Hoofdtekst
’t Was daar een café die nogal wel verkochte en in dien tijd ze mosten naar de kelder en gaan tappen naar ’t vat. En dikwijls was er daar een slange rond de krans gedraaien, - dat was een tunne van 140 l., - dat de menschen lijk moeite hadden en dat duurde lijk vele jaren dat de menschen ossan rooi (last) hadden. Maar op een zeker moment, ze komen op een machtigen priester die macht hadde en ze vroegen dat en hij gong dat aan en zegt’n tegen de baas: “Maak gij daar een pit, ’t en moet niet groot zijn”. En als dien pit gemaakt was den priester begoste aan zijn werk dat’n moste doen, wuk dat’t was ‘k en weten ’t niet, alleszins hard geleerd. En die slangen zieder kamen daar en zieder kropen daar ossan bachten mekander, al in dien pit en ze zagen ze niet meer en als er daar een hele charge, misschien dat ze al waren, de slangen, den lasten was den baas, dat was één met een pluime op heure kop lijk of dat je zoudt zeggen een pauw en ’n kijkt omme zegt’n: “Chance”, zegt’n, “dat je ouder zijt of ik”.En ’t heeft gedaan gebleven.
Beschrijving
In een café had men te kampen met een slangenplaag. Vaak was er een slang rond de tapkraan gedraaid. Na enkele jaren kwam er een machtige priester in het dorp, die de mensen de raad gaf om naast het café een put te graven. De geestelijke zorgde ervoor dat de slangen allemaal achter elkaar in de put kropen. De laatste slang had een pluim op haar kop. Die slang draaide zich om naar de geestelijke en sprak: "Je hebt geluk dat je ouder bent dan ik!" Daarna was men van de slangen verlost.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (franse grens)
446
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Proven   
