Hoofdtekst
Ik moest ne keer naar Wijnhuizen gaan hé, en ik wist mijne weg daar azo goed als hier. Maar ’t moest ook een dingen zijn die niet al te katliek en was: ik staptegen aan “’t Schip” af, en als ik daar kwam en wist ik nimmer waar da’k was. Ik ging een strate in en ik kwam altijd waar aan ’t Schip. Dan kwamp ik de steenweg af, en alle huizen die vroeger daar stonden, stonden al den anderen kant! Ik mij ommgekeerd (sic) en dat was weer ’t zelde: die huizen stonden weer verkeerd! En ’t er stond daar een kapelle “ik ga daar in die kapelle”, zei ik “en aske gij de leuten moei zijt, dan zal ik voortgaan.” Daar nen tijd gezeten en ik zie daar ne gebuur passeren – jommer de mensen goed herkennen hé – en aan den dien vroeg ik dan de weg. Aardig was ik daaraf!
Beschrijving
Een vrouw die naar Wijnhuizen moest, stapte bij ‘’t Schip’ uit . Hoewel ze daar de weg heel goed kende, raakte ze verdwaald. De vrouw doolde rond en belandde telkens opnieuw bij ’t Schip. De radeloze vrouw ging een tijdje in een kapel zitten, waar ze een buurman zag voorbijkomen, aan wie ze de weg vroeg. Daarna kon de vrouw weer voort.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (denderstreek)
20
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Ophasselt   
Plaats van Handelen
Schip (op de weg naar Wijnhuizen)   
Wijnhuizen   
