weerwolven
midden-limburgs
m
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Diepenbeek   
