Hoofdtekst
I -En hebt ge nog horen vertellen van een dwaallicht of zo?32 -Een dwaallicht?I -Een dwaallicht of zo, ik weet niet hoe ze dat hier noemen, zo van die vlammetjes boven ‘t kerkhof of zo?32 -Nee, daarvan heb ik niet horen zeggen.I -En van een stalkaars, hebt ge daar horen van vertellen?II -Een stalkaars.32 B -Stalkaarsen dat maakten wij ook hé. Dat waren, een grote raap en dat ‘t schijfje afgezaagd, vanboven afgesneden en uitgedaan en daar een kaarsje ingezet en dat hingen wij, ik niet, ze (hoor), ik heb het niet gedaan, maar zo ieverst (ergens), ‘s avonds zetten hé, met een kaars in, aan de kerk, daar of daar, en thuns (dan) ik heb horen zeggen dat er waren die hun daar schau (bang) in maakten hé, van die kaarsen.I -En van een doodskaars, hebt ge daar nog horen van vertellen of zoiets?32 -Van?I -Een doodskaars of zoiets, ik weet het zelf ook niet juist, maar misschien is dat iets gelijk een dwaallicht of zo.32 -Een doodkaars?I -Een doodskaars of zoiets.32 -Ah, een doodskerre (doodskar) of doodskaars. Nee, daar heb ik toch niets horen van zeggen.
Beschrijving
Stalkaarsen waren uitgeholde rapen waarin men een kaars had gezet en die ’s avonds door grapjassen ergens werden gezet om de mensen bang te maken.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
oost-vlaams (groot-zottegem)
32B
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Godveerdegem   
