Hoofdtekst
Beschrijving
Een jongen ging altijd met een koe naar de weide in ’t Goor. Onderweg werd hij altijd begeleid door een oud moedertje aan wie hij zijn toverkunsten liet zien. De jongen kon spelden maken, maar ze hadden geen kop. Daarvoor moest hij met zijn voet een putje in de grond maken. Toen de pastoor bij de jongen was geweest, was hij zijn toverkunsten kwijt.
Bron
W. Van Hoof, Leuven, 1963
Commentaar
2.2 Tovenaars
antwerps (heist-op-den-berg en omgeving)
277
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Wiekevorst   
Plaats van Handelen
Goor ('t)   
't Goor   
